D E O N TO L O G I E
Hoofdstuk 1: inleiding
1. Deontologie en tuchtrecht
Onderscheid deontologie in enge zin (functie op maatschappelijke wijze) en disciplinaire
regels (interne cohesie of aanzien naar buiten)
Tuchtrecht
o Tuchtmaatregel: straffen, boeten voor gedrag en nulla poena sine lege
o Ordemaatregel: goede werking interne dienst, geen nulla, afwachting tuchstraf
Gedragscode: codificatie, geschreven regels
2. Onderscheid met ethiek
Deontologie = applied ethics
Voorbeelden advies corona etc
3. Onderscheid met strafrecht = gelden art. 6 EVRM? (EHRM en HvJ)
4. Autonomie van tuchtvordering
Geen ‘le criminel tient le disciplinaire en état’ = art. 415, lid 2 Ger.W.
Geen ‘non bis in idem’ = in regel betwisting burgerlijke rechten => Cass!
o Voorwaarden wanneer kwalificatie als strafrecht = toch twee keer berecht
Nuancering autonomie: gezag van gewijsde mbt feiten
Weerslag van strafvordering op tuchtvordering:
o Geen schorsing maar soms aangewezen om te wachten (parket meer
onderzoeksmogelijkheden) = Cass.
o Vaak wel stuiting wanneer betwisting of geen concrete feiten = wachten = Cass.
o Arbitragehof en GwH: niets bepaalt = redelijke termijn => vanaf kennisname tuchtoh
maar bescherming tegen onredelijk lang = rechtszekerheidsbeginsel (ook voor
wanneer wle termijn = bepaald)
Tuchtrechter heeft niet gewacht = moeilijke oefening
o Aanwenden rechtsmiddelen
o Niet meer mogelijk = ger.w.=> enkel eventueel art. 422, lid 1
,Hoofdstuk 2: de magistraat
1. Deontologische waarden:
1. Onafhankelijkheid (institutioneel/intern en functioneel/extern)
2. Onpartijdigheid (subjectief/objectief)
a. Onverenigbaarheden (objectief)
i. Cumulatie van ambten (art. 292 ev Ger.W.)
ii. Bloed of aanverwanten (art. 301 ev Ger.W.)
iii. Verweven betwiste rechten of schuldvorderingen (art. 1597 oud BW)
b. Wrakings- en verschoningsgronden (subjectief en objectief) = art. 828 Ger.W.
c. Gedrag in werksfeer = geen blijk nauwe band
d. Privé en sociaal leven = opletten belangenconflicten (bv. vakantiehuis, voetbal…)
e. Vrijheid van vereniging
i. Wettelijk (art. 293 Ger.W.) = geen schending art. 11 EVRM => vwdn §2
ii. Deontologisch
1. Verenigbaar met ambt en eed
2. Geen sekte
3. Uiterst voorzichtig met bestuursmandaat
iii. Voorbeelden (zaak EHRM en Cass.) => conclusie: concrete aanwijzingen in
concrete zaak => anders gewoon lid levensbeschouwelijke vereniging
f. Vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) = voorbeelden EHRM en Cass.
3. Integriteit
a. Rechtschapenheid: zelf wet, niets waardoor gechanteerd
b. Waardigheid:
i. Recht privéleven maar gereserveerd
ii. Geen losbandig leven (voorbeeld EHRM: SM rechter)
4. Terughoudendheid en discretie
a. Beroepsgeheim (noodzakelijke vertrouwenspersoon: verbod eigenrichting)
i. Uitzonderingen:
1. Verhoor
2. Parlementaire onderzoekscommissie
3. Art. 149 Gw = ter motivering
4. Alles tijdens openbare zitting bekendgemaakt
ii. Art. 29 Sv? = zelf afweging of slechts morele verplichting
iii. Bijzondere toepassingen
1. Geheim van beraad
Bv. Fortiszaak
Gedeeld beroepsgeheim: vwdn cassatie met aanvulling
2. Geheim vooronderzoek = art. 28 quinquies en 57 Sv
b. Geen commentaar regel
i. Niet uitspreken over hangende zaken = enkel persmagistraat passieve info
ii. Algemene probelemen = met toestemming HO
c. Vermijden mediatisering = terughoudend
d. Varia
i. Geen melding hoedanigheid
ii. Geen misbruik voorrecht rechtsmacht
, iii. Geen tekenen in openbaar
5. Ijver = art. 770 Ger.W. en art. 5 Ger.W = verbod rechtsweigering
6. Respect en luisterbereidheid
7. Gelijk behandeling (art. 4 Ger.W.)
8. Bekwaamheid (vwdn beroep)
!! Permantente vorming bij OGO en maatschappijkennis, goede organisatie en grootste
zorgvuldigheid
2. Tucht = art. 398-423 Ger.W.
3. Aansprakelijkheid
1. Strafrechtelijk, bv. art. 352, 634, 638-639, 633 Sw
2. Burgerrechtelijk
a. Immuniteit met uitzonderingen (art. 1140 Ger.W.)
b. Overheidsaansprakelijkheid (ANCA = voorwaarden)
+ nuance Cass en GwH op 3de voorwaarde
Hoofdstuk 1: inleiding
1. Deontologie en tuchtrecht
Onderscheid deontologie in enge zin (functie op maatschappelijke wijze) en disciplinaire
regels (interne cohesie of aanzien naar buiten)
Tuchtrecht
o Tuchtmaatregel: straffen, boeten voor gedrag en nulla poena sine lege
o Ordemaatregel: goede werking interne dienst, geen nulla, afwachting tuchstraf
Gedragscode: codificatie, geschreven regels
2. Onderscheid met ethiek
Deontologie = applied ethics
Voorbeelden advies corona etc
3. Onderscheid met strafrecht = gelden art. 6 EVRM? (EHRM en HvJ)
4. Autonomie van tuchtvordering
Geen ‘le criminel tient le disciplinaire en état’ = art. 415, lid 2 Ger.W.
Geen ‘non bis in idem’ = in regel betwisting burgerlijke rechten => Cass!
o Voorwaarden wanneer kwalificatie als strafrecht = toch twee keer berecht
Nuancering autonomie: gezag van gewijsde mbt feiten
Weerslag van strafvordering op tuchtvordering:
o Geen schorsing maar soms aangewezen om te wachten (parket meer
onderzoeksmogelijkheden) = Cass.
o Vaak wel stuiting wanneer betwisting of geen concrete feiten = wachten = Cass.
o Arbitragehof en GwH: niets bepaalt = redelijke termijn => vanaf kennisname tuchtoh
maar bescherming tegen onredelijk lang = rechtszekerheidsbeginsel (ook voor
wanneer wle termijn = bepaald)
Tuchtrechter heeft niet gewacht = moeilijke oefening
o Aanwenden rechtsmiddelen
o Niet meer mogelijk = ger.w.=> enkel eventueel art. 422, lid 1
,Hoofdstuk 2: de magistraat
1. Deontologische waarden:
1. Onafhankelijkheid (institutioneel/intern en functioneel/extern)
2. Onpartijdigheid (subjectief/objectief)
a. Onverenigbaarheden (objectief)
i. Cumulatie van ambten (art. 292 ev Ger.W.)
ii. Bloed of aanverwanten (art. 301 ev Ger.W.)
iii. Verweven betwiste rechten of schuldvorderingen (art. 1597 oud BW)
b. Wrakings- en verschoningsgronden (subjectief en objectief) = art. 828 Ger.W.
c. Gedrag in werksfeer = geen blijk nauwe band
d. Privé en sociaal leven = opletten belangenconflicten (bv. vakantiehuis, voetbal…)
e. Vrijheid van vereniging
i. Wettelijk (art. 293 Ger.W.) = geen schending art. 11 EVRM => vwdn §2
ii. Deontologisch
1. Verenigbaar met ambt en eed
2. Geen sekte
3. Uiterst voorzichtig met bestuursmandaat
iii. Voorbeelden (zaak EHRM en Cass.) => conclusie: concrete aanwijzingen in
concrete zaak => anders gewoon lid levensbeschouwelijke vereniging
f. Vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) = voorbeelden EHRM en Cass.
3. Integriteit
a. Rechtschapenheid: zelf wet, niets waardoor gechanteerd
b. Waardigheid:
i. Recht privéleven maar gereserveerd
ii. Geen losbandig leven (voorbeeld EHRM: SM rechter)
4. Terughoudendheid en discretie
a. Beroepsgeheim (noodzakelijke vertrouwenspersoon: verbod eigenrichting)
i. Uitzonderingen:
1. Verhoor
2. Parlementaire onderzoekscommissie
3. Art. 149 Gw = ter motivering
4. Alles tijdens openbare zitting bekendgemaakt
ii. Art. 29 Sv? = zelf afweging of slechts morele verplichting
iii. Bijzondere toepassingen
1. Geheim van beraad
Bv. Fortiszaak
Gedeeld beroepsgeheim: vwdn cassatie met aanvulling
2. Geheim vooronderzoek = art. 28 quinquies en 57 Sv
b. Geen commentaar regel
i. Niet uitspreken over hangende zaken = enkel persmagistraat passieve info
ii. Algemene probelemen = met toestemming HO
c. Vermijden mediatisering = terughoudend
d. Varia
i. Geen melding hoedanigheid
ii. Geen misbruik voorrecht rechtsmacht
, iii. Geen tekenen in openbaar
5. Ijver = art. 770 Ger.W. en art. 5 Ger.W = verbod rechtsweigering
6. Respect en luisterbereidheid
7. Gelijk behandeling (art. 4 Ger.W.)
8. Bekwaamheid (vwdn beroep)
!! Permantente vorming bij OGO en maatschappijkennis, goede organisatie en grootste
zorgvuldigheid
2. Tucht = art. 398-423 Ger.W.
3. Aansprakelijkheid
1. Strafrechtelijk, bv. art. 352, 634, 638-639, 633 Sw
2. Burgerrechtelijk
a. Immuniteit met uitzonderingen (art. 1140 Ger.W.)
b. Overheidsaansprakelijkheid (ANCA = voorwaarden)
+ nuance Cass en GwH op 3de voorwaarde