H 1: Sociologische verbeelding
1.1 Wat is Sociologie?
- Betere vraag: Wat doet sociologie? nooit echt is want is een
dynamisch proces
- kern= verbeelden of verwonderen goede vragen stellen= essentieel
- voorbeelden:
o huurmarkt Aalter: etnisch profileren = structureel sociaal probleem
o tandpijn België vs VS = medisch/financieel sociaal probleem
1.2 Kenmerken van Sociologie
- relatief recente wetenscha: ontstond in MT eigen sameleving is
moeilijkst te bestuderen (moderne mens: 1ste confrontatie van sociale
banden tussen mensen)
geen ‘natuurlijke distantie’ tussen individu en maatschappij: bv.
menselijk lichaam en honger: waarom eten we 3x dag en vroeger
veel meer en veel minder moeilijk om eetpatronen/honger te
analyseren staat dicht bij onszelf
- ontmaskerend en subversief
o Bourdieu: ‘sociologische waarheid is zo krachtig dat het kwetst’
o Du bois: ‘Ik was in de wereld, maar niet van de wereld’ dubbel
bewustzijn: levensituatie waarin hij tegelijk binnen en buiten de
samenleving staat
o Montesquieu: satire ‘Lettres Persanes’ maakt eigen cultuur
vreemd
2 perzen reizen doorheen Frankrijk leerde hen verder denken
en wilde laten inzien dat wat “normaal” was voor ons in West-
Europa niet zo is voor anderen bv. vreemd dat een man slechts
1 vrouw huwde, dat je je schoenen niet uideed in een heiligdom
en niet een tulband maar een hoed eigenaardig
- Sociologisch bewustzijn ontstaan door crisis
o Revoluties : verandering v/d maatschappij structuur hoe sociale
orde krijgen?
Socioloog als ontdekkingsreiziger: ieder tijdperk sleuteltijdperk?
MT: revoluties=uniek technologie & wetenschap, industriele
revolutie
1.3 Sociaal probleem als bron van sociologische verbeelding
Wordt sociaal geconstrueerd = uitkomst van sociale definiëring door
individuen en groepen en hangt af v/e aantal aspecten:
- objectief aspect (feit)
- subjectief aspect (als probleem ervaren)
1
,- collectief aspect (groepsactie)
- oplosbaarheid (kan aangepakt w°)
- positionaliteit (socioloog als medespeler)
voorbeelden
- drugs vs autorijden: disproportionele aandacht (drugs meer erkent als
sociaal probleem dan autorijden terwijl dit een grotere
maatschappelijke impact heeft)
Hangt ook samen: onder invloed rijden auto-ongeval
- Mannelijkheid: ‘de nieuwe man’ ‘toxic masculinity’ =
context+tijdgebonden
- Klimaat: van niche naar centraal thema
- Migratie: 3% v/d wereldbevolking maar groot politiek thema (extremen:
pro-contra)
- Gender (♀ geen stemrecht/werk): ‘normaal’ probleem door
feministische golf
The Great transformation – dekoloniale lezing
- Polanyi: transformatie naar markteconomie
- Dekoloniaal inzicht: geen puur Europese aangelegenheid
- Wereldsysteem: Europa=centrum kolonies= periferie
- Kritische vraag: Wie betaalt prijs v/d zelfregulerende markt? Wie krijgt
bescherming v/d tegenbeweging?
- 4 revoluties= historische drempeloverschrijdingen:
o Jagers-verzamelaars: vuurbeheersing (0,5 tot 1,5 miljoen jr)
o Neolithische revolutie: agrarisering/landbouwmaatschappij (12.000
jr)
o industriële revolutie + politieke omwentelingen
(Amerikaanse+Franse revoluties)
o digitale revolutie: informatie- en netwerkmaatschappij
1.4 C.W. Mills over sociologische verbeelding [The Sociological
Imagination, 1959]
- Verbinding persoonlijk ⇄ maatschappelijk
- Troubles (persoonlijke klachten): bv individueel werkloos, eigen tandpijn
- Issues (maatschappelijke problemen): bv massawerkloosheid, slecht
zorgsysteem
Het individuele in verband brengen met het collectieve en omgekeerd
Emile Durkheim over zelfdoding:niet individueel maar sociaal bepaald:
2
, ↗ sociale integratie eenzaamheid ↘ zelfdoding ↘
- 4 types zelfdoding:
o egoïstisch (te weinig integratie)
o altruïstisch (te veel integratie)
o fatalistisch (te veel regulatie) benauwend gevoel bv Japan
o anomisch (te weinig regulatie) doelloes, passief leven
- Demografisch: vrouwen > mannen, alleenstaanden>gehuwden,
soldaten,…
- Religieus: protestanten > katholieken (minder sociale controle)
Horexa Miner – Nacirema: ‘Het bijzondere zien in iets normaal’
- Heiligdom = badkamer, magische poeders = tandpasta en
varkensharen bundel=tandenborstel
Toont vreemdheid van eigen ‘normale’ rituelen
1.5 Grondleggers: Comte en Spencer – 3 basisvragen
1) Hoe baken je sociologie als wetenschap af?
2) Hoe verklaar je sociale verandering?
3) Hoe verklaar je sociale orde?
Auguste Comte = grondlegger van sociologie en positivisme
- Sociologie = ‘positieve wetenschap der mensheid’
- Sociale verandering als vooruitgang der rede – Wet der 3 stadia:
1) Theologische fase – magie: fetishisme/ polytheïsme/ monotheïsme
2) Metafysische fase – fantasie: idealen+droombeelden filosofisch,
weinig feiten
3) Positieve fase – rede overwint wetenschap
- Sociale orde ⊥ universele consensus:
o religie
o metafysica/abstracte ideeën
o positieve wetenschap
Herbert Spencer=ingenieur v/d Britse spoorwegen, evolutiedenker,
liberaal
- Sociologie = wetenschap van sociale evolutie
- Sociale verandering als evolutie:
o ongedifferentieerd gedifferentieerd
o homogeen heterogeen
o ongeïntegreerd geïntegreerd
vergelijkbaar met evolutie in de kosmos= zet zich voort in evolutie v/d
maatschappij
- voorbeeld: landbouwdorp stad met arbeidsindeling
- sociale orde als evolutie:
3
, o leidt tot structurele differentiatie + functionele specialisatie +
integratie
o wederzijdse afhankelijkheid: voorbeeld IR
individuele taken dorp taakverdeling fabriek stad (heterogeen)
= integratie v/d samenleving (het besef van elkaar nodig hebben
is eigenlijk ook “redelijk” want er zit een logica in)
H2: Cultuur
2.1 Het begrip cultuur
- Cultuur = aangeleerde manieren van handelen, denken en voelen
- 4 elementen:
o Waarden (beleefdheid)
o Normen (‘pardon’ zeggen)
o Symbolen (boeren= ‘godzijdank’ in islam dankbaar voor voedsel)
o Materiële cultuur (gsm, auto’s)
- Materiële cultuur ⇄ mentaliteit beïnvloeden elkaar
2.2 Cultuur en sociale structuur
- Sociale structuur= duurzame verhoudingen tussen sociale posities (bv
sociale structuur v/e familie)
- Cultuur= opvattingen, normen, waarden en wijzen van denken,
handelen en voelen binnen die sociale structuur (bv conservatieve
gezinscultuur)
- Maatschappij & cultuur: onlosmakelijk verbonden
o Geen cultuur zonder maatschappij
o Geen maatschappij zonder cultuur
Maatschappij:structuur interrelaties/sociale verhoudingen dat
individuen verbindt
Cultuur= binnen een maatschappij dominante manier van denken en
handelen
2.3 Cultuur en biologie
4