• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 40 pages
Resume

Constructie en materialen 1 - Samenvatting (1e Bach IA, Prof. Saskia Gabriël) | 14/20 eerste zit

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 40 pages

Dit document bevat een samenvatting van Constructie en Materialen 1 van Saskia Gabriël, aangevuld met mijn eigen lesnotities en belangrijke aanvullingen uit de lessen. Belangrijke leerstof en aandachtspunten zijn aangeduid, zodat je meteen ziet welke informatie extra belangrijk is voor het studeren.

Aperçu du contenu

HOOFDSTUK 1: KRACHT EN EVENWICHT

Kracht (F) = oorzaak van een bewegingsverandering in de bewegingstoestand van een VW

o Elk element gaat bewegen onder invloed van krachten.
o In bouwwerk werken ook krachten en de constructie moet die krachten opvangen en
doorgeven aan de grond.
o DEFINITIE 2de wet van Newton: kracht = massa x versnelling
o DEFINITIE 3de wet van Newton: VW a oefent kracht uit op VW b, dan zal VW b een
evengrote maar tegengestelde kracht uitoefening op VW a
➢ Elk element in een draagconstructie moet elke kracht in een tegengestelde
richting aankunnen!

Draagstructuur = deel van het gebouw dat krachten opvangt en doorgeeft aan de fundering en
uiteindelijk aan de grond.

Stijfheid = geeft aan hoeveel een constructie doorbuigt wanneer er een kracht op werkt.

Doorbuiging is afhankelijk van:

1) Elasticiteitsmodulus E
o Maat voor de stijfheid van het materiaal
o Hoe hoger E, hoe minder doorbuiging
2) Lengte (vrije) overspanning (lengte L)
o Hoe langer de afstand tussen steunpunten, hoe groter de doorbuiging
3) Optredende belasting (kracht F)
o Hoe groter de kracht, hoe groter de doorbuiging
4) Materiaal (dikte/vorm I)
o Sommige materialen zijn stijver dan andere
o Gewapend beton: beton is goed in druk, maar zwak in trek + staal is goed in trek,
maar zwak in druk
➢ Daarom worden ze gecombineerd in gewapend beton.
➢ Zo ontstaat er een sterk én stijf geheel



Elasticiteitsmodulus (E)= geeft aan hoe groot de doorbuiging van een specifiek materiaal is

➢ E is omgekeerd evenredig met doorbuiging
➢ Bijvoorbeeld: Beton heeft kleine doorbuiging en grote E



Sterkte = spanning waarbij een materiaal bezwijkt of niet bezwijkt

Spanning = kracht per oppervlakte-eenheid

Belastingen:

• Variabele belasting
o = niet permanent aanwezig



2

, o Bijvoorbeeld: sneeuwbelasting

• Permanente belasting
o = eigengewicht
o Bijvoorbeeld: gewicht van alle materialen in het gebouw die altijd aanwezig
blijven zoals een dakpan
▪ Samen krijg je een totale belasting

• Karakteristieke belasting
o = de rekenwaarde die een ingenieur gebruikt om berekeningen te maken
o Bestaat uit:
▪ Eigengewicht (materiaal zelf)
▪ Gebruikslasten (mensen, meubels,..)
▪ Afwerking (chape, tegels,…)

Lasten:

1. Puntlast
o = belasting die aangrijpt op 1 punt op een element
o = klein opp
o Bijvoorbeeld: kolom, stoelpoot
2. Lijnlast
o = aaneenschakeling van puntlasten
o HOEFT NIET ALTIJD 1 ELEMENT TE ZIJN, mensen achter elkaar is ook een lijnlast

Massa en dichtheid:

• Massieve materialen zonder poriën (bv metaal)
o Dichtheid wordt bepaald door:
▪ Atoomafmeting
▪ Atoomgewicht
• Poreuze materialen
o Dichtheid wordt bepaald door:
▪ Atoomafmeting
▪ Atoomgewicht
▪ Poriënvolume
o Hoe meer porieën, hoe lichter het materiaal
➢ Temperatuur speelt een rol want een materiaal wordt zwaarder of lichter bij een
bepaalde temperatuur.

Hoe groter de dichtheid van een materiaal:

• Hoe meer belasting kan worden opgenomen
o Een dicht materiaal bevat weinig lucht of poriën, dus kan meer gewicht en
belasting dragen
• Hoe groter het geluidsisolerend effect
o Zwaarde materialen absorberen meer geluidstrillingen



3

, • Hoe groter de thermische inertie
o Betekent dat materiaal langzaam opwarmt en afkoelt
o Hierdoor blijft temperatuur stabieler
• Hoe minder thermisch isolerend
o Hoe dichter het materiaal, hoe slechter het warmte isoleert, omdat er weinig
lucht in zit
o Lucht is een goede isolator, dus lichte materialen isoleren beter.



Oplegging/inklemming (!!)

• Oplegging = ondersteuning van een constructiedeel
• 3 soorten:
• Scharnieroplegging
• Roloplegging
• Inklemming

1) Scharnieroplegging
o = een oplegging waarbij het element kan draaien maar niet verschuiven.
o Het ligt los op de oplegging.
o Kan zowel horizontale als verticale krachten opvangen
o Moet voldoende opleglengte hebben (+- 15 cm)
o Kan uitzetten en krimpen bij temperatuurveranderingen
➢ = MEESTVOORKOMENDE!



2) Roloplegging
o = een ondersteuning waarbij het element kan bewegen in 1 richting, maar niet in
andere richtingen
o Vooral bij bruggen, minder bij gebouwen
➢ Komt niet vaak voor

3) Inklemming
o Bij een inklemming wordt het uiteinde van een balk vastgemaakt in een
muur/kolom
o Dit voorkomt dat de balk kan doorbuigen of kantelen
o Vangt ook horizontale en verticale krachten op
➢ Komt vaak voor en is interessant als je iets wilt laten zweven



Moment

• = draai-effect dat ontstaat wanneer een kracht op afstand van een inklemming wordt
uitgeoefend.
• Is afhankelijk van:



4

, o Grootte van de kracht
o Afstand van kracht tot scharnier/draaipunt
• M = F.h

Overspanning/opleg

• Dagmaat
o = vrije afstand tussen dragend element aan de ene kant en dragend element aan
de andere kant
• Theoretische overspanning
o Gaat van midden vd opleg tot het midden vd opleg
• Praktische overspanning
o = volledige element-maat

Overkraging/uitkraging = hangt vrij in lucht aan één zijde terwijl het aan de andere zijde vast
ingeklemd is



Triangulatie/ onvervormbare driehoeken (!!)

• = gebruik van onvervormbare karakter van een driehoek als basisprincipe voor het
ontwerpen van elementen en constructies.
• Principe: als men 2 punten kan vastzetten in een driehoekige structuur, dan kan het 3 de
punt niet meer bewegen in het vlak waarin de driehoek zich bevindt.



Evenwicht:

• = het ogenblik dat de effecten van krachten en momenten elkaar uitbalanceren zodat het
element niet beweegt.



Maximale grenstoestand

• Wanneer een balk op 2 steunpunten ligt en er een kracht/evenwicht op werkt, buigt de
balk door.
• Een balk kan maar tot een bepaalde grens doorbuigen voor hij breekt.
➢ Die grens = maximale doorbuiging



Rek en stuik

• Bovenkant: stuik (verkorting van elementen o.i.v. krachten)
• Onderkant: rek (verlenging van elementen o.i.v. krachten)




5

Table des matières

  1. 01 • Uitvoering 9
  2. 02 o In situ: ter plaatse gegoten (op de werf) 9
  3. 03 o Prefab: vooraf gegoten in fabriek 9
  4. 04 → betere kwaliteit, gladder, sneller geplaatst 9
  5. 05 • Vorm & stabiliteit 9
  6. 06 o Niet alleen het materiaal, maar vooral de VORM bepaalt de sterkte 9
  7. 07 o Door plooien, ribben of krommingen kan dun beton toch sterk zijn 9
  8. 08 o Vergelijking: geplooid papier is stijver dan een plat blad 9
  9. 09 • Hoe blijft de constructie staan? 11
  10. 10 o Door het drukverschil tussen binnen- en buitenlucht 11
  11. 11 o De hogere druk binnenin duwt het membraan naar buiten 11
  12. 12 o Zolang de ventilator blijft werken, blijft de vorm behouden 11
  13. 13 • Kenmerk: 11
  14. 14 o Mimicry → Nadoen van natuurlijke principes (bv. zeepbel) 11
  15. 15 • Waarom bouwen we? 12
  16. 16 • Hoe bouwen we? 12
  17. 17 o Een gebouw bestaat altijd uit meerdere bouwelementen. 12
  18. 18 o Samen vormen ze de gebouwschil rond de binnenruimtes. 12
  19. 19 o Er is een onderscheid tussen: 12
  20. 20 ▪ Dragende constructies 12
  21. 21 ▪ Niet-dragende constructies 12
  22. 22 o Het maaiveld is de scheiding tussen: 12
  23. 23 ▪ Onderbouw → alles onder het maaiveld 12
  24. 24 ▪ Bovenbouw → alles boven het maaiveld 12
  25. 25 • Ruwbouw 12
  26. 26 o Bestaat uit onderbouw + bovenbouw 12
  27. 27 o Is het constructieve skelet van het gebouw 12
  28. 28 o Bevat: 12
  29. 29 ▪ Dragende structuur 12
  30. 30 ▪ Openingen 12
  31. 31 ▪ Uitsparingen 12
  32. 32 • Onderbouw 12
  33. 33 o = Alles wat zich onder het maaiveld bevindt. 12
  34. 34 o Zorgt voor de overdracht van krachten naar de grond. 12
  35. 35 • Gronden 12
  36. 36 o Wat voor soort grond we hebben, is belangrijk voor de onderbouw. 12
  37. 37 o De stabiliteit van een gebouw hangt sterk af van de draagkracht van de ondergrond. 12
  38. 38 o Grond = korrels + water + lucht 12
  39. 39 ▪ Meer lucht/water = minder draagkracht 12
  40. 40 ▪ Hoe dichter de korrels op elkaar zitten, hoe sterker de grond 12
  41. 41 o 2 categorieën: 13
  42. 42 ▪ Losse gronden: 13
  43. 43 • Bij losse gronden moet je opletten voor organische + kalkhoudende stoffen! 13
  44. 44 • NOOIT bouwen op grond waar organische/kalkhoudende sotffen zitten o.w.v. verzakking vd grond 13
  45. 45 • Klei = beste 13
  46. 46 ▪ Rotsachtige gronden: 13
  47. 47 • Zeer sterk, maar moeilijk uit te graven 13
  48. 48 1. FUNDERING (onderbouw) 13
  49. 49 Stappen bij maken van fundering: 13
  50. 50 1) Grondsondering = om te weten welke lagen draagkrachtig zijn 13
  51. 51 o Er worden 3-5 meetpunten gekozen op het terrein ong elke 20-25 meter. 13
  52. 52 o Machine met grote boor wordt in de grond geduwd om drukkracht te kunnen meten. 13
  53. 53 o Daar komt een volledig analyserapport van. 13
  54. 54 ➢ Zo bepaalt ingenieur welke fundering nodig is. 13
  55. 55 2) Uitgraven: 13
  56. 56 o Als we weten op welke diepte de draagkrachtige laag is: 13
  57. 57 ➢ Uitgraven 13
  58. 58 o Attest vereist als je meer dan 250 m3 grond afgraaft 13
  59. 59 3) Bronbemaling: 13
  60. 60 o Nodig wanneer er grondwater aanwezig is in de bouwput. 13
  61. 61 o Water wordt tijdelijk weggepompt zodat de put droog blijft 13
  62. 62 ➢ Liefst naar een herbruikbaar doel 13
  63. 63 ➢ Niet zomaar in riolering dumpen → slecht voor milieu!! 13
  64. 64 4) Aardingslus 13
  65. 65 o Metalen lus die rond of onder de fundering ligt. 13
  66. 66 o Verbindt het gebouw met de aarde. 13
  67. 67 o Zorgt ervoor dat: 13
  68. 68 ➢ Elektrische stroom veilig kan wegvloeien 13
  69. 69 ➢ Mensen beschermd zijn tegen elektrocutie 13
  70. 70 5) Kelder realiseren 13
  71. 71 o Met kelder: 13
  72. 72 ➢ Waterdichte kuip noodzakelijk 13
  73. 73 ➢ Kelderwanden – en vloer krijgen dikker beton (+- 30 cm) door gronddruk en waterdruk 13
  74. 74 o Zonder kelder: 13
  75. 75 ➢ Vloerplaat in beton op fundering 13
  76. 76 6) Fundering realiseren 13
  77. 77 o Fundering op STAAL/ZOOL en PLAAT Kan enkel als draagkrachtige laag op beperkte diepte zit (max 1,5 m) 13
  78. 78 o Fundering op STAAL/ZOOL 14
  79. 79 ➢ Fundering op STAAL = algemene term voor elke fundering die rechtstreeks op de draagkrachtige grond rust 14
  80. 80 ➢ Fundeirng op ZOOL = verbreding onderaan de muur (valt onder de categorie fundering op staal) 14
  81. 81 → Er geldt vorstvrije diepte van min 80 cm onder maaiveld 14
  82. 82 o Fundering op PLAAT 14
  83. 83 ➢ = Funderingstype waar heel het gebouw rust op één massieve plaat van beton 14
  84. 84 → Vorstrand gestort 14
  85. 85 o Als draagkrachtige lagen meer dan 2-3 meter diep zitten → DIEPFUNDERING: dit kan in vorm van putten of palen: 14
  86. 86 o Fundering op PUTTEN 14
  87. 87 ➢ Zinkput 14
  88. 88 → Wordt vooral toegepast wnr draagkrachtige grond schuin ligt 14
  89. 89 o Fundering op PALEN 14
  90. 90 ➢ In de grond gevormde heipaal 14
  91. 91 → Véél trillingen, NOOIT geschikt voor stedelijke omgeving 14
  92. 92 ➢ Prefab heipalen 14
  93. 93 → Véél trillingen, NOOIT geschikt voor stedelijke omgeving 14
  94. 94 ➢ Franki paal 14
  95. 95 → Véél trillingen 14
  96. 96 ➢ Boorpaal 14
  97. 97 → Trillingsarm, geschikt in stedelijke omgeving 14
  98. 98 ➢ Schroefpaal 14
  99. 99 → Trillingsvrij 14
  100. 100 → Enkel bij LAGE grondwaterstanden + grondafvoer nodig 14
  101. 101 ➢ Grondverdringende schroefpaal 14
  102. 102 → Trillingsvrij + hoge draagkracht + geschikt voor grondwateromstandigheden 14
  103. 103 ➢ Omega paal 14
  104. 104 → Trillingsvrij + géén grondafvoer nodig 14
  105. 105 ➢ Micropaal (=spoelboring) 14
  106. 106 → Trillingsvrij + doorbaar door obstakels + elektrische machines → milieuvriendelijk 14
  107. 107 → Continu water afvoeren 14
  108. 108 7) Eventuele drainage 15
  109. 109 o Doel: 15
  110. 110 ➢ Water rond de kelder afvoeren 15
  111. 111 ➢ Vochtproblemen voorkomen 15
  112. 112 o Werking: 15
  113. 113 ▪ Sleuf graven langs de fundering 15
  114. 114 ▪ Sleuf vullen met grind 15
  115. 115 ▪ Onderaan ligt een drainerende buis 15
  116. 116 ▪ Buis voert water af naar de riolering 15
  117. 117 ▪ Vaak wordt ook folie rond de kelderwand geplaatst 15
  118. 118 Wat moet een fundering kunnen opvangen? 15
    1. • Waarom doen we dit? 15
    2. o Zo creëren we kunstmatig een draagkrachtige laag 15
    3. • Hoe werkt dat? 16
    4. o Bestaande fundering 16
    5. ▪ Meestal een strookfundering (zool) of fundering op staal. 16
    6. o Injecteren 16
    7. ▪ Men spuit beton of speciale injectiemortel → in de grond onder of naast de bestaande fundering. 16
  119. 119 Waterdicht maken van kelders (bekuiping) 16
    1. 3 manieren: 16
    2. 1) Binnenbekleding 16
    3. o Mortelpleisterwerk of hars (vochtwerend) 16
    4. o Houdt water tegen 16
    5. 2) Constructie zelf 16
    6. o Beton is van nature waterdicht, 16
    7. o Maar geeft geen 100% garantie 16
    8. 3) Buitenbekleding 16
    9. o Soepele waterdichte laag (asfalt- of kunststofmembraan) 16
    10. o Werkt volgens het regenjasprincipe 16
  120. 120 Duurzaamheid bij funderingen (circulariteit) (!!) 16
    1. • Materialen 16
    2. o Gebruik duurzame, recycleerbare of herbruikbare materialen 16
    3. o Minder materiaal = minder milieu-impact 16
    4. • Proces 16
    5. o Prefab: 16
    6. ▪ Sneller 16
    7. ▪ Efficiënter 16
    8. o Ter plaatse bouwen: 16
    9. ▪ Meer afval 16
    10. ▪ Meer energieverbruik 17
  121. 121 • Flexibiliteit nadien 17
  122. 122 o Kan je later: 17
  123. 123 ▪ Uitbreiden? 17
  124. 124 ▪ Aanpassen? 17
  125. 125 ▪ Zonder grote schade aan de fundering? 17
  126. 126 ➢ Fundering moet toekomstige wijzigingen aankunnen 17
  127. 127 • Extra krachten bij wijzigingen 17
  128. 128 o Uitbreiding = meer belasting 17
  129. 129 o Meer krachten op de fundering 17
  130. 130 o Fundering moet deze extra krachten kunnen opnemen 17
  131. 131 2. VLOEREN (onderbouw) 17
  132. 132 • Onderbouw – vloeren (ter plaatse gegoten beton) 17
  133. 133 o Betonvloer meestal gebruikt in onderbouw (kelder, gelijkvloers) 17
  134. 134 o Beton is niet volledig waterdicht 17
  135. 135 o Min. 3 cm dekking op wapening (bescherming tegen water/roest) 17
  136. 136 o Toeslagstoffen mogelijk (waterdichtheid, kleur, brandweerstand) 17
  137. 137 • Uitzetten en krimpen van beton 17
  138. 138 o Beton zet uit bij warmte en krimpt bij koude 17
  139. 139 o Zonder voegen → scheurvorming 17
  140. 140 o Daarom voegen voorzien: 17
  141. 141 ▪ ± 40 m bij ter plaatse gestort beton 17
  142. 142 ▪ ± 80 m bij prefab beton 17
  143. 143 • Soorten voegen 17
    1. • Uitvoering voegen 17
    2. o Bovengronds: ± 2 cm voeg, opgevuld met elastisch materiaal 17
    3. o Ondergronds: rubberen voegband 17
    4. o Altijd waterdicht afwerken 17
  144. 144 • Waterdichting vloer–muur (zwak punt!) 17
  145. 145 o Overgang vloer ↔ muur is kritiek voor waterinfiltratie 17
  146. 146 o Elementen: 17
  147. 147 ▪ Zwelband 17
  148. 148 → Rubberband die opzwelt bij contact met water → sluit kieren 17
  149. 149 ▪ Kimlaag/ kimplaat 17
  150. 150 → Verbindt vloerplaat met muur 17
  151. 151 → Wapening loopt door 17
  152. 152 → Zorgt voor structurele én waterdichte verbinding 17
  153. 153 • Draagrichting 18
  154. 154 o Draagrichting = richting waarin een vloer zijn belasting afvoert 18
  155. 155 o Die belasting gaat: 18
  156. 156 ▪ Naar muren 18
  157. 157 ▪ Of naar balken/kolommen 18
  158. 158 o Je moet altijd weten in welke richting de vloer draagt, anders plaats je wapening verkeerd. 18
  159. 159 • Eén- en meerrichtingsvloeren 18
  160. 160 o Éénrichtingsvloer 18
  161. 161 ▪ Vloer draagt in één richting 18
  162. 162 ▪ Meestal: 18
  163. 163 ▪ Lange rechthoek 18
  164. 164 ▪ Steun op 2 tegenoverliggende zijden 18
  165. 165 ▪ Wapening vooral in één richting 18
    1. o Meerrichtingsvloer 18
  166. 166 ▪ Vloer draagt in twee richtingen 18
  167. 167 ▪ Meestal: 18
  168. 168 ▪ Bijna vierkant 18
  169. 169 ▪ Steun op 4 zijden 18
  170. 170 ▪ Wapening in twee richtingen 18
  171. 171 • Betonvloer en wapening 18
  172. 172 o Betonvloer wordt ter plaatse gestort 18
  173. 173 o Beton is sterk in druk, zwak in trek 18
  174. 174 ➢ Daarom is wapening nodig 18
  175. 175 o Wapening ligt: 18
  176. 176 ▪ Waar trekspanningen optreden 18
  177. 177 ▪ Meestal onderaan bij vloeren 18
  178. 178 • Folie onder de vloer 18
  179. 179 o PE-folie (plastic) onder beton: 18
  180. 180 ▪ Voorkomt dat betonwater te snel wegtrekt 18
  181. 181 ▪ Voorkomt ongelijk drogen 18
  182. 182 ▪ → Minder scheuren 18
  183. 183 • Bescherming tegen vorst 18
  184. 184 o Betonplaat wordt: 18
  185. 185 ▪ Onder vorstgrens geplaatst (± 80 cm) 18
  186. 186 o Doel: 18
  187. 187 ▪ Voorkomen dat water bevriest 18
  188. 188 ▪ Voorkomen dat vloer omhoog gedrukt wordt (vorstschade) 18
  189. 189 • Draagrichting & afmetingen 18
  190. 190 o Overspanning (L) = afstand tussen steunpunten (muren/kolommen) 18
  191. 191 o Dikte/hoogte (H) = dikte van de betonvloer 18
  192. 192 o Draagrichting bepaalt hoe de vloer krachten afvoert 19
  193. 193 • Doorbuiging beperken (3 opties) 19
  194. 194 o Om doorbuiging van een vloer te verminderen: 19
  195. 195 • Vuistregels betonvloeren 19
  196. 196 o 1-richtingsvloer 19
  197. 197 ▪ L/B > 1,5 19
  198. 198 ▪ H ≈ L / 25 19
  199. 199 • Paddenstoelvloeren (zonder balken) 19
  200. 200 o Betonplaat rust rechtstreeks op kolommen 19
  201. 201 o Sterkte komt uit wapening 19
  202. 202 o Veel gebruikt in moderne architectuur 19
  203. 203 o Voordelen 19
  204. 204 ▪ Geen zichtbare balken 19
  205. 205 ▪ Open ruimtes 19
  206. 206 ▪ Flexibele indeling (muren later plaatsen) 19
  207. 207 • Dragende vloer in hout 19
  208. 208 o Bestaat uit balken die het gewicht dragen 19
  209. 209 o Draagrichting = richting van de hoofdbalken 19
  210. 210 o Hoofdbalken: dragen vloer, lopen van muur naar muur of kolom 19
  211. 211 o Kinderbalken: dragen vloerafwerking (hebben zeer beperkte dragende functie) 19
  212. 212 ➢ Tot nu toe zagen we twee types dragende vloeren: betonnen vloer en houten vloer 19
  213. 213 • Potten en balken 19
  214. 214 o Wat? 19
  215. 215 ▪ Het systeem bestaat uit balken (draagstructuur) en potten (vulstukken). Het wordt op de werf GESTAPELD(!), waarna een dunne druklaag beton erover wordt gegoten. Enkel de balken dragen de krachten; de potten zijn vulstukken. 20
  216. 216 o Opbouw (van onder naar boven): 20
  217. 217 • Belang van de druklaag 20
  218. 218 o Verbindt potten en balken tot één geheel. 20
  219. 219 o Zorgt voor extra stevigheid en draagt ook belastingen. 20
  220. 220 o Voorkomt scheuren en maakt overspanningen mogelijk. 20
    1. 2. Gietbouw (beton) 27
    2. o Opening wordt mee uitbekist en in één keer met de muur gegoten 27
    3. o Beton vangt krachten op als één geheel 27
    4. o Nadeel: 27
    5. ▪ Niet flexibel 27
    6. ▪ Moeilijk aanpasbaar achteraf 27
    7. ▪ Niet veranderingsgericht 27
    8. 3. Assemblage (hout) 27
    9. o Werkt met raveelconstructies 27
    10. o Openingen zijn makkelijk aanpasbaar 27
    11. o Voordeel: meest veranderingsgericht systeem 27
    12. o Past goed bij modulair en circulair bouwen 27
    13. • Raveelconstructie 27
    14. o Een raveelconstructie is een draagconstructie die je gebruikt wanneer je een opening maakt in een dragende vloer of muur (bv. trapgat, luik, schacht). 28
    15. ▪ Doel: de krachten veilig omleiden rond de opening. 28
    16. o Normaal lopen balken continu door. 28
    17. o Als je een opening maakt: 28
    18. o Betonnen latei 28
    19. o Stalen latei 28
    20. • Openingen Maken & Opleglengte 28
    21. o De opleglengte is essentieel voor de stabiliteit. Dit is de lengte waarmee een latei op de dragende muur rust. 28

Infos sur le Document

Publié le
21 août 2026
Nombre de pages
40
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€10,98

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
peeterselise
5,0
(2)
Vendu
6
Abonnés
0
Éléments
9
Dernière vente
2 semaines de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions