Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 56 pages
Resume

Samenvatting Internationaal ondernemen 2; 2025

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 56 pages

Geslaagd in eerste zit! VOLLEDIGE samenvatting Internationaal ondernemen 2 Alle lesnotities en PowerPoints verwerkt (Je mag mij privé sturen (bv:messenger) voor een goedkoper prijsje, vragen of andere samenvattingen :)

Aperçu du contenu

INTERNATIONAAL ONDERNEMEN
DEEL 1: INTERNATIONALE HANDEL

HANDELSTHEORIEËN

= EEN THEORIE tracht een verklaring te vinden voor een bepaald fenomeen, in dit geval het
internationaal handeldrijven, en vereenvoudigd hiervoor de werkelijkheid. Het zal dus nooit
de volledige, complexe werkelijkheid kunnen bevatten. De ene theorie geeft ook voeding
aan de andere onderzoekers om hierop voort te bouwen, zo evolueren we steeds naar
complexe theorieën die de werkelijkheid steeds dichten gaan benaderen.

COUNTRY BASED HANDELSTHEORIEËN
= Verklarende factor voor internationale handel is te vinden in de verschillen die er tussen
landen bestaan.

HET MERCANTILISME
Een denkwijze in Europa (1500-1750): Wordt aanzien als een van de eerste pogingen om een
economische verklaring te vormen voor het internationaal handeldrijven.
Kernidee: De algemene welvaart van een land neemt evenredig toe of af met de voorraad
edelmetalen (goud en zilver).
 Uitvoer van goederen tegen betaling met goud of zilver  goudvoorraad neemt toe.
 Invoer van goederen tegen betaling met goud of zilver  goudvoorraad neemt af.

Resultaat van de handel: Globaal gezien spreken we van een zero-sum activiteit, de groei
van het ene land gaat dus ten koste van het andere.

Strategie: Protectionisme: Overheden voerden hoge invoertarieven in om binnenlandse
productie te beschermen. Import werd beperkt, terwijl export werd aangemoedigd om goud
en zilver binnen te halen.

Zwakte: Goud werd gezien als een middel tot welvaartsstijging. De aanname dat goud en
zilver op zich voldoende waren voor economische groei bleek foutief. Welvaart stijgt door
productieve capaciteit, innovatie en handel die beide partijen voordeel biedt (win-win), niet
enkel door ophoping van edelmetaal. Bovendien konden protectionistische strategieën
leiden tot inefficiënties en economische stagnatie.

De kerngedachte van meer export dan import is wel nog actueel bv. werkgelegenheid
creëren en economische groei, echter gaat het niet meer over edelmetalen want deze zijn
reeds ontgonnen
 NEO-MERCANTILLISME




1

,ABSOLUTE (KOSTEN)VOORDELEN – ADAM SMITH
In 1776 publiceerde Adam Smith zijn geschrift “An inquiry into the nature and causes of the
wealth of nations”, een basiswerk dat het Europese economische denken al eeuwen lang
beïnvloed. Gaat in tegen het protectionisme en stelt dat elk land zijn plaats verdiend in het
internationaal handelsverkeer.

Kernidee: Smith benadrukte het belang van arbeidsproductiviteit als motor van
economische groei. Zijn theorie stelde dat welvaart niet voortkwam uit de ophoping van
edelmetaal, maar uit de efficiëntie van arbeid en productie. Vertrok van de
arbeidswaardeleer  hoeveel uren zijn er nodig om een product te maken. Hij werkte dus
niet met geld maar drukte alles uit in arbeidsuren.

Resultaat van handel: Handel werd gezien als een positive-sum game. Beide landen kunnen
welvarender worden door te specialiseren in wat zij het beste kunnen produceren en dit
onderling uit te wisselen. Internationale handel zorgt dus voor een groei van de "taart" in
plaats van een herverdeling ervan.

Strategie: Protectionisme en specialisatie (vrijhandel)

Zwakte: Absolute voordelen: Smiths theorie werkt enkel als landen verschillende sterktes
hebben. Wanneer één land overal beter in is, biedt zijn model geen oplossing.
Er wordt enkel rekening gehouden met de productiefactor arbeid, er wordt uitgegaan dat er
geen internationale bewegingen zijn van deze productiefactor. Dit betekend dat arbeiders
zich binnen een land volkomen vrij kunnen verplaatsen, maar niet over de grenzen heen.

Deze theorie negeert ook de aanwezigheid aan schaalvoordelen, waardoor de kost per
geproduceerde eenheid kan dalen bij toenemende productie. De ideeën van Adam Smith
zijn nog steeds actueel, hoewel ze in sommige gevallen zijn aangepast en aangevuld met
nieuwere economische inzichten. Vraag is wat kunnen sommige ontwikkelingslanden bieden
aan ontwikkelde landen?




2

,COMPARATIEVE VOORDELEN – DAVID RICARDO (1823)
Comparatief voordeel  focus ligt op opportuniteitskost, kan bv technologische
vooruitgang, geografische ligging zijn.

De opportuniteitskost die een land zal ‘betalen’ om meer van een bepaald product te
produceren is gelijk aan de hoeveelheid productie van een ander product die men daarvoor
zal moeten opgeven. Ricardo’s uitgangspunt is dan ook dat landen niet zozeer datgene
moeten produceren waarin ze absoluut uitblinken, maar hetgene ze aan een lage
opportuniteitskost kunnen produceren.

Er wordt enkel rekening gehouden met de productiefactor arbeid, schaalvoordelen worden
buiten beschouwing gelaten.

FACTOREN DIE AAN DE BASIS LIGGEN VAN COMPARATIEVE VOORDELEN:

1. Relatieve beschikbaarheid van productiefactoren. bv. Indonesië heeft een klimaat
waar makkelijk rijst geteeld kan worden, petrochemie Antwerpen.
2. Toenemende schaalvoordelen, een hogere productie in een onderneming kan leiden
tot een afname van de gemiddelde kosten, waardoor toenemende schaalvoordelen
ontstaan. bv. Callebaut die niet enkel voor de Belgische markt produceert  meer
export. Productie op grote schaal verondersteld natuurlijke afzet op grote markten.
3. Monopolistische concurrentie, factoren die de marktpositie van de
ondernemingswereld versterken kunnen bijdragen tot comparatieve voordelen. bv.
Dries van Noten vs H&M of primark
4. Technologische voorsprong van een land tegenover een ander land in de productie
van bepaalde goederen beïnvloed de export naar het buitenland. bv. Pfizer, Senseo
5. Politieke beslissingen in binnen- en buitenland. Politieke beslissingen kunnen
comparatieve kostenverschillen beïnvloeden. bv. belastingverminderingen,
goedkope kredieten, subsidies

Verschil in coëfficiënt  bij textiel is de coëfficiënt kleiner dan bij wijn




3

, HET HECKSCHER-OHLIN-SAMUELSON-SCHEMA (1919-1970)
Bij Ricardo’s theorie is de zwakte dat er wordt uitgegaan van de vaste marginale kosten, de
kost om 1 eenheid meer te produceren.  gaat enkel uit van productiefactor arbeid.

In tegenstelling tot Ricardo beschrijft de productiemogelijkhedencurve nu geen rechte lijn,
maar is de curve gebogen. Hoe meer we de productie willen laten toenemen, hoe hoger de
kosten van deze uitbreiding, de raaklijn aan de curve wordt steiler hoe meer we uitbreiden.

De theorie stelt dat elk land er belang bij heeft om in eerste instantie die producten uit te
voeren waarin veel productiemiddelen zitten waaraan het land overschot heeft (= factor
proportions theory). Zo blijft het resultaat van de handel een positive-sum, maar men
spreekt ook van winnaars en verliezers, sommige groepen in de maatschappij worden niet
beter van de vrije handel, andere worden rijker.

Arbeid en kapitaal zijn niet evenredig. Wet
van vraag en aanbod.

Angola specialiseert zich volledig in de
productie van aardappelen (landintensief),
omdat het een overvloed aan land heeft en
daardoor goedkoper kan produceren.
Angola exporteert aardappelen naar
Botswana.

Botswana specialiseert zich volledig in
de productie van schoenen
(arbeidsintensief), vanwege de
overvloed aan arbeid. Het land
exporteert schoenen naar Angola.

Door handel kan elk land zich richten op producten waarin het comparatief voordeel heeft,
waardoor de totale welvaart in beide landen stijgt.

DE LEONTIEF-PARADOX – BEGIN JAREN 1950
Russische econoom  ging Heckscher-Ohlin-Samuelson-schema testen. Hij kwam tot
tegengestelde resultaten, hij onderzocht de handelsstromen van de Verenigde Staten, dat
destijds de grootste kapitaalrijke economie ter wereld was.

De VS zou kapitaalintensieve producten moeten exporteren (omdat het relatief veel kapitaal
heeft) en arbeidsintensieve producten moeten importeren. Leontief ontdekte dat de VS
voornamelijk arbeidsintensieve goederen exporteerde en kapitaalintensieve goederen
importeerde. Dit was in strijd met de voorspelling van het H-O-model.



4

Livre connecté
 image
Kris Buggenhoudt, Stefan Stabel Wereldhandel in perspectief
Éditeur: Inconnu ISBN: 9789464759143 Édition: Inconnu

Infos sur le Document

Livre entier ?
Oui
Publié le
25 août 2026
Nombre de pages
56
Écrit en
2024/2025
Type
Resume
€8,99

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
0
Abonnés
1
Éléments
2
Dernière vente
-



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions