Micro-economie
Vraag en aanbod binnen specifieke markten
Variabelen= vraag, aanbod, prijs van een specifiek goed
Micro economie hoofdstuk 0
Micro Economie Hfst 0 1BM24
Elke menselijke beslissing of handeling heeft economische gevolgen.
Economische gevolgen als je verder studeert:
Later meer carrièremogelijkheden
Werken als student
Geen belastingen betalen
Groeipakketten(kindergeld)
Keuzeprobleem:
Een behoefte is het aanvoelen van een tekort en het verlangen om dit
tekort op te heffen.
Bv:piramide Maslov
• Primaire of levensnoodzakelijke behoeften
bv honger & dorst voeding & drank
• Materiële <-> immateriële behoeftes
bv ontwikkeling onderwijs
• Collectieve <-> individuele behoeftes (subjectiever)
bv onderwijs, wegen, bejaardenzorg, …
Schaarse middelen zijn de middelen waarover men beschikt om zijn
talrijke behoeften te bevredigen.
= economische of schaarse goederen <-> vrije goederen
Schaars ≠ zeldzaam
1/46
, = zijn in onvoldoende mate aanwezig om volledig in alle behoeftes van
alle mensen te kunnen voorzien
Vrije goederen (gratis)
Licht
Lucht
natuur
Schaarste = kern vd economische wetenschap
economische principe = Mens zoekt maximale behoeftebevrediging of
hoogste nuttigheid.
De economische wetenschap is de studie van het menselijk streven naar
bevrediging van behoeften met behulp van schaarse middelen.
Welvaart: mate waarin behoeften bevredigd kunnen worden
Welzijn: ruimer, welvaart hoort hier voor een deel bij
geluk
gezondheid
relaties
soorten goederen
Zuiver individuele goederen
mogelijk rivaliteit tussen consument & uitsluiting
bv volgeboekt vliegtuig of hotel
meestal door bedrijven aangeboden
marktprijs dekt kosten winst
Zuiver collectieve goederen:
voor iedereen,
meestal door overheid voorzien
bv brandweer & politie
niet echt een marktprijs, worden volledig betaald met belastinggeld
Quasi collectieve goederen:
Wordt gedeeltelijk door de overheid betaald, andere deel betaal je zelf
bv onderwijs: kamperen voor de school
investeringsgoederen = dient om andere goederen te produceren
Kapitaalgoederen/productiegoederen: duurzame goederen,
bedrijfswagen, heftruck
Vlottende investeringsgoederen: niet-duurzame goederen,
koffiemachine voor werknemers
2/46
, PRODUCTIEFACTOREN
primaire afgeleide
arbeid + natuur + kapitaal
productie investeringen
(bedrijven) (bedrijven)
economische goederen (of diensten)
consumptie
(gezinnen)
Ceteris
paribus clausule (latijns): al het andere blijft gelijk.
Bv: ijskraam naast de school
Winterperiodes: geen volk
Nieuwe concurrent
Prijzen aanpassen
Schandaal: salmonella
Soorten economie
Micro-economie: studie baseren op 1 individu, persoon, bedrijf
Meso-economie: studie baseren op gebied, sector, 1 deel van macro
Macro-economie: studie baseren op 1 geheel, België, alle Belgische
bedrijven, alle Belgen
Micro economie hoofdstuk 1
Hoofdstuk 1: consumenten deel 1
De keuze van de optimale goederencombinatie= Evenwicht van de
consument
o Demografische factoren (leeftijd, geslacht)
o Sociologische factoren (gezinssamenstelling, religie)
o Psychologische factoren (levensstijl, attitude)
o Externe factoren (weer, pandemie)
Eerste wet van Gossen(ervaringsregel) = Consument wil MAXIMALE
BEHOEFTEBEVREDIGING met een ZO GROOT MOGELIJK Marginale nut=
het nut van laatst toegevoegde eenheid (uitzondering op verslaving &
verzamelaars)
3/46
, Preferenties worden beperkt door economische factoren:
• prijs van de goederen of diensten: p
• beperkt budget vd consument: Y
Preferenties= vast gegeven
Gevolgen van inkomensverandering
Daling inkomen: links
Stijging inkomen: rechts
Gevolgen van prijsveranderingen
Daling prijs: minder stijl rechts,
Stijging prijs: stijler, links
Inflatie = een aanhoudende algemene prijsstijging van consumptiegoederen en -
diensten op jaarbasis en in %.
Nominaal vs reëel inkomen:
Nominaal inkomen (Inkomen in geldeenheden €)
Reële inkomen(koopkracht)
Hoeveelheid goederen en diensten die we voor een bepaald inkomen
kunnen kopen
Inflatie laat de koopkracht van mensen met een vast nominaal inkomen dalen
Maar de lonen van bijna alle Belgische werknemers en sociale premies
worden automatisch aangepast aan de gestegen levensduurte =
automatische loonindexatie
Figuur 1: nominaal vs reël inkomen
Oefening:
Bij inflatie stijgt het reëel inkomen of de koopkracht
Bij inflatie daalt het nominaal inkomen
Bij loonindexering blijft het nominaal inkomen ongewijzigd
Hoofdstuk 1: consumenten deel 2
De relatie tussen prijs en gevraagde hoeveelheid
Inflatie: 3.06%
Prijselasticiteit: hoe hevig de vraag reageert als de prijs verandert.
4/46