Hoofdstuk 8 — Beslissen
Van de rationele beslisser naar prospect theory — gebaseerd op de collegeslides bij
Een inleiding in de psychologie in 11 ¾ hoofdstukken (G. Storms)
★ Rood kader = zeer belangrijk: definities en kernbegrippen die je letterlijk moet kennen
■ Groen kader = experiment: opzet + resultaat + conclusie, uitgelegd om goed te begrijpen
Grijs kader = voorbeeld of illustratie ter verduidelijking (begrijpen, niet vanbuiten leren)
✎ Geel kader = examentip: hoe dit op het examen gevraagd wordt
Dit hoofdstuk heeft een heel duidelijke verhaallijn, en die lijn kennen is de helft van het werk. (1)
De economie bouwde een prachtig normatief model van de rationele beslisser (expected utility
theory). (2) Dat model steunt op enkele axioma's. (3) Psychologen toonden vervolgens aan dat
mensen elk van die axioma's systematisch schenden. (4) Kahneman en Tversky bouwden
daarop een descriptief alternatief: prospect theory. Onthoud dus steeds: welk axioma wordt hier
geschonden, en door welk experiment?
1. Opening: twee raadsels om mee te beginnen
VOORBEELD / ILLUSTRATIE
Richard Thaler (Nobelprijs economie 2017) beschrijft een wijnliefhebber die zijn flessen jaren
geleden goedkoop kocht. Hij wil er nu geen 100 dollar voor krijgen om ze te verkopen — maar
hij zou er zelf ook geen 35 dollar voor betalen om er een bij te kopen. Wie strikt rationeel is,
heeft één prijs waarbij kopen en verkopen elkaar raken; hier ligt de verkoopprijs veel hoger dan
de aankoopprijs. Dit is het endowment-effect, waarop we in paragraaf 6 terugkomen.
Kredietkaart versus cash: hetzelfde prijsverschil van 10 cent kan op twee manieren worden
gepresenteerd — 'betalen met kredietkaart kost 10 cent extra' (een toeslag, dus een verlies)
of 'cash betalen is 10 cent goedkoper' (een korting, dus een gemiste winst). Economisch
identiek, psychologisch niet: de kredietkaartsector heeft er destijds hard voor gelobbyd dat het
als een korting voor cash zou worden gebracht en niet als een toeslag voor de kaart. Dit heet
framing — het thema van paragraaf 7.
2. De paradox van Sint-Petersburg: waarom 'verwachte
waarde' niet werkt
, ■ EXPERIMENT — Nicolas Bernoulli (1713) — het gokspel van Sint-Petersburg
Opzet: een zuiver geldstuk wordt opgegooid tot 'munt' bovenaan ligt. Je krijgt 2 € als dat al bij
de eerste worp gebeurt, 4 € als het pas bij de tweede gebeurt, 8 € bij de derde, 16 € bij de
vierde, enzovoort. Hoeveel wil je betalen om dit spel te mogen spelen?
De berekening: verwachte waarde = ½ × 2 € + ¼ × 4 € + ■ × 8 € + 1/16 × 16 € + … = 1 + 1 +
1 + 1 + … = een oneindig bedrag.
De paradox: volgens de wiskunde zou je alles wat je bezit moeten inzetten. In werkelijkheid
wil vrijwel niemand er meer dan een paar euro voor betalen. Verwachte waarde alleen
voorspelt dus niet wat mensen doen.
★ ZEER BELANGRIJK — KENNEN VOOR HET EXAMEN
Daniel Bernoulli (neef van Nicolas) gaf de oplossing die de basis werd van alle latere
theorieën over keuzegedrag: mensen maximaliseren geen geld, maar waarde (utility).
'Duizend ducaten is veel meer waard voor een arme luis dan voor een rijke edelman.'
De functie die rijkdom op utility afbeeldt is concaaf (afvlakkend): elke bijkomende euro voegt
minder waarde toe dan de vorige — het afnemend marginaal nut. Daardoor is de utility van
het Sint-Petersburgspel wél eindig, en is een klein zeker bedrag vaak aantrekkelijker dan een
grote onzekere winst.
3. Expected utility theory (von Neumann & Morgenstern,
1947)
★ ZEER BELANGRIJK — KENNEN VOOR HET EXAMEN
De cruciale zin van dit hoofdstuk: expected utility theory is een normatieve theorie, geen
descriptieve theorie. Ze beschrijft niet hoe mensen beslissen, maar hoe je zou moeten
beslissen om je waarde te maximaliseren. Ze bestaat uit een expliciete set axioma's voor
rationele beslissingen. Wie een axioma schendt, wijkt af van de maximale waarde.
De axioma's — ken zeker de vier vetgedrukte, want de rest van het hoofdstuk is één lange
opsomming van schendingen ervan: