Theorie:
Grondwettelijk hof: bevoegdheden
Getoetse normen: wetgevende normen (wetten decreten ordonnanties) ruim interpreteren:
ook begrotingswetten bijzondere meerderhiedswetten, besluitwetten
Referentienormen:
o Art 10 en 11 en 24GW
o Titel II de belgen en hun rechten
o Art 143
o Art 170 172 en 191
o Bij haar gronwettigheidscontrole kan het hof rekening houden met
internationaalrechterlijke bepalingen die analoge rechten waarborgen ongeacht deze
direct werking hebben of niet
Rechtswegen (naar GwH)
o Prejudiciele vraag
Als een rechtbank een wet moet toetsen aan de grondwet: dan moeten ze
een prejudiciele vraag stellen aan het grondwettelijk hof
Wie: elk rechtscollege
Wanneer
Geen beperking in de tijd
Hoogste rechtsscolleges hiertoe niet gehouden indien
o Onbevoegdheid of onontvankelijkheid:
o Reeds uitspraak
Lagere rechtscolleges niet gehouden indien
o Klaarblijkelijk geen schending
o Uitspraak niet nodig voor beslissing
Rechtsgevolgen
Inter partes enkel in de zaak zelf
o Maar acte eclaire
o Maar heropening beroepstermijn vernietiging
o Beroep tot vernietiging
Niet eens met bepaalde wet dan kan je die wet beroepen te vernietigen
Art 1 25 BWHGH
o wie
Iedere belanghebbende persoon: niet instutionele verzoekers
Belang nodig!
Regeringen en voorzitters: institutionele verzoekers
1
, Geen belang nodig
o 6 maanden art 3 §1 bwgh
Maar 60 dagen voor instemming met verdragen
Maar: mogelijkheden tot heropening art 4
Maar: 3 maanden voor schorsing te aan te vragen
o Rechtsgevolgen
Ex tunc: wordt geacht nooit bestaan te hebben
Erga omnes: verdwijnt voor iedereen
Toetsingsschema voor de beperking van de grondrechten
1. Is er een inmening
a. Niet elke inmenging is ongrondwettig
b. Proportionaliteitstoets
i. Wettigheidstoets
1. Vormelijke beperkingsmechanisme GW
a. Formele wet!
b. Geen preventieve maatregel!
i. Uitz art 26 §2 GW
2. Inhoudelijk beperkingsmechanisme EVRM
a. Materiële wet
b. Toegankelijk: je moet er kennis van kunnen nemen (BS)
c. Voorspelbaar: het is duidelijk wat er mag en niet mag
ii. Evenredigheidstoets
1. Legitiem doel: waarom stelt de wetgever deze regel
a. Algemeen belang
b. Ter besherming van de grondrechten van de brugers
c. GwH stelt zich hier terughoudend op
2. Pertinent: maatregel geschikt of nuttig om het doel te bereiken
3. Noodzakelijk: zijn er geen andere maatregelen mogelijk die minder
belastend zijn voor het grondrecht in kwestie
4. Evenredig in de strikte zin: waarom doet de wetgever dat en belang
van het grondrecht in de maatschappij afwegen tegenover elkaar
iii. Toetsingsintensiteit
1. Hoe streng het GwH zal zijn bij de beoordeling
a. Afhankelijk van heel wat factoren
Beginselen van het Belgisch Staatsrecht – prof. Behrendt en M. Vrancken: randnummers 1035-
1041, 1042-1052, 1055-1063, 1068-1083
Grondwettelijk Recht – prof. Sottiaux: blz. 311 – 349
OEFENING – CASUS 1
2