I1, IW1, N1, W1
Oefenzitting 1: Verzamelingen, relaties, functies
Academiejaar 2025 – 2026 Deel 0
1 Herhaling
1.1 Verzamelingen
Zij A een verzameling. Een element x behoort tot A of behoort niet tot de verzameling A.
Notatie: x → A of x →
/A
Een verzameling B is een deelverzameling van de vezameling A als
↑b → B : b → A.
Bewerkingen op verzamelingen: doorsnede, unie, verschil, product (Zie blz. 1-2)
1.2 Relaties
Een relatie van een verzameling A naar een verzameling B is een deelverzameling van de pro-
ductverzameling A ↓ B. De verzameling A is het domein van de relatie. De verzameling B is het
codomein.
1.3 Functies
Een functie f van een verzameling A naar een verzameling B is een relatie waarbij elk element x
uit A in relatie staat met hoogstens één element y uit B.
Notatie: f : A ↔ B : x ↗↔ f (x)
• Het definitiegebied van de functie f is de volgende deelverzameling van het domein A:
def(f ) = {x → A | ↘y → B : y = f (x)}.
• Het beeld van functie f is de volgende deelverzameling van het codomein B:
bld(f ) = {y → B | ↘x → A : y = f (x)}.
Eigenschappen van functies (met f : A ↔ B):
• Een afbeelding is een functie waarvoor het domein en het definitiegebied gelijk zijn aan
elkaar.
↑x → A : ↘!y → B : y = f (x)
• Een functie is injectief als elk element uit het codomein de functiewaarde is van hoogstens
één element uit het domein.
↑x1 , x2 → def(f ) : f (x1 ) = f (x2 ) ≃ x1 = x2
Een injectieve afbeelding noemen we een injectie.
• Een functie is surjectief als het codomein en het beeld gelijk zijn aan elkaar.
↑y → B : ↘x → A : y = f (x)
Een surjectieve afbeelding noemen we een surjectie.
fiR- > /R : K +: Jet, , gar affolding
of dom
, • Een functie is bijectief als ze injectief en surjectief is. Een bijectieve afbeelding noemen we
een bijectie.
De samengestelde functie g ⇐ f : A ↔ C is gedefinieerd door (g ⇐ f )(x) = g(f (x)), waarbij
f : A ↔ B, g : B ↔ C en bld(f ) ⇒ def(g).
Als f : A ↔ B een bijectie is, dan heeft f een inverse functie f →1 : B ↔ A waarvoor geldt
↑x → A : (f →1 ⇐ f )(x) = x en ↑y → B : (f ⇐ f →1 )(y) = y.
2 Oefeningen
Deel 0 - Extra oefeningen - p. 40-42
• Geef bij de figuren op de volgende pagina alle passende namen voor f . Kies uit: relatie,
functie, afbeelding, injectief, surjectief, bijectief.
⇑
• Gegeven de relatie R = {(x, y) → R2 | y 4 = x2 } en de functie f : R ↔ R : x ↗↔ x.
ω Teken de grafiek van de relatie R.
ω Zijn f en R gelijk?
ω Is de functie f een bijectie? Zo niet, hoe kan je hier een bijectie van maken?
• 4 (1,3)
• 6
! 8 (Even en oneven: zie definitie 4.3.3 op p.22 )
3 Extra Oefeningen
Deel 0 - Extra oefeningen - p. 40-42
• 9
! 4.5 (p.22)
! 4.6 (p.22)
Oefenzitting 1: Verzamelingen, relaties, functies
Deel 0 2/49
, A B A B A B
(Junisrelatis)
Opgave a Opgave b Opgave c
sujetig
/
supe
afbeelding relatie
, fot
A B A B A B
super
Opgave d Opgave e Opgave f
eig ingecif
afbeelding bijesie
Oefenzitting 1: Verzamelingen, relaties, functies
Deel 0 3/49
, h
alleelementen wrodam
nietdomein hebben
en
nee
mer-
pas
4)
Forafbeding
surjectief Neem
yz /R willekewig Es zodom Man voor IRI
?
konen dat er KEIRT bestaat
is
we een
Modat f(() y do IR
+
S
=
noor
· bold Maar IB
Stel =
y =, dan fr(x) =
fz(yz)
>
+
= 1)
affolding bred don
=
en : Mat /ht
y (yar 81 +
y x -E
y
+
/R : =
>IR
=
: -
1) geen surjedie beperk beeld Bot /R
Ey =
:
IR : (1)
=
J2 /R +
: >
-
3) injectief stel
+
EIR
y=
:
Neem , en
als
f(kel forz =
= Vo aso = F
y
- =
=> (1) = (2) (1 :
2 2 20
= x2
(n
=
Er
1
4) 1)
f(x) = V 1
↑ >
tanf = (v , +* [
+
ed IR
f =
[
Futdauf : -n
f (1 +0 m
+
:
,
- (R = x+
·
f(x)) f(xz) = = 2 - = kz
·
Fy tref : 7 +
deff x =
vy = -xi =
y
-
(sy
= 22 +
270 (tiR
P f
-1
:
i 12 + - > [1 , + 0) ( +v
+ + 1
checken :
(of-1(( =
=
3) 8 : ++
(f: 08744 x
je tan Wo :, -[ dat dit een
bijdie is
3 :
Su
-
Invery
1
y
=
Ti
Ext =
Ty
Ex =
Fy