Hoofdstuk 7 — Waarom doet die dat?
Attributietheorie: hoe wij oorzaken toekennen aan gedrag — gebaseerd op de
collegeslides bij Een inleiding in de psychologie in 11 ¾ hoofdstukken (G. Storms)
★ Rood kader = zeer belangrijk: definities en kernbegrippen die je letterlijk moet kennen
■ Groen kader = experiment: opzet + resultaat + conclusie, uitgelegd om goed te begrijpen
Grijs kader = voorbeeld of illustratie ter verduidelijking (begrijpen, niet vanbuiten leren)
✎ Geel kader = examentip: hoe dit op het examen gevraagd wordt
Hoofdstuk 6 toonde hoe sterk de situatie ons gedrag bepaalt. Dit hoofdstuk stelt de vervolgvraag:
beseffen wij dat ook? Het antwoord is nee — en die systematische blinde vlek heet de
fundamentele attributiefout. De twee kernvragen van het hoofdstuk zijn: waar leggen we de
oorzaak van ons eigen gedrag en dat van anderen? en waaraan schrijven we successen en
mislukkingen toe?
1. Openingscasussen
VOORBEELD / ILLUSTRATIE
Roger Vangheluwe, bisschop van Brugge (het interview van 14 april 2011 op VT4). Twee
theologen geven commentaar op seksueel misbruik in de kerk, en hun verklaringen zijn
diametraal tegengesteld van soort:
Karlijn Demasure (theologe, Université Saint-Paul, Canada): 'Pedofielen hebben een laag
zelfbeeld. Om dat te compenseren kiezen ze voor beroepen met een hoog aanzien en die
geven hen gemakkelijk toegang tot kinderen. Daarom zie je hen gemakkelijk opduiken in het
onderwijs, in de kerk en in het jeugdwerk.' → een persoons- of dispositionele attributie: het
ligt aan wie die mensen zíjn.
Huub Oosterhuys (theoloog, politicus, geschorst priester): 'Een priester moet een leven lang
zijn seksualiteit ontkennen, wat onmogelijk is… Door het celibaat mis je elke vorm van warm
lichamelijk contact, je gaat onvermijdelijk op zoek naar noodseks, terwijl de kerk je alleen maar
een vies schuldgevoel aanpraat over seks. Zoiets moet een mens wel ziek maken… ze komen
in een spiraal van zelfbegoocheling terecht.' → een situationele attributie: het ligt aan het
systeem waarin ze leven.
Onthoud dit paar goed — er komt letterlijk een examenvraag over. En let op het patroon: de
buitenstaander (Demasure) verklaart via de persoon, de insider (ex-priester Oosterhuys) via
de situatie. Dat is precies het actor-observatorverschil uit paragraaf 7.
, VOORBEELD / ILLUSTRATIE
Winnen … en verliezen. Wesley Sneijder na een verloren wedstrijd: 'Toen Iniesta Van
Bommel een duw gaf, had hij rood moeten krijgen. En voor de goal was er een duidelijke
corner voor ons. Die kregen we niet en daarna scoorden zij.' — alles extern. Een andere keer:
'Ons elftal heeft fouten gemaakt. We speelden te gehaast. Er was een gebrek aan concentratie
bij balverlies.' — intern. De vraag die paragraaf 8 beantwoordt: wanneer kiezen we welke
verklaring voor onszelf?
2. Heider: de mens als amateurpsycholoog
★ ZEER BELANGRIJK — KENNEN VOOR HET EXAMEN
Fritz Heider — de vader van de attributietheorie. Zijn uitgangspunten:
• Alle mensen zijn amateurpsychologen: we zoeken steeds naar een redelijke verklaring
van gedrag; we kunnen gedrag niet zomaar laten passeren.
• Die verklaringen vallen uiteen in interne attributies (de oorzaak ligt in de persoon: karakter,
motieven, capaciteiten) en externe attributies (de oorzaak ligt in de situatie).
• Er is een systematische voorkeur voor interne attributies, omwille van
figuur-achtergrond: de handelende persoon is de opvallende figuur, de situatie is de
onopvallende achtergrond. Wat opvalt, krijgt de causale rol. Dit gestaltprincipe uit hoofdstuk
2a is de rode draad van dit hele hoofdstuk.
VOORBEELD / ILLUSTRATIE
Karney & Bradbury — attributies in partnerrelaties.
Tevreden partners: intern voor positieve gedragingen ('hij heeft afgewassen omdat hij lief
is') en extern voor negatieve gedragingen ('hij snauwde omdat hij een zware dag had').
Ongelukkige partners: precies omgekeerd — extern voor positieve ('hij heeft alleen
afgewassen omdat zijn moeder kwam') en intern voor negatieve ('hij snauwde omdat hij een
egoïst is').
Waarom belangrijk? Het attributiepatroon is zowel een gevolg als een motor van de
relatiekwaliteit: het maakt goede daden onzichtbaar en slechte structureel.
3. Kelley: het covariatiemodel