Inhoud
Hoofdstuk 2: Mechanisering en doelgerichtheid.........................................................................................................3
Hoofdstuk 3: Lichaam en geest………………………………………………………………………………………………………………………………….7
Hoofdstuk 4: Lijden en dood……………………………………………………………………………………………………………………………………10
Hoofdstuk 5: Wetenschap en pseudowetenschap…………………………………………………………………………………………………..12
Hoofdstuk 6: Wetenschappelijke kennis………………………………………………………………………………………………………………….14
Hoofdstuk 8: Ziekte…………………………………………………………………………………………………………………………………………………17
Hoofdstuk 9: Medicalisering……………………………………………………………………………………………………………………………………19
Hoofdstuk 10: Verbetering………………………………………………………………………………………………………………………………………22
Hoofdstuk 11: Handicap………………………………………………………………………………………………………………………………………….24
Hoofdstuk 1: Wat is filosofie
3 aspecten
Attitude:
o Kritisch denken = het in vraag stellen van dingen die andere mensen als
vanzelfsprekend beschouwen
o Descartes: zintuigen bedriegen, wat nog wel te vertrouwen?
Methodologie:
o Intuïties
Vroeger: vanzelfsprekend, niet te betwisten => Je pense donc je suis
Nu: spontaan, niet per se zeker => common sense
Fauteuillfilosofen = maken vaak gebruik van intuïties
o Conceptuele analyse
Belangrijke, complexe begrippen gaan ontleden in eenvoudigere begrippen
=> meer en makkelijker te begrijpen
Noodzakelijke en voldoende voorwaarden
o Gedachte-experimenten
Onze zekerheden zijn geen echte fundamentele zekerheden
Brain-in-a-vat
Trolley problem
Domein:
, o De aard vd vragen waar filosofen zich mee bezighouden zijn abstract en
eigenaardig
o Deels filosofisch uniek
Niet: ook filosofische, abstracte vraag nodig om aan fysica te kunnen
starten
Wel: filosofische vragen zijn bedreigend voor wetenschappen (nadenken
over automatisme, zoals lopen, dan wordt dat ineens moeilijker)
Vooruitgang
Incommensurabiliteit (ontbreken van gemeenschappelijke objectieve maatstaven ->
moeilijk om te kiezen tussen 2 theorieën)
Negatieve vooruitgang: geen juiste antwoorden op vragen, enkel wat alle fouten en
problemen zijn
4 deeldomeinen
Metafysica – zijnsleer: wat betekent het dat iets bestaat?
Logica – redeneerkunde: wat zijn geldige redenen?
Epistemologie – kennisleer: wat is (wetenschappelijke) kennis?
Ethiek/moraalfilosofie – zedenleer: wat is goed of juist handelen
Wetenschapsfilosofie: filosofie over wat wetenschap precies is
o Algemeen: intrinsieke interesse in wetenschap
o Toegepast: instrumentele interesse in wetenschap – human nature
Historische evolutie
Natuurfilosofen: interesse in datgene wat kosmos doet draaien + alles komt voort uit
oerstof
o Thales: water
o Anaximenes: lucht
o Anaximander: ongedefinieerde substantie
Eerste filosofen
o Plato: allegorie met grot
o Aristoteles: alles nodig om natuur te beschrijven en te verklaren, is aanwezig in
de natuur zelf
Oudheid: filosofie VS mythologie
Middeleeuwen: filosofie VS religie
Moderniteit: filosofie VS wetenschap
o Gevaar: sciëntisme = oogkleppen; de enige waarheid is de wetenschap zelf
, Hoofdstuk 2: Mechanisering en doelgerichtheid
Geschiedenis
Wetenschappelijke revolutie
o Overgang antieke oudheid-middeleeuwen nr moderniteit
o 2 redenen voor succes vd wetenschap:
Wiskundige methode (Galilei)
Mechanische oorzaken: traagheidswet bezielde voorwerpen
Aristoteles
Vieroorzakenleer: natuur verschilt van artefacten (dingen die door mens gemaakt zijn)
op 4 vlakken:
o Formeel (wat het is)
o Materieel (waaruit het gemaakt is)
o Bewerkstelligend (wie het gemaakt heeft)
o Finaal (waarvoor het dient)
Beweging uit doeloorzaken waarom? (oorzaak (in toekomst) die tegelijkertijd dienst
doet als doel)
Waarom? = streven nr iets + bezield
Galilei
Mechanische oorzaken waardoor? (oorzaak (in verleden) die vooraf gaan aan het
effect)
Waardoor? = traagheidswet
Kunnen doeloorzaken volledig vermeden worden? – Descartes
Lichaam = complexe automaat: machine die zichzelf in stand houdt en in beweging
houdt
Automaat gemaakt door iemand met een bepaald doel, dus doeloorzaak nodig
Immanuel Kant
Wetenschap heeft inwendige en uitwendige natuurlijke doelen
o Inwendig: essentieel, een cruciaal vermogen id strijd om het bestaan
Vb: neust dient om te ruiken
o Uitwendig: bijkomstig, toevallig, een nut dat ze hebben voor de mens/ voor
andere dingen
Vb: neus kan dienen om er een bril op te zetten, om er in te peuteren
Antinomie vh oordeel = tegenstrijdigheid tussen 2 oordelen die beide waar blijken te
zijn
o Enerzijds: alles wat natuurlijk is, wordt begrepen vanuit mechanische oorzaken