Geschiedenis van het Publiekrecht
Gestructureerd studiedocument
Op basis van de hoorcolleges en lesnotities
Prof. dr. Christophe Maes | Universiteit Antwerpen | 2025-2026
UA – Academiejaar 2025-2026 p.
,Geschiedenis van het Publiekrecht • Gestructureerd studiedocument
DEEL I: HET MODERNE STAATSBEGRIP EN SOEVEREINITEIT
1.1 Wat is Geschiedenis van het Publiekrecht?
Geschiedenis van het Publiekrecht is een metajuridisch vak dat bestudeert hoe recht op een bepaalde plaats
en in een bepaalde tijd tot stand komt. Het stelt de fundamentele vragen: wie maakt het recht, hoe en
wanneer, door wie wordt het gehandhaafd, en voor wie? Recht functioneert niet in een vacuüm maar is
deel van een sociaal-maatschappelijk geheel.
Het vak draait om staatsorganen en -instellingen, politieke principes en rechtsbeginselen, en de
bescherming van grondrechten. Verklaringen voor normen liggen in het recht zelf, in politieke keuzes,
economische motieven, religieuze opvattingen, socio-culturele elementen of toevallige historische
gebeurtenissen. Het concept 'gestolde macht' verwijst naar macht die in wisselende gedaanten aanwezig is
afhankelijk van de omstandigheden.
1.2 De idee van de staat: drie historische perspectieven
Middeleeuwen
De middeleeuwse samenleving is opgebouwd uit drie standen (zij die bidden, zij die strijden, zij die werken).
De vorst regeert bij gratie Gods via een contract met de drie standen. Tirannie — het verbreken van dit
contract — geeft het recht op weerstand. De contractuele opvatting steunt op het leenrecht: een
privaatrechtelijke relatie met grote publiekrechtelijke gevolgen.
Vroegmoderne / Nieuwe Geschiedenis
De liberale staat is de opvolger van de vroegmoderne staat. In de 16e–17e eeuw leiden religieuze oorlogen
tot de scheiding van religie en publiekrecht. Er ontwikkelt zich het idee van de 'état souverain': een staat die
geen andere macht boven zich heeft. 'Natie' krijgt pas een juridische betekenis met de Franse Revolutie.
Moderne / Hedendaagse Geschiedenis
De staat wordt begrepen als liberale staat, gekenmerkt door: (1) verkozen bestuurders, (2)
machtenscheiding, (3) overheid gebonden aan het recht, en (4) grondrechtenwaarborgen voor burgers.
1.3 De notie soevereiniteit
Een moderne staat veronderstelt drie elementen: grondgebied, bevolking en overheidsinstellingen met
gezag. Dit leidt tot twee vormen van soevereiniteit:
• Externe soevereiniteit: erkenning door andere staten; niet onderworpen aan een andere staat.
Kwestie van internationaal recht.
• Interne soevereiniteit: hoogste macht om een territorium te beheersen. Veronderstelt
staatsmonopolie op het creëren van recht én legitiem geweld. Verplichtingen om legitiem te blijven:
handhaving openbare orde, rechtspreken, defensie, geld slaan.
UA – Academiejaar 2025-2026 p.
,Geschiedenis van het Publiekrecht • Gestructureerd studiedocument
DEEL II: DE GROTE STAATSDENKERS
Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van alle behandelde filosofen, hun kernwerken en centrale
ideeën. De uitgebreide bespreking volgt daarna per denker.
Filosoof Periode Kernwerk(en) Kernideeën
Jean Bodin (1530–1596) 16e eeuw Les Six Livres de la Soevereiniteit = absolute, eeuwige
République (1576) en ondeelbare macht. Wet =
instrument van suprematie.
Soevereiniteit is een publiek ambt,
niet persoonlijk bezit. In de praktijk
begrensd door fundamentele
wetten.
Thomas Hobbes (1588– 17e eeuw Leviathan (1651) Secularisering van de macht:
1679) legitimiteit komt niet van God maar
van de gemeenschap zelf. Sociaal
contract waarbij individuen rechten
overdragen aan de Leviathan
(absolute soeverein). Scheiding
privaat/publiek. Startpunt
democratisering.
John Locke (1632–1704) 17e eeuw Two Treatises of Macht blijft altijd bij het volk.
Government (1689) Verwerping van absolute
soevereiniteit. Volkssoevereiniteit +
vertegenwoordigende instellingen.
Bij machtsmisbruik: recht op
collectief verzet. Grondslag van het
liberalisme.
Montesquieu (1689– 18e eeuw De l'Esprit des Lois Trias politica: wetgevende,
1755) (1748) uitvoerende en rechterlijke macht.
Spreiding > strikte scheiding. Checks
and balances. Politiek relativisme:
geen universeel beste staatsvorm.
Onderscheid wettig vs. despotisch
regime.
Jean-Jacques Rousseau 18e eeuw Du Contrat Social Volonté générale = absolute,
(1712–1778) (1762) ondeelbare en altijd rechtvaardige
volkswil. Directe democratie: geen
vertegenwoordiging.
Democratische legitimatie van de
macht. Gevaar: wetgever kan niet
fout zijn → opent weg naar terreur.
E.J. Sieyès (1748–1836) 18e–19e Qu'est-ce que le Natie als geheel vertegenwoordigen
eeuw Tiers-État? (1789) (geen standen). Na Terreur:
soevereiniteit beperken tot strikt
noodzakelijke. Representatief
systeem o.b.v. beraadslaging,
directe verkiezingen en
UA – Academiejaar 2025-2026 p.
, Geschiedenis van het Publiekrecht • Gestructureerd studiedocument
Filosoof Periode Kernwerk(en) Kernideeën
institutionele waarborgen.
Benjamin Constant 19e eeuw Acte Additionel Criticus van Rousseau: macht zelf
(1767–1830) (1815) beperken, niet enkel houder
vervangen. Minimale
staatsinmenging. Individuele
rechten altijd beschermen. Belang
van vrije pers als publieke
waakhond.
François Guizot (1787– 19e eeuw Diverse politieke Soevereiniteit van de rede: enkel de
1874) geschriften meest bekwame burgers
(bourgeoisie) besturen.
Censuskiesrecht. Liberale
doctrinaire: representatief systeem
als alternatief voor
volkssoevereiniteit.
Confucius / Kong Fu Zi Klassieke De Vijf Klassieken Sociale harmonie (li) via
(551–479 v.Chr.) Oudheid (Wu Jing) hiërarchische plichten. Keizer =
Zoon van de Hemel,
verantwoordelijk voor harmonie.
Zelfcorrectie als primaire controle.
Strafrecht (fa) als ultimum
remedium. Examensysteem voor
sociale mobiliteit.
Francisco de Vitoria 16e eeuw De Indis (lezingen, Verdediging rechten inheemse
(1483–1546) 1539) volkeren. Geweld voor kerstening is
niet gerechtvaardigd. Eerste
grondslag humanitair internationaal
recht.
Francisco Suarez (1548– 16e–17e Diverse theologische Gemeenschap staat boven de vorst.
1617) eeuw werken Verzet tegen tirannie is
gerechtvaardigd. Strategisch
ingezet pro-paus vs. protestantse
heersers.
Hugo Grotius (1584– 17e eeuw De Iure Belli ac Pacis Brugfiguur: combineert
1645) (1625), Mare Liberum neoscholastiek en natuurrecht.
Staten verplicht samen te leven
(sociabiliteit). Oorlogsrecht (ius in
bello) geldt ongeacht de causa.
Grondslag van het moderne
volkenrecht.
Samuel von Pufendorf 17e eeuw De Iure Naturae et Combineert natuurrecht en
(1632–1694) Gentium (1672) volkenrecht: praktijk bestuderen +
onderliggende principes afleiden.
Staten zijn gelijkwaardig (argument
vs. keizerlijke suprematie).
Emer de Vattel (1714– 18e eeuw Le Droit des Gens Positivisme: analyse statelijke
1767) (1758) praktijk. Zelfbeschikkingsrecht van
gemeenschappen. Referentiepunt
UA – Academiejaar 2025-2026 p.