DEEL 1 HOUTANATOMIE EN -HERKENNING
ANATOMIE
• Vanuit vroegere lessen → microscopische cellen
o Ook belangrijk bij hout want bij levende cellen is omranding heel
belangrijk (celwand)
HOUTHERKENNING
HOUTCEL
• Je ziet hetzelfde beeld op de microscopische foto en de tekening
• M = afsluiting van cel
• Middenlamel = grens tussen elke cel aanwezig
• Celholte = ‘lumen’
• Primaire wand = heel dun vliesje
• Secundaire wand = dikker dan primaire wand in verschillende lagen
o S1, S2 en S3
o Tov. Primaire wand is deze dus veel dikker maar heeft ook andere structuur
(hoe de moleculaire structuur loopt)
o S2 is de dikste van de 3 wanden en ook de belangrijkste
▪ Alle goede eigenschappen zit in de secundaire wand (dus ook
de problemen)
• Eigenschappen bepaald door secundaire wand
o elasticiteit = heel belangrijk voor hout, zorgt ervoor dat boom kan
bewegen bij wind en niet direct afbreekt
o bv. het kromtrekken van hout
o bv. krimpen van hout bij drogen → hout wordt kleiner
o bv. elasticiteit van hout bij gebruik van sportvloeren
o bv. elasticiteit van hout bij gebruikt van gebogen toepassingen
• 2 grote groepen
o Verschil zit binnen in
o Loofhout ‘hardwood’
▪ Meer grote gaten in kops vlak
o Naaldhout ‘softwood’
WEEFSELTYPES
• Bestaan verschillende weefseltypes
o Transportweefsel (houtvaten
tracheïden)
o Voedselopslagweefsel
o Steunweefsel
• Hout is 3D
o Alle anatomische elementen (weefseltypes) zijn op alle vlakken
zichtbaar (zowel kops, dosse of kwartier gesneden)
• 3 doorsnedes waar altijd alles op zichtbaar is
1
, HOUT GASTCOLLEGE
• Geheugensteuntje
o Kopshout = loodrecht door het hout = cirkels
▪ Allemaal gaatjes naast elkaar → zaadtransport (cellen)
o kwartier = vlakken in de richting van het hart gesneden = lijntjes
▪ spiegels die gevormd worden (= streepjes in andere
richting)
o Dosse = alle andere zaagsneden die niet in de richting gesneden
zijn = vlamstructuur
• Verschillende onderdelen
o Schors = 2 delen, bescherming van de boom, naargelang
soort zal die anders zijn kwa vorm
▪ Dode bast (buiten) en levende bast (binnen)
o Cambium = dun vliesje tussen schors en hout
o Spinthout = doet saptransport, samen met cambium zorgt
die ervoor dat boom kan leven
o Kernhout = doet niet mee aan saptransport (donkerder)
o Lijntjes die naar binnen lopen = voedselopslagweefsel
richting centrum van de boom
TRANSPORTWEEFSEL (LOOFHOUT)
• Bij naaldhout is het vaak moeilijker om dingen vast te stellen op
zicht, microscopisch onderzoek is vereist, bij loofhout is dit
makkelijker
• Saptransport = functie
o Via spinthout naar boven voor takken en bladeren
o Gebeurt ook een fotosynthese = omzetting ruwe voedsel
naar bruikbaar voedsel voor de boom
o Dan kan die via de andere weefsel het voedsel opslaan
• Spinthout is heel belangrijk is levensfase van een boom
• Gebeurd door adhesie en cohesie van moleculen waardoor
sapstroom ontstaan
• ‘buisjes’ zijn allemaal cellen boven elkaar = houtvaten (zie je bij dwarse snede, zo
al die bolletjes)
o Die heeft opening waar sapstroom door gaat
• Bij naaldhout is transport en steunweefsel hetzelfde weefsel
• Transportweefsel kunnen we altijd in elk vlak zien (kops, dos en kwartier)
o Ook 3 houtsoorten hebben al groot verschil in aanzicht
2