Hoofdstuk 2
2.2 Terminologie en kernbegrippen
Onderzoekspopulatie Beschrijven van kenmerken van een groep
onderzoekseenh.
Onderzoekseenheid Iemand uit de populatie
Meestal mensen
Variabele Kenmerken van onderzoekseenheden
Kunnen sterk uiteenlopend zijn
Datamatrix Bestaat uit rijen en kolommen
Rijen: Onderzoekseenheden
Kolommen: Variabelen
Steekproef Deel uit de populatie genomen
At random gekozen
Zorgt voor representativiteit (zelfde karakteristieken)
Enkelvoudige aselecte toeval steekproef (EAS)
Parameters Kengetallen die verdeling van een kenmerk in populatie
weergeeft
Uitgedrukt in Griekse symbolen
Steekproefstatistieken Kengetallen die we meten in een steekproef
Schatters = statistische maat
Numerieke samenvatting van steekproef
Gemiddelde Kan op twee manieren worden uitgedrukt
Populatie: μ
Steekproef: x
Steekproeffouten Systematische steekproeffouten
Selectiebias
Selectie van respondenten geeft vertekend beeld
Non-responsbias
Deelnemers verschillen systematisch van andere respondenten
Item non-responsbias
Respondenten antwoorden op enkele vragen niet
,Beschrijvende/deductieve statistiek Beschrijven van verzamelde
gegevens
Steekproef is hierbij heel belangrijk
N Totale steekproefgrootte
De effectieve grootte van de steekproef
Inferentiële/inductieve statistiek Door steekproefgegevens conclusies
trekken met betrekking tot de populatie
Statistische reeks Reeks van waarnemingen
Tijdreeks Reeks van waarneming in de tijd
Ogenblik van waarneming is hierbij belangrijk
Dimensie van een reeks Aantal variabelen die worden waargenomen of
bestudeerd
Uni dimensionale: 1 var
Tweedimensionale: 2 var
Multidimensionale: meer dan 2 var
2.3 Variabelen & meetniveaus
Operationalistatie Meetbaar maken van variabelen
Bepalend voor de rest van je onderzoek
Onderzoek Bestaat uit twee concepten
Definiëren: Wat wil je meten/uitdrukken met variabele?
Operationaliseren: Hoe ga je het concept concreet maken?
Kwalitatief/Categorisch Waarden van variabelen wijzen op categoriën
Geen wiskundige betekenis
Kwantitatief/metrisch Waarden van variabelen die wijzen op een
wiskundige betekenis
,1. 4 Meetniveaus:
Nominaal Categoriën zonder ordening
Ordinaal Categorieën met ordening
Interval Wiskundige waarde zonder absoluut nulpunt
Meeteenheid
Ratio Wiskundige waarde met absoluut nulpunt
Afwezigheid van nulpunt bestudeerd het kenmerk
Eigenschappen van variabelen
Meetniveau De manier waarop je een variabele meet bepaalt het niveau
Bepaalt welke statistische analyses mogelijk zijn en welke niet
Nominale variabelen Classificatie
Numerieke waarde is slechts een naamgeving
, Ordinale variabelen Classificatie + Rangordening
Variabele is ordenbaar als je voor elk paar elementen X1 en X2 kan
besluiten
x 1> x2 of x 1< x2
Dichotome variabele Categorische variabele
Twee categorieën
Dummy variabele Categorische variabele
2 categorieën + 0/1 codering
Zorgt voor wiskundige eigenschappen
Intervalvariabelen Classificatie + rangordening + meeteenheid
Zelfde verschillen tussen waarden van X weerspiegelen zelfde
verschillen in intensiteit van kenmerk
Enkel bij kwantitatieve variabelen
Aanwezigheid O heeft geen bijzondere betekenis
Verschillen kunnen berekend worden
Ratiovariabelen Classificatie + rangordening + meeteenheid + absoluut
nulpunt
Absoluut nulpunt is waarde die afwezigheid van bestudeerde kenmerk
weergeeft
Er komen geen negatieve waarden voor wanneer absoluut
nulpunt bestaat
Ratio’s zijn bepaald
Kwantitatieve variabelen Numerieke eigenschappen waarmee je kan
rekenen
Discreet: Gehele getallen (telling/classificatie)
Continu: Kommagetallen
Klassen indeling eenvoudig
Ratio kan worden uitgedrukt in categorieën (Inkomen)
Wordt dan ordinaal
Meetniveaus Er bestaat een hiërarchie