Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 100 pages
Resume

Samenvatting Studiemateriaal Zorg pasgeborene | Specifieke zorgverlening | VIVES | 2026/27

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 100 pages

Dit studiemateriaal behandelt de primaire opvang en zorg voor de pasgeborene direct na de bevalling, onderdeel van de cursus Specifieke zorgverlening: moeder, pasgeborene en kind aan Katholieke Hogeschool VIVES. De inhoud dekt belangrijke thema's zoals warmteverliesbeperkingsen, beoordeling van de toestand van de pasgeborene met de Apgarscore, navelstrengzorg, en adaptatie aan het extra-uteriene leven. Dit materiaal is essentieel voor verpleegstudenten die zich willen voorbereiden op praktische zorgverlening en theoretische kennis van neonatale zorg.

Aperçu du contenu

Specifieke zorgverlening aan de pasgeborene, moeder en kind




Hoofdstuk 1: De zorgen voor de pasgeborene na de
bevalling
Het is van belang om bij primaire opvang van de pasgeborene te letten op:
- voorkomen van warmteverlies
- het beoordelen van de toestand van de pasgeborene (pulmonale en hemodynamische transitie - de
overgang van intra - uterien naar extra uterien leven;
- het tijdstip van afnavelen;
- lichamelijk onderzoek gelegenheid aan de ouders bieden om hun kindje te leren kennen
- meteen na de geboorte wordt vitamine K-profylaxe aan de pasgeborene toegediend IM of PO
(voorkeur PO)(vitamine K-profylaxe)

1.1 Warmteverlies voorkomen
Het is van essentieel belang om de lichaamstemperatuur van een pasgeborene direct na de bevalling constant
te houden. Een pasgeborene wordt nat en naakt geboren, waardoor hij blootstaat aan een
temperatuurverschil van wel 15°C tussen de intra-uteriene omgeving en de kamertemperatuur.

Zonder snelle en aangepaste maatregelen daalt de lichaamstemperatuur van de pasgeborene snel, met 0,1
tot 0,3°C per minuut. Om de lichaamstemperatuur op peil te houden, moet het kind extra warmte
produceren, maar de energievoorraden van een pasgeborene zijn beperkt.

Een belangrijke bron van warmte is het bruine vet, dat zich rond de nieren en tussen de schouderbladen
bevindt. Dit vet kan snel warmte genereren en helpt het lichaam van de pasgeborene op temperatuur te
houden.

De pasgeborene heeft zelf de mogelijkheden om de warmtehuishouding te reguleren door vasoconstrictie,
door zich via de foetale houding zo klein mogelijk maken en door isolatie dankzij het onderhuidse vet.
Warmteproductie door rillen is nog niet mogelijk.

Warmteverlies kan op vier manieren plaatsvinden:
1. Radiatie (straling): warmteverlies door straling als gevolg van het temperatuurverschil tussen het
lichaam en de koudere omgeving (van een warm oppervlak naar een kouder oppervlak dat niet in
directe contact is), bv. van de huid van de pasgeborene naar de wand van de incubator.
2. Evaporatie (verdamping): de warmte gaat verloren via de huid en de slijmvliezen.
3. Convectie (stroming): de warmte gaat verloren van het lichaamsoppervlak naar de omgevende lucht.
Naarmate de luchttemperatuur lager is en luchtstroomsnelheid hoog is (tocht) neemt deze
warmteverlies toe.
4. Conductie (geleiding): dit is de afgifte van warmte via de huid aan daaraan grenzend materiaal, zoals
matras en kleding

Een daling van de lichaamstemperatuur na de bevalling is altijd aanwezig. Deze “koude stress” speelt een
positieve rol bij het op gang komen van de ademhaling. Maar er dient voorkomen te worden dat de
lichaamstemperatuur te veel daalt.

Hypothermie is gevaarlijk omdat deze tot een verhoogde zuurstofbehoefte en anaerobe stofwisseling ->
melkzuurproductie en metabole acidose ontstaan

Het is buitengewoon belangrijk dat de verpleegkundige de maatregelen om warmteverlies te voorkomen zal
toepassen:
- De pasgeborene moet zo spoedig mogelijk wordt afgedroogd (altijd met een warme doek).

1

,Specifieke zorgverlening aan de pasgeborene, moeder en kind

- Geen koude omgeving – een warme onderlaag, een warme deken, snel aankleden
- Geen ventilatoren in de directe omgeving
- De zorg voor de pasgeborene na de bevalling
- Een warmtebron boven de verzorgingstafel
- Altijd een muts om het warmteverlies via het hoofd te beperken
- De pasgeborene wordt in een transportcouveus overgebracht naar de neonatologie indien
noodzakelijk



1.2 De navelstreng
De navelstreng wordt kort na de geboorte afgebonden met een klem of navelveter. Indien de toestand van de
pasgeborene goed is, wordt hij in buikligging bij de moeder gelegd.

De navelstreng wordt meteen na de geboorte beoordeeld op aanwezigheid van twee arteriën en één vene.
- De gelei van Warton heeft een glazig gele kleur (kan groen gekleurd worden door meconium houdend
vruchtwater)
- Bij de aanwezigheid van 1 navelstrengarterie moet de pasgeborene extra worden geobserveerd

1.3 Beoordeling van de toestand van de pasgeborenen
De toestand van de pasgeborene wordt geobjectiveerd met behulp van de Apgarscore. Deze wordt op 1, 5 en
10 minuten na de geboorte bepaald.

Er worden vijf aspecten beoordeeld:
1. AH
2. Pols/ hartslag
3. Sspierspanning/- tonus
4. Aspect/kleur
5. Reactie op prikkels
 Max score bedraagd 10 punten

Een score van 7 -> na 1 en 5 minuten is normaal
Score tussen 4 en 5 -> verontrustend en de tussenkomst van kinderarts noodzakelijk
Score minder dan 3 -> actieve reanimatie
Samen met de waarde van de navelstreng-pH geeft de Apgarscore een indicatie van de ernst van de
problemen van de pasgeborene.

Bij bevallingen met verhoogde risico op foetale nood of prematuriteit wordt direct na de geboorte gestart met
zuurstofsaturatiemeting om de informatie met betrekking tot oxygenatie en hartslag snel en accuraat te
verkrijgen

1.4 Adaptatie aan het extra – uteriene leven
1.4.1 Verandering in de circulatie
1.4.1.1 De foetale circulatie
De belangrijkste kenmerken van de foetale circulatie zijn:
- De aanwezigheid van een placentacirculatie (de gaswisseling vindt plaats in de placenta)
- De longcirculatie is minimaal

Er zijn openingen tussen de long- en lichaamscirculatie:
☼ Het open foramen ovale

2

,Specifieke zorgverlening aan de pasgeborene, moeder en kind

☼ De open ductus Botalli (ductus arteriosus)

De foetale circulatie verschilt sterk van de circulatie na de geboorte.
- Voor de geboorte -> gasuitwisseling in de placenta. Zuurstofrijk bloed uit de vena umbilicalis stroomt
via de ductus venosus naar de vena cava inferior en vervolgens naar het rechteratrium, waar het via
het foramen ovale naar het linkeratrium gaat.
☼ Zuurstofarm bloed uit het lichaam stroomt via de rechterventrikel naar de arteria pulmonalis,
maar door de hoge weerstand in de longen gaat het grootste deel via de ductus arteriosus
naar de aorta.
☼ Een deel van het bloed stroomt via de arteriae umbilicales terug naar de placenta. Bij de
foetus bevat de vena umbilicalis zuurstofrijk bloed en de arteriae umbilicales zuurstofarm
bloed, tegenover de situatie bij de pasgeborene en volwassene.


1.4.1.2 Verandering in de circulatie na de geboorte
Binnen enkele seconden/minuten na de geboorte nemen de longen de gasuitwisseling van de placenta over en
treden er belangrijke veranderingen in de circulatie op:
- Zuurstof bereikt de longen en de alveoli ontplooien zich.
- De weerstand in de longvaten daalt en de longcirculatie neemt toe.
- De druk in het rechteratrium neemt af ten gevolge van toegenomen bloedstroom naar de longen.
- De druk in het linkeratrium neemt toe ten gevolge van toegenomen bloedstroom vanuit de longen.
- De ductus arteriosus sluit zich langzaam onder invloed van zuurstof (binnen 24 uur na de geboorte
functioneel gesloten, na 1 maand anatomisch gesloten).
- Wanneer de druk in de linkerharthelft hoger wordt dan die in de rechter, sluit het foramen ovale.
- De navelvaten trekken zich samen (pas na 2-3 maanden anatomisch gesloten).

1.5.1.3 Het hart
Ze varieert met het gedragsstadium:
- tijdens diepe slaap -> hartfrequentie dalen tot 100 slagen per minuut of minder
- tijdens huilen kan oplopen tot 200.

Daarom is het belangrijk altijd het gedragsstadium te noteren bij opvallend hoge of lage waarden. Een hoge
hartfrequentie in rust kan duiden op cardiale insufficiëntie, terwijl hetzelfde tijdens opwinding normaal kan
zijn.

Harttonen worden meestal het best gehoord op de linker thoraxhelft:
- geluiden aan de rechterzijde kunnen wijzen op een rechtsgelegen of naar rechts verplaatst hart,
bijvoorbeeld door een hernia diafragmatica of linkszijdige pneumothorax.
- De aanwezigheid van een hartgeruis (souffle) in de eerste dagen na de geboorte is meestal te wijten
aan een nog niet gesloten ductus arteriosus.
- Souffles door aangeboren hartafwijkingen zijn in de eerste dagen vaak nog niet hoorbaar

Het is van belang erop te letten of de hartpulsaties op de thorax zichtbaar zijn. Bij pre- en dysmaturen is dit
niet abnormaal. Bij de aterme pasgeborene kan dit wijzen op een cardiale problematiek.

De pulsaties van de arteria femoralis zijn in de lies meestal goed te voelen. Is dit niet het geval, dat moet
worden gedacht aan het bestaan van een coarctatie van de aorta. Daarbij is de bloedstroom naar de onderste
extremiteiten beperkt.




3

, Specifieke zorgverlening aan de pasgeborene, moeder en kind


1.4.2 Verandering in de ademhaling
De longen van de foetus zijn gevuld met vocht. Tijdens een vaginale bevalling in hoofdligging wordt een groot
deel van dit vocht uit de longen geperst; de rest wordt geleidelijk geresorbeerd via de neus, bloed- en
lymfecirculatie.

Bij een geboorte via sectio of in stuitligging blijft meer vocht achter, wat kan leiden tot een tijdelijke, niet-
ernstige respiratoire insufficiëntie met snelle ademhaling, ook wel transiënte tachypneu of ‘wet lung’-beeld
genoemd.

Na passage door het geboortekanaal veert de elastische thoraxwand terug en wordt lucht naar binnen
gezogen. Verschillende prikkels stimuleren de eerste ademhaling:
- een stijging van stresshormonen
- een stijging van het koolzuurgehalte (hypercapnie)
- daling van het zuurstofgehalte (hypoxie).
1.4.2.1 Ademhaling
De pasgeborene ademt snel (30–60/min) en onregelmatig:
- De ademhaling moet minstens één minuut worden geteld.
- Tachypneu (>60/min) komt vaak tijdelijk voor na sectio of stuitbevalling door vertraagde resorptie van
longvocht, maar kan ook wijzen op respiratoire of cardiale problemen.
- Apnoe van enkele seconden is normaal; langdurige apnoe (>20 s) bij prematuren duidt op onrijpheid
van het zenuwstelsel en bij aterm geboren kinderen vereist het extra onderzoek
- Dyspnoe met neusvleugelen, kreunen of intrekkingen wijst op respiratoire of circulaire pathologie.

1.5 Vitamine K toediening
Vitamine K is essentieel voor een goede bloedstolling:
- een tekort kan bloedingen veroorzaken
☼ Daarom wordt aanbevolen dat elke pasgeborene vitamine K-profylaxe krijgt, en ouders
moeten hierover geïnformeerd worden.

In Vlaanderen worden twee toedieningsmethodes gehanteerd:
- IM-toediening (1 mg): aanbevolen bij prematuren, bij maternale medicatiegebruik (bv. anti-epileptica,
tuberculostatica) of bij gastro-intestinale problemen. Na intramusculaire toediening is geen verdere
vitamine K nodig gedurende een maand. IM is effectief maar pijnlijk.
- PO-toediening (2 mg): aanbevolen bij borstvoeding of bij malabsorptie/cholestase. Start één week na
geboorte en geef wekelijks 1–2 mg tot 3 maanden. Nadruk ligt op therapietrouw. Bij kunstvoeding
zonder malabsorptie/cholestase is geen verdere profylaxe nodig.


Hoofdstuk 2: Verpleegkundige observaties
2.1 Het gewicht
Gemiddeld gewicht van een pasgeborenen 3500g. Kan individueel verschillen. Tijdens de eerste 3 tot 4 dagen
is het normaal dat de baby afvalt.

Dit gewichtsverlies mag maximaal 10 % van het geboortegewicht bedragen en wordt veroorzaakt door:
- Verlies van vocht via urine
- Ontlasting
- Verdamping via de huid
- AH


4

Table des matières

  1. 01 Hoofdstuk 1: De zorgen voor de pasgeborene na de bevalling 1
    1. 1.1 Warmteverlies voorkomen 1
    2. 1.2 De navelstreng 2
    3. 1.3 Beoordeling van de toestand van de pasgeborenen 2
    4. 1.4 Adaptatie aan het extra – uteriene leven 2
    5. 1.5 Vitamine K toediening 4
  2. 02 Hoofdstuk 2: Verpleegkundige observaties 4
    1. 2.1 Het gewicht 4
    2. 2.2 De lengte 5
    3. 2.3 De circulatie 5
    4. 2.4 Zuurstofsaturatie 6
    5. 2.5 Temperatuur 6
    6. 2.7 Glycemie 7
    7. 2.8 De huid 7
    8. 2.9 Het hoofd 9
    9. 2.10 Navel 10
    10. 2.11 Gelaat, ogen, oren, mond en neus 11
    11. 2.12 De thorax 13
    12. 2.13 De buik en de rug 13
    13. 2.14 De extremiteiten 14
    14. 2.15 De genitalia 14
    15. 2.16 Uitscheiding 15
    16. 2.17 Braken 16
    17. 2.18 Pijn 17
  3. 03 Hoofdstuk 3: Borstvoeding 18
    1. 3.1 Het belang van borstvoeding 18
    2. 3.2 Opstart van de borstvoeding 19
    3. 3.3 Frequentie en duur van de voedingen 21
    4. 3.4 Parameters van efficiënte borstvoeding 21
    5. 3.5 Borstvoedingsproblemen 21
    6. 3.6 Afkolven en bewaren van moedermelk 24
    7. 3.7 Afbouwen van borstvoeding 25
  4. 04 Hoofdstuk 4: Ontwikkelingsgerichte zorg op neonatologie 26
    1. 4.1 Sensorische ontwikkeling en de hersenen 26
    2. 4.2 Basisprincipes van ontwikkelingsgerichte zorg 26
    3. 4.3 Concrete toepassing van ontwikkelingsgerichte zorg 27
  5. 05 Hoofdstuk 5: Neonatale pathologie 28
    1. 5.1 Afwijkingen in de zwangerschapsduur 28
    2. 5.2 Afwijkingen in de groei en de ontwikkeling tijdens de zwangerschap 29
    3. 5.3 Zuurstoftherapie 30
    4. 5.4 Hyperbilirubinemie 31
    5. 5.5 Spina bifida 32
    6. 5.8 Neonataal abstinentiesyndroom ( NAS) 33
    7. 5.9 Foetaal alcohol syndroom (FAS) 33
  6. 06 Hoofdstuk 7: ABCDE – benadering 34
    1. 7.1 Herkennen van het ernstig zieke kind 34
  7. 07 Hoofdstuk 8: Urologie, nefrologie, genitaliën 37
    1. 8.1 Aangeboren afwijkingen van nieren, urinewegen en genitaliën 37
    2. 8.2 Verworven afwijkingen van nieren, urinewegen en genitaliën 40
  8. 08 Hoofdstuk 9: Cardiovasculair stelsel 45
    1. 9.1 Aangeboren hartaandoeningen 45
    2. 9.2 Verworven hartaandoeningen 50
    3. 9.3 Hartstoornissen 52
    4. 9.4 Verpleegkundige observaties en aandachtspunten bij verzorging van een kind met een hartaandoening 52
    5. 9.5 Vasculitis 55
  9. 09 Hoofdstuk 10: Immuniteitsstoornissen en auto – immuunziekte 57
    1. 10.1 Immuundeficiëntie 57
    2. 10.2 Auto – immuunstoornis 58
  10. 10 Hoofdstuk 11: Hematologie 58
    1. 11.1 Sikkelcelanemie 58
    2. 11.2 Idiopathische trombocytopenische purpura 60
  11. 11 Hoofdstuk 12: Gastro – intestinaal stelsel 61
    1. 12.1 Ziekte van Hirschsprung 61
    2. 12.2 Slokdarmtresie en tracheo – oesofagale fistel 63
    3. 12.3 Pylorushypertrofie 64
    4. 12.4 Invaginatie 65
    5. 12.5 Anorectale malformatie 66
    6. 12.6 Malrotatie 66
  12. 12 Hoofdstuk 13: Endocrinologie – Diabetes type 1 bij kind/ adolescent 67
    1. 13.1 het kind – adolescent met diabetes type 1 67
  13. 13 Hoofdstuk 14: Neurologie 71
    1. 14.1 Meningitis 71
    2. 14.3 Encefalitis 74
    3. 14.4 Hydrocefalie 74
    4. 14.5 Neurotrauma 75
    5. 14.6 Cerebral palsy 75
    6. 14.7 Convulsies 76
  14. 14 Hoofdstuk 15: Orthopedie 77
    1. 15.1 Evolutieve heupdysplasie, heupluxatie 77
    2. 15.2 Aandoening aan voeten en benen 79
    3. 15.3 Aandoening van de wervelkolom 80
    4. 15.4 Vpk zorg bij het kind in tractie 81
  15. 15 Hoofdstuk 16: Dermatologie 82
    1. 16.1 Atopisch eczeem = atopisch dermatitis 82
    2. 16.2 Seborroisch eczeem 84
    3. 16.3 Contacteczeem of contactdermatitis 84
    4. 16.4 Luierdermatits of luiereczeem 85
    5. 16.5 Acne 85
    6. 16.6 Impetigo (= krentebaard) 86
    7. 16.7 Hand – voet – mondziekte 87
    8. 16.8 Mollusca contagiosa, parel of waterwratjes 87
    9. 16.9 Wratten 87
    10. 16.10 Toxische epidermale necrolyse 88
  16. 16 Hoofdstuk 17: Het kind met mucoviscidose 88
    1. 17.1 Definitie en basaal defect 88
    2. 17.2 Erfelijkheid 89
    3. 17.3 Symptomen 89
    4. 17.4 Onderzoeken ifv diagnosestelling en evolutie 90
    5. 17.5 Behandeling 90
  17. 17 Hoofdstuk 20: Definiëring 91
  18. 18 Hoofdstuk 21: Prevalentie 91
  19. 19 Hoofdstuk 22: Problematiek bij kinderen met chronische aandoeningen 91
    1. 22.1 Crisismomenten 92
    2. 22.2 Invloed van chronische ziekte op het kind 92
    3. 22.3 Belasting voor de ouders en het gezin 93
  20. 20 Hoofdstuk 23: Chronische ziekte en cultuur 94
  21. 21 Hoofdstuk 24: VPK zorg bij kinderen met een chronische ziekte 95
    1. 24.1 De vpk professional 95
    2. 24.2 Eerste ZH opname 96
    3. 24.3 Transmurale zorg 96
    4. 24.4 Thuiszorg aan kinderen 97
    5. 24.5 Respijtzorg bij kinderen 97
    6. 24.6 Palliatieve zorg voor kinderen 97
  22. 22 Hoofdstuk 25: Transitie in de zorg 98
    1. 25.1 Risico’s van een niet geslaagde transitie 98
    2. 25.2 De voorwaarden van een goed transitieproces 98
    3. 25.3 Een conceptueel model 99
    4. 25.4 Rol van een vpk voor kinderen bij de transitie in zorg 99
  23. 23 Hoofdstuk 26: Tips voor verpleegkundigen voor een integrale zorg voor het kind met een chronische aandoening en het gezin: samengevat. 99
    1. 26.1 Relatie met het gezin 99

Infos sur le Document

Publié le
19 août 2026
Nombre de pages
100
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€16,06

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
1
Abonnés
0
Éléments
34
Dernière vente
1 mois de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions