Hoofdstuk 5 — Is daar iemand?
Sociale activatie: facilitatie, belemmering en sociaal parasiteren — gebaseerd op de
collegeslides bij Een inleiding in de psychologie in 11 ¾ hoofdstukken (G. Storms)
★ Rood kader = zeer belangrijk: definities en kernbegrippen die je letterlijk moet kennen
■ Groen kader = experiment: opzet + resultaat + conclusie, uitgelegd om goed te begrijpen
Grijs kader = voorbeeld of illustratie ter verduidelijking (begrijpen, niet vanbuiten leren)
✎ Geel kader = examentip: hoe dit op het examen gevraagd wordt
De vraag van dit hoofdstuk is verrassend eenvoudig: maakt het iets uit of ik alleen ben of niet,
zonder dat die anderen ook maar iets doen om mij te beïnvloeden? Het antwoord blijkt ja —
maar niet altijd in dezelfde richting. Het hoofdstuk is opgebouwd als een detectiveverhaal: eerst
een reeks studies die elkaar lijken tegen te spreken, dan één elegante hypothese die alles
verzoent (Zajonc), dan de toetsing en de grenzen ervan.
1. Opening: vier alledaagse vragen
VOORBEELD / ILLUSTRATIE
Het werelduurrecord lopen. Mo Farah liep op 4 september 2020 in één uur 21.330 m. Haile
Gebrselassie kwam op 27 juni 2007 tot 21.285 m. Maar Geoffrey Kamworor liep op 15
september 2019 de halve marathon (21,0975 km) in 58:01 — omgerekend een tempo van zo'n
21.825 m per uur, dus sneller dan beide 'records'. Het verschil? Kamworor liep in een
wedstrijd met concurrenten, de anderen in een recordpoging op de piste. De aanwezigheid
van anderen doet iets met je prestatie.
Diezelfde vraag in het dagelijkse leven: studeer je beter alleen of met anderen? Eet je
minder als je alleen eet? Speel je beter met of zonder publiek? Het hoofdstuk geeft op alle
drie een genuanceerd, maar voorspelbaar antwoord.
2. Sociale blootstelling: het begrip
, ★ ZEER BELANGRIJK — KENNEN VOOR HET EXAMEN
Sociale blootstelling — de minimale invulling van het effect van een socius (een
soortgenoot) op het gedrag: louter aanwezigheid. Geen gesprek, geen instructie, geen
beloning — enkel het feit dat er iemand is.
Robert Zajonc stelde daarmee de kernvraag van dit hoofdstuk: heeft sociale blootstelling een
effect op het gedrag? Maakt het iets uit of ik alleen ben of niet, zonder dat de anderen een
poging doen om mijn gedrag te beïnvloeden?
Twee mogelijke uitkomsten, en beide bestaan: sociale facilitatie (je presteert beter in
gezelschap) en sociale belemmering (je presteert slechter).
3. Eerst: bewijs voor sociale belemmering
■ EXPERIMENT — Ader & Tatum (1963) — een creatieve oplossing zoeken voor een probleem
Opzet: de proefpersoon zit op een stoel aan een tafel met een stroomgeleide draad aan de
kuit. Er wordt geen enkele uitleg gegeven over het doel van het experiment, enkel verboden:
niet opstaan, de stoel niet verschuiven, de elektroden niet aanraken, niet roken, geen
stemgeluid maken. Duur: 90 minuten.
Twee condities (36 proefpersonen): 12 in de alleenconditie, met een rode drukknop binnen
handbereik die zichtbaar met de elektroden verbonden is; 24 in de niet-alleenconditie, twee
aan twee — beiden met elektroden, maar slechts één van beiden kan bij de drukknop.
De taak (die niemand uitlegt): elke 10 seconden volgt een elektrische shock van 500 ms. Wie
op de knop drukt, stelt de volgende shock 10 seconden uit. Je moet dus zélf ontdekken dat de
knop je redt, en dan blijven drukken. Afhankelijke variabele: wanneer bereikt men een
periode met maximaal 5 shocks op 5 minuten?
Resultaten — slagen / niet slagen / weglopen: alleen 8 – 2 – 2 tegenover sociaal 2 – 7 – 3.
Latentietijden: de snelste alleen deed er 25 seconden over, de snelste sociaal 46 min 40 s.
De traagste alleen 27 min 40 s, de traagste sociaal 68 min 40 s. De mediaan alleen lag op 11
min 35 s.
Besluit: een passief toekijkende socius belemmert creatief handelen — dit is sociale
belemmering. Merk op hoe dramatisch het effect is: de traagste alleenpersoon was nog altijd
sneller dan de snelste persoon in gezelschap.
■ EXPERIMENT — Pessin (1933) — nonsenswoorden leren
Opzet: proefpersonen leren 7 zinledige drieletterwoorden (leb, buf, …), alleen of met een
passief publiek (de proefleider keek toe). Within-subjects design met contrabalancering —
elke proefpersoon doet dus beide condities, in wisselende volgorde.
Resultaten: aantal aanbiedingen nodig om het te kennen: alleen 9,8 tegenover publiek 11,3.
Aantal fouten: alleen 36,6 tegenover publiek 41,1.
Besluit: opnieuw belemmering — bij leren van nieuwe stof presteer je slechter met iemand
erbij.