Volledige examensamenvatting – gebaseerd op de cursus, herhalings-PowerPoint,
het voorbeeldexamen en de begrippenlijst
Doel van deze samenvatting: de belangrijkste begrippen, verbanden, sectoren en
casustoepassingen overzichtelijk leren zodat je voorbereid bent op open vragen en
casusvragen.
1. Wat moet je kennen en kunnen?
Begrippen in eigen woorden kunnen uitleggen.
Begrippen herkennen in casussen en artikels.
Begrippen toepassen op concrete situaties.
Maatschappelijke tendensen kritisch kunnen bekijken.
Kunnen werken met micro – meso – macro.
Kunnen uitleggen hoe maatschappelijke problemen invloed hebben op mensen.
Verbanden kunnen leggen tussen neoliberalisme, vermarkting en vermaatschappelijking.
De belangrijkste sectoren kunnen toepassen: jeugdzorg, VAPH/handicap, ouderenzorg,
geestelijke gezondheidszorg, wonen en werk.
Een casus kunnen analyseren en er verschillende begrippen uit halen.
2. De grote rode draad van het vak
Een complexe samenleving leidt tot complexe problemen en noden. Eén hulpverlener of één
sector kan deze problemen niet alleen oplossen. Daarom zijn geïntegreerde hulpverlening,
samenwerking en verbindend werken belangrijk.
Vermaatschappelijking zorgt ervoor dat zorg meer in de samenleving en de gewone
leefomgeving wordt georganiseerd. Tegelijk spelen neoliberale en marktgerichte tendensen
mee, met nadruk op zelfredzaamheid, efficiëntie, verantwoordelijkheid en marktwerking. Dat
kan kansen bieden, maar ook nieuwe drempels en ongelijkheid veroorzaken.
Belangrijke keten om te onthouden:
Complexe samenleving → complexe problemen → nood aan samenwerking → geïntegreerde
hulpverlening → vermaatschappelijking → meer samenwerking tussen professionals, netwerk,
buurt en burgers → tegelijk invloed van neoliberalisme/vermarkting → kansen én risico's.
3. Complexe wereld
Een complexe wereld betekent dat maatschappelijke problemen steeds ingewikkelder en met
elkaar verbonden zijn.
Welzijns- en gezondheidsproblemen
Verschillende gezinsvormen
Superdiversiteit
Verbindend Werken 2 – Examenoverzicht | 1
, Vergrijzing
Armoede en bestaansonzekerheid
Schulden
Wooncrisis
Energiecrisis
Vluchtelingenproblematiek
Veiligheidsproblemen
Milieuproblematiek
Voorbeeld: geen werk → minder inkomen → betalingsproblemen → schulden → stress →
psychische problemen → relatie- en woonproblemen. Daarom moet een maatschappelijk
werker breed kijken.
4. Micro – meso – macro
MICRO – persoon
Je kijkt naar de individuele cliënt: gezondheid, gedrag, inkomen, vaardigheden, gezin, emoties
en persoonlijke problemen.
Voorbeeld: Joeri heeft alcoholproblemen en kan zijn administratie niet goed regelen → micro.
MESO – omgeving en organisaties
Je kijkt naar de directe omgeving en organisaties: gezin, familie, vrienden, school, werkgever,
hulpverleningsorganisatie en buurt.
Voorbeeld: verschillende hulpverleners werken onvoldoende samen → meso.
MACRO – samenleving, beleid en structuren
Je kijkt naar wetgeving, beleid, economie, sociale zekerheid, arbeidsmarkt, woonmarkt en
maatschappelijke normen.
Voorbeeld: er zijn onvoldoende betaalbare woningen door de wooncrisis → macro.
Examentip: vraag bij elke casus: Wat speelt er bij de persoon? Wat speelt er rond de persoon?
Welke maatschappelijke/beleidsmatige factoren spelen mee?
5. Neoliberalisme
Neoliberalisme is een economische en politieke visie waarin vrije markt, concurrentie,
ondernemerschap, efficiëntie, economische groei en individuele verantwoordelijkheid
belangrijk zijn.
In eenvoudige woorden: er ligt veel nadruk op het idee dat mensen zelf verantwoordelijkheid
dragen en dat marktwerking en concurrentie efficiëntie kunnen bevorderen.
Neoliberalisme in welzijn en zorg
Efficiëntie
Concurrentie
Kosten en rendement
Verbindend Werken 2 – Examenoverzicht | 2
, Prestaties
Zelfredzaamheid
Individuele verantwoordelijkheid
Kritische blik: wanneer marktdenken sterk wordt, kunnen waarden zoals solidariteit,
toegankelijkheid, zorg als recht en gelijkwaardigheid onder druk komen.
6. Maatschappelijke kwetsbaarheid
Maatschappelijke kwetsbaarheid betekent dat iemand in contact met maatschappelijke
instellingen meer geconfronteerd wordt met controle, sancties en uitsluiting dan met het
positieve aanbod van die instellingen.
Belangrijk: maatschappelijke kwetsbaarheid is geen persoonlijke eigenschap. Ze ontstaat in
de interactie tussen persoon en maatschappij/instituties.
Het kan een cumulatief en zelfversterkend proces worden: een negatieve ervaring op school
kan bijvoorbeeld leiden tot minder kansen op werk, daarna problemen met inkomen en
vervolgens nieuwe problemen met hulpverlening of justitie.
7. Schaarste en bandbreedte
Schaarste
Schaarste betekent dat er een tekort is aan iets, bijvoorbeeld geld, tijd, voedsel, energie of
sociale contacten. Schaarste neemt veel aandacht in beslag.
Bandbreedte
Bandbreedte is de mentale capaciteit om na te denken, keuzes te maken, te plannen en jezelf
te controleren. Door voortdurende schaarste kan die mentale ruimte sterk worden belast.
Voorbeeld: iemand die voortdurend nadenkt over eten, huur en schulden heeft minder
mentale ruimte om een formulier in te vullen, een afspraak te onthouden of
langetermijnkeuzes te maken.
Let op: zeg niet dat mensen door armoede minder intelligent zijn. Zeg dat voortdurende
schaarste de mentale bandbreedte belast.
8. Armoedeweb
Armoede is meer dan een tekort aan geld. Verschillende levensdomeinen beïnvloeden elkaar.
Inkomen
Werk
Wonen
Gezondheid
Onderwijs
Relaties
Vrije tijd
Verbindend Werken 2 – Examenoverzicht | 3