Hoofdstuk 12 — Fraude en
vooroordelen
Hoe betrouwbaar is de wetenschap zelf? — gebaseerd op de collegeslides bij Een
inleiding in de psychologie in 11 ¾ hoofdstukken (G. Storms)
★ Rood kader = zeer belangrijk: definities en kernbegrippen die je letterlijk moet kennen
■ Groen kader = studie/onderzoek: opzet + resultaat + conclusie, uitgelegd om goed te
begrijpen
Grijs kader = voorbeeld of illustratie ter verduidelijking (begrijpen, niet vanbuiten leren)
✎ Geel kader = examentip: hoe dit op het examen gevraagd wordt
Dit hoofdstuk is een zelfonderzoek van de wetenschap. Alle vorige hoofdstukken presenteerden
onderzoeksresultaten alsof die vanzelfsprekend waar zijn. Hier wordt de vraag gesteld: hoeveel
van wat gepubliceerd wordt, klopt eigenlijk? De opbouw loopt van het ideaalbeeld (hoofdstuk
1: the good guys) naar regelrechte fraude (hoofdstuk 2: the bad guys) naar het veel bredere en
verontrustender terrein van twijfelachtige onderzoekspraktijken en onbewuste
vooringenomenheid (the ugly).
1. The good guys: het ideaalbeeld van wetenschap
Wikipedia definieert wetenschap als systematisch verworven, geordende en objectieve menselijke
kennis. Die objectiviteit is precies wat in dit hoofdstuk onder vuur ligt.
★ ZEER BELANGRIJK — KENNEN VOOR HET EXAMEN
Robert K. Merton (1910–2003), wetenschapssocioloog, formuleerde vier basisprincipes van
wetenschap (kennen!):
1. Universalisme — het doet er niet toe wie de kennis aanbrengt: Nobelprijswinnaar of
student, man of vrouw, ras, opleiding. Enkel het argument telt.
2. Belangeloosheid — persoonlijke belangen en vooroordelen spelen geen rol van betekenis.
3. Gemeenschappelijkheid — kennis wordt gedeeld; wetenschappers zoeken samen naar de
waarheid.
4. Georganiseerd skepticisme — alles wordt in vraag gesteld; er zijn geen autoriteiten.
VOORBEELD / ILLUSTRATIE
Philip Abelson, hoofdredacteur van Science van 1962 tot 1984, verwoordde het optimisme
van dat tijdperk: '99,9999 % of [scientific] papers are accurate and truthful.' De rest van het
hoofdstuk laat zien hoe onhoudbaar dat cijfer is.
, 2. The bad guys: regelrechte fraude
Fraude in enge zin bestaat uit fabricatie (data verzinnen), falsificatie (data aanpassen) en
plagiaat — samen vaak afgekort als FFP. Het herkenbare patroon in de casussen: een
spectaculaire carrière met steeds prestigieuzere universiteiten, gevolgd door een plotse val.
VOORBEELD / ILLUSTRATIE
Karen Ruggiero — van McGill naar Harvard, van Harvard naar de University of Texas… en
vervolgens ontslagen wegens verzonnen data over discriminatie-attributies.
Diederik Stapel — van de UvA naar Groningen naar Tilburg… en ontslagen. De bekendste
Nederlandse fraudezaak in de sociale psychologie: 55 ingetrokken artikels. (Op de slides
met een knipoog: 'Stapel schrijft nu ook non-fictie' — zijn boek Ontsporing.)
David Marx — van Harvard naar UC San Diego, via Groningen… Opvallend: hij was
co-auteur van zowel Ruggiero als Stapel. Twee onafhankelijke fraudeurs als medeauteur
hebben is statistisch merkwaardig — de slide zet er niet toevallig een vraagteken bij.
Dichter bij huis: Dirk Smeesters (Vlaming, consumentengedrag) vervalste data in drie papers;
een 'Britse topfilosoof' die door de KU Leuven was aangetrokken bleek plagiaat te hebben
gepleegd; en een KU Leuven-artikel werd teruggetrokken na 'menselijke fouten'.
De grootste 'kampioenen' qua ingetrokken artikels — merk op dat de meesten géén
psycholoog zijn:
Onderzoeker Vakgebied / land Ingetrokken artikels
Joachim Boldt intensieve geneeskunde, Duitsland 184
Yoshitaka Fujii anesthesist, Japan 172
Dipak K. Das hartchirurg, VS 145
John Darsee arts, VS 104
F. Hermann & M. Bruch artsen, Duitsland 94
Diederik Stapel psycholoog, Nederland 55
★ ZEER BELANGRIJK — KENNEN VOOR HET EXAMEN
Kernboodschap van deze paragraaf: dit is geen probleem van de psychologie alleen —
het is een probleem van de hele wetenschap. Sterker nog: het grootste probleem zit in de
biomedische wetenschappen, niet in de psychologie.
VOORBEELD / ILLUSTRATIE
… in goed gezelschap: ook grote namen uit de wetenschapsgeschiedenis worden van
gesjoemel verdacht of beschuldigd — Galilei, Newton, Mendel, Bernoulli, Dalton, Millikan,
Hewish. Newton is het klassieke voorbeeld dat op het examen terugkomt (hij paste
berekeningen achteraf aan om beter met zijn theorie overeen te stemmen).