Internationaal privaatrecht
1 Inleiding, bronnen, enkele begrippen
1.1 IPR: interna.onaal en privaat
IPR is nodig bij de regeling van ‘interna<onale’ rechtsverhoudingen. Om het IPR te ac<veren, is er een
grensoverschrijdend (interna<onaal) element vereist, zoals de woonplaats, na<onaliteit, plaats van
handeling of ligging van goederen.
Er moet dus sowieso een grensoverschrijdend element aanwezig zijn.
VOORBEELDEN:
o Wanneer één van de par4jen haar woonplaats in het buitenland hee?, is het evident dat er sprake
is van een grensoverschrijdende situa4e.
o Ook bij een huwelijk waarbij beide echtgenoten een buitenlandse na4onaliteit hebben, wordt het
IPR geac4veerd.
o OG in het buitenland ac4veren eveneens het IPR.
Het is niet al<jd evident om te bepalen of er al dan niet sprake is van een grensoverschrijdende situa<e.
In het arrest van het HVJ van de EU van 8 februari 2024, C-566/22, werd deze problema<ek verduidelijkt.
ð ZAAK INKREAL: 2 Slovaakse ondernemingen sloten een kredietovereenkomst. Beide
ondernemingen waren geves<gd in Slovakije en hun ac<viteiten speelden zich eveneens in
Slovakije af. Zij kwamen overeen dat, indien er een geschil zou ontstaan, de Tsjechische rechter
bevoegd zou zijn om daarvan kennis te nemen. Het ging dus om een bevoegdheidsovereenkomst
of forumclausule.
De kredietgever droeg zijn rechten uit de overeenkomst over aan een andere par<j. Deze stelde
vast dat de kredietnemer de ovk niet naleefde en niet terugbetaalde. Op basis daarvan werd de
zaak aanhangig gemaakt bij de Tsjechische rechter, die krachtens de ovk bevoegd was. De
Tsjechische rechter vroeg zich af welke regels van toepassing waren. Meer bepaald rees de vraag
of dit een geval was waarop de Brussel I-bis-verordening van toepassing was, aangezien deze
verordening regels bevat over interna<onale bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken en ook
bepalingen hee[ over bevoegdheidsovereenkomsten en hun geldigheid. Of ging het louter om
een na<onale bevoegdheidsovereenkomst, zodat het Tsjechische recht moest bepalen of par<jen
geldig een andere dan de Slovaakse rechter bevoegd konden maken?
De rechter stelde dus de vraag of dit een IPR-geval was dan wel een zuiver na<onale situa<e. In
eerdere na<onale RS en RL bestond er een tendens om aan te nemen dat een dergelijke situa<e
het IPR niet ac<veerde, omdat beide par<jen volledig verbonden waren met 1 territorium, in dit
geval Slovakije. Ook de advocaat-generaal bij het Hof volgde die redenering.
Het Hof oordeelde dat de overeengekomen keuze voor de Tsjechische rechter wel degelijk het
vereiste grensoverschrijdende element vormt. Wanneer 2 par<jen beslissen om hun geschil voor
te leggen aan een rechter van een andere lidstaat, maken zij van hun zaak een IPR-geval waarop
de Brussel I-bis-verordening van toepassing is. Het Hof legt daarbij de nadruk op de
wilsautonomie en de rechtszekerheid. Het feit dat een gerecht van een andere lidstaat bevoegd
wordt gemaakt, is volgens het Hof voldoende om te voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van
de verordening. Indien men bijkomende criteria zou vereisen, zou dit rechtsonzekerheid creëren.
Omwille van de rechtszekerheid moet dus worden aangenomen dat het volstaat dat 2 par<jen,
ook al zijn zij beiden geves<gd in één lidstaat en betre[ het voor het overige een volledig
Gemaakt door: Elien Vanderick 1
, na<onale situa<e, een gerecht van een andere lidstaat bevoegd maken op basis van een
overeenkomst om te spreken van een IPR-geval. De voorwaarde van het grensoverschrijdend
element is dan vervuld en de Brussel I-bis-verordening vormt het uitgangspunt.
Bijgevolg is een grensoverschrijdend element noodzakelijk opdat er sprake is van een IPR-geval en dit
element kan ook voortvloeien uit de keuze van par<jen voor een buitenlandse rechter.
Het IPR gaat om ‘interna<onale’ privaatrechtelijke verhoudingen. Het gaat dus om horizontale
rechtsverhoudingen. In de eerste plaats betre[ dit verhoudingen tussen burgers onderling. Daarnaast kan
het ook gaan om een verhouding tussen overheid en burger, voor zover de overheid NIET optreedt in de
uitoefening van haar imperiumbevoegdheid, maar handelt als een private actor. In dat geval is er GEEN
sprake van een ver<cale, maar van een horizontale rechtsverhouding.
IPR handelt met andere woorden over horizontale rechtsverhoudingen en niet over ver<cale
rechtsverhoudingen waarbij de overheid optreedt met openbaar gezag.
Uiteindelijk draait het om de vraag hoe een na<onale staat zijn rechtsmacht abakent. Vanuit het
perspec<ef van de staat stelt zich de vraag voor welke gevallen zijn rechtscolleges interna<onale
bevoegdheid mogen uitoefenen en voor welke gevallen het na<onale recht van toepassing zal zijn. Het
betre[ dus de uitoefening van de imperiumbevoegdheid en de abakening van het na<onale rechtsgebied.
De basis van het IPR wordt gevormd door privaatrechtelijke rechtsverhoudingen, al kunnen daarbij ook
publiekrechtelijke aspecten een rol spelen. Er bestaan bovendien situa<es waarin een overheid par<j is,
maar de zaak toch onder het IPR valt, bijvoorbeeld wanneer de overheid optreedt als een private speler. In
dat geval kan het IPR eveneens van toepassing zijn.
Het uitgangspunt blij[ dat het moet gaan om een privaatrechtelijke rechtsverhouding met een
grensoverschrijdend element.
1.2 IPR: na.onaal recht
Het IPR regelt interna<onale rechtsverhoudingen, maar is in beginsel na<onaal recht (zie bijvoorbeeld het
WIPR). Lange <jd was het IPR dan ook een zuiver na<onale rechtstak: staten bepaalden zelf welke regels
inzake interna<onale bevoegdheid zij invoerden en welke conflictregels zij opstelden om te bepalen welk
recht van toepassing is. In die zin maakten na<onale staten autonoom uit hoe zij hun interna<onale
privaatrecht vormgaven.
In bepaalde mate is dat nog steeds zo. Wanneer men zich in de posi<e plaatst van de BE staat, moet men
rekening houden met het feit dat BE LS is van de EU en par<j is bij talrijke interna<onale verdragen.
ð Daardoor hee[ ook de EU een grote invloed op de bronnen van het IPR. Men kan het IPR dus NIET
langer benaderen vanuit een louter na<onale invalshoek.
Er kan maar sprake zijn van een eenvormige benadering, zij het met verschillende grada<es. In de meest
eenvoudige vorm gaat het om het creëren van eenvormige regels inzake interna<onale bevoegdheid. Dat
betekent dat meerdere staten dezelfde bevoegdheidsregels toepassen.
ð MAAR de harmonisa<e kan verder gaan: het is ook mogelijk dat er een eenvormig
conflictenrechtelijk kader wordt uitgewerkt, of zelfs een eenvormig materieelrechtelijk kader.
Het IPR blij[ dus in beginsel na<onaal recht, maar wordt in belangrijke mate beïnvloed en soms zelfs
grotendeels bepaald door suprana<onale en interna<onale instrumenten.
1.3 De grote 3/4 luiken van het IPR
De grote blokken in het IPR zijn de volgende:
o Interna<onale bevoegdheid
o Toepasselijk recht (conflictenrecht)
Gemaakt door: Elien Vanderick 2
, o Erkenning en uitvoerbaarheid van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authen<eke akten
o Administra<eve en gerechtelijke samenwerking
Interna0onale bevoegdheid =
Het gaat hier om de vraag wie bevoegd is. Dat betre[ niet enkel de bevoegdheid van rechtscolleges. Ook
andere autoriteiten kunnen betrokken zijn, bijvoorbeeld de vraag of een Belgische ambtenaar van de
burgerlijke stand bevoegd is om een huwelijk te voltrekken.
Toepasselijk recht (conflictenrecht) =
Hier vertrekt men van een privaatrechtelijke rechtsverhouding met een grensoverschrijdend element. De
vraag is dan: hoe bepaal je welk recht op die rechtsverhouding van toepassing is? Dit wordt ook het
conflictenrecht genoemd.
De regels van het toepasselijk recht bepalen ‘welk recht’ een bepaald interna<onaal conflict zal regelen.
Dit door middel van verwijzingsregels. Men hee[ het soms ook over het conflictenrecht.
ILLUSTRATIE: Een Syrisch meisje en haar Syrische vriend willen trouwen in België. Het meisje is 16 jaar
oud.
o Welk (huwelijks)recht zal de Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand toepassen? Het
Belgische en/of het Syrische?
o Op grond van welk recht zal hij oordelen of de minderjarigheid van het meisje een probleem
vormt? (vraag over de staat van de persoon)
Deze twee eerste luiken (interna<onale bevoegdheid en toepasselijk recht) hangen samen: de meeste
rechtsvragen die rijzen zijn van voldoende complexe aard om zowel vragen van interna<onale
bevoegdheid als toepasselijk recht te doen rijzen.
ILLUSTRATIE: Een Belgische vrouw is gehuwd met een Italiaanse man. Tijdens hun huwelijk werd een kind
geboren. De vrouw wil het vaderschap van haar echtgenoot weerleggen en leidt hiertoe een vordering in
bij de rechtbank.
o Is de Belgische rechter interna<onaal bevoegd?
o Zo ja, welk recht moet de rechter toepassen?
Erkenning en uitvoerbaarheid =
àErkenning = in het buitenland is een akte tot stand gekomen, bijvoorbeeld omdat men in het buitenland
is gehuwd. Wat moet een Belgische ambtenaar, bijvoorbeeld bij de Dienst Vreemdelingenzaken in het
kader van gezinshereniging, daarmee doen wanneer die akte wordt voorgelegd? Mag hij die huwelijksakte
zomaar aannemen of moeten er controles gebeuren? Dat is een vraag van erkenning.
àUitvoerbaarheid = bijvoorbeeld een Duits vonnis. Kan dat in België worden gebruikt om de tegoeden
van een schuldenaar in België tot voorwerp van uitvoerend beslag te maken? Wat is daarvoor vereist?
BELANGRIJK: deze zaken moeten goed van elkaar onderscheiden worden. Men moet kunnen uitmaken of
het gaat om een vraag van interna<onale bevoegdheid, een vraag van toepasselijk recht, dan wel een
vraag van erkenning en uitvoerbaarheid.
Administra0eve en gerechtelijke samenwerking =
Daarnaast is er een vierde pijler: interna<onale administra<eve en gerechtelijke samenwerking.
ð VOORBEELD bij adop4e.
ð VOORBEELD: Ook bij bewijsverkrijging wordt samengewerkt, al dan niet met tussenschakeling van
het buitenland.
Gemaakt door: Elien Vanderick 3
, Het belang van dit domein neemt steeds toe. Daarom wordt gesproken van een vierde volwaardige pijler,
naast de klassieke drie pijlers hierboven.
1.4 Werk- en denkmethode (BELANGRIJK VOOR EXAMEN)
Eerst bepalen of het gaat om
o Interna<onale bevoegdheid
o Toepasselijk recht
o Erkenning en uitvoerbaarheid
o Administra<eve/gerechtelijke samenwerking
Dan opleken voor rechtsbronnen op verschillende niveaus
o Interna<onale verdragen
o Europese regels
o Na<onale wetgeving
2 Bronnen van het IPR
2.1 Rechtsbronnen: hiërarchie
De bronnen van het IPR situeren zich op drie niveaus:
o Het recht van de Europese Unie
o Het interna<onaal recht
o Het na<onaal recht (Belgisch recht).
Wat het Belgische na<onaal interna<onaal privaatrecht betre[, hee[ de Belgische wetgever in 2004
beslist tot codifica<e in het Wetboek Interna<onaal Privaatrecht (WIPR).
MAAR: interna<onale verdragen en EU-wetgeving hebben voorrang op het WIPR. Dit volgt uit ar<kel 2
WIPR. Men mag dus niet zomaar teruggrijpen naar het WIPR zonder eerst na te gaan of er geen
interna<onale verdragen of Europese regels van toepassing zijn. Indien dat het geval is en de
toepassingsvoorwaarden zijn vervuld, hebben deze voorrang.
Het WIPR verwijst naar bepaalde verdragen en Europese verordeningen, maar niet systema<sch. Die
verwijzingen fungeren als een hulpmiddel om duidelijk te maken dat rekening moet worden gehouden
met interna<onale en Europese regelgeving. De Belgische wetgever had echter niet de bedoeling om bij
elke nieuwe interna<onale of Europese regeling telkens een uitdrukkelijke verwijzing in het WIPR op te
nemen.
ð Zo verwijst ar<kel 98, § 1 WIPR voor contracten naar de Rome I-Verordening.
ð Ar<kel 55 WIPR inzake echtscheiding verwijst daarentegen niet naar de Rome III-Verordening.
Daarom moet men al<jd nagaan of er toepasselijke verdragen of EU-verordeningen bestaan, ongeacht of
het WIPR daar expliciet melding van maakt.
2.2 Primeert verdrag of EU-wetgeving?
Er bestaat GEEN eenduidig antwoord op de vraag welk instrument voorrang hee[ wanneer zowel een
interna<onaal verdrag als een EU-instrument poten<eel van toepassing is. Men moet telkens nagaan wat
bepaald wordt in de relevante Europese verordeningen.
Een van de kernvragen is of, in een materie waarin zowel een verdrag als een EU-instrument van
toepassing kan zijn, het verdrag dan wel de EU-verordening voorrang hee[. Dit hangt af van de concrete
vraag die gesteld wordt en van het toepasselijke instrument.
Gemaakt door: Elien Vanderick 4
1 Inleiding, bronnen, enkele begrippen
1.1 IPR: interna.onaal en privaat
IPR is nodig bij de regeling van ‘interna<onale’ rechtsverhoudingen. Om het IPR te ac<veren, is er een
grensoverschrijdend (interna<onaal) element vereist, zoals de woonplaats, na<onaliteit, plaats van
handeling of ligging van goederen.
Er moet dus sowieso een grensoverschrijdend element aanwezig zijn.
VOORBEELDEN:
o Wanneer één van de par4jen haar woonplaats in het buitenland hee?, is het evident dat er sprake
is van een grensoverschrijdende situa4e.
o Ook bij een huwelijk waarbij beide echtgenoten een buitenlandse na4onaliteit hebben, wordt het
IPR geac4veerd.
o OG in het buitenland ac4veren eveneens het IPR.
Het is niet al<jd evident om te bepalen of er al dan niet sprake is van een grensoverschrijdende situa<e.
In het arrest van het HVJ van de EU van 8 februari 2024, C-566/22, werd deze problema<ek verduidelijkt.
ð ZAAK INKREAL: 2 Slovaakse ondernemingen sloten een kredietovereenkomst. Beide
ondernemingen waren geves<gd in Slovakije en hun ac<viteiten speelden zich eveneens in
Slovakije af. Zij kwamen overeen dat, indien er een geschil zou ontstaan, de Tsjechische rechter
bevoegd zou zijn om daarvan kennis te nemen. Het ging dus om een bevoegdheidsovereenkomst
of forumclausule.
De kredietgever droeg zijn rechten uit de overeenkomst over aan een andere par<j. Deze stelde
vast dat de kredietnemer de ovk niet naleefde en niet terugbetaalde. Op basis daarvan werd de
zaak aanhangig gemaakt bij de Tsjechische rechter, die krachtens de ovk bevoegd was. De
Tsjechische rechter vroeg zich af welke regels van toepassing waren. Meer bepaald rees de vraag
of dit een geval was waarop de Brussel I-bis-verordening van toepassing was, aangezien deze
verordening regels bevat over interna<onale bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken en ook
bepalingen hee[ over bevoegdheidsovereenkomsten en hun geldigheid. Of ging het louter om
een na<onale bevoegdheidsovereenkomst, zodat het Tsjechische recht moest bepalen of par<jen
geldig een andere dan de Slovaakse rechter bevoegd konden maken?
De rechter stelde dus de vraag of dit een IPR-geval was dan wel een zuiver na<onale situa<e. In
eerdere na<onale RS en RL bestond er een tendens om aan te nemen dat een dergelijke situa<e
het IPR niet ac<veerde, omdat beide par<jen volledig verbonden waren met 1 territorium, in dit
geval Slovakije. Ook de advocaat-generaal bij het Hof volgde die redenering.
Het Hof oordeelde dat de overeengekomen keuze voor de Tsjechische rechter wel degelijk het
vereiste grensoverschrijdende element vormt. Wanneer 2 par<jen beslissen om hun geschil voor
te leggen aan een rechter van een andere lidstaat, maken zij van hun zaak een IPR-geval waarop
de Brussel I-bis-verordening van toepassing is. Het Hof legt daarbij de nadruk op de
wilsautonomie en de rechtszekerheid. Het feit dat een gerecht van een andere lidstaat bevoegd
wordt gemaakt, is volgens het Hof voldoende om te voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van
de verordening. Indien men bijkomende criteria zou vereisen, zou dit rechtsonzekerheid creëren.
Omwille van de rechtszekerheid moet dus worden aangenomen dat het volstaat dat 2 par<jen,
ook al zijn zij beiden geves<gd in één lidstaat en betre[ het voor het overige een volledig
Gemaakt door: Elien Vanderick 1
, na<onale situa<e, een gerecht van een andere lidstaat bevoegd maken op basis van een
overeenkomst om te spreken van een IPR-geval. De voorwaarde van het grensoverschrijdend
element is dan vervuld en de Brussel I-bis-verordening vormt het uitgangspunt.
Bijgevolg is een grensoverschrijdend element noodzakelijk opdat er sprake is van een IPR-geval en dit
element kan ook voortvloeien uit de keuze van par<jen voor een buitenlandse rechter.
Het IPR gaat om ‘interna<onale’ privaatrechtelijke verhoudingen. Het gaat dus om horizontale
rechtsverhoudingen. In de eerste plaats betre[ dit verhoudingen tussen burgers onderling. Daarnaast kan
het ook gaan om een verhouding tussen overheid en burger, voor zover de overheid NIET optreedt in de
uitoefening van haar imperiumbevoegdheid, maar handelt als een private actor. In dat geval is er GEEN
sprake van een ver<cale, maar van een horizontale rechtsverhouding.
IPR handelt met andere woorden over horizontale rechtsverhoudingen en niet over ver<cale
rechtsverhoudingen waarbij de overheid optreedt met openbaar gezag.
Uiteindelijk draait het om de vraag hoe een na<onale staat zijn rechtsmacht abakent. Vanuit het
perspec<ef van de staat stelt zich de vraag voor welke gevallen zijn rechtscolleges interna<onale
bevoegdheid mogen uitoefenen en voor welke gevallen het na<onale recht van toepassing zal zijn. Het
betre[ dus de uitoefening van de imperiumbevoegdheid en de abakening van het na<onale rechtsgebied.
De basis van het IPR wordt gevormd door privaatrechtelijke rechtsverhoudingen, al kunnen daarbij ook
publiekrechtelijke aspecten een rol spelen. Er bestaan bovendien situa<es waarin een overheid par<j is,
maar de zaak toch onder het IPR valt, bijvoorbeeld wanneer de overheid optreedt als een private speler. In
dat geval kan het IPR eveneens van toepassing zijn.
Het uitgangspunt blij[ dat het moet gaan om een privaatrechtelijke rechtsverhouding met een
grensoverschrijdend element.
1.2 IPR: na.onaal recht
Het IPR regelt interna<onale rechtsverhoudingen, maar is in beginsel na<onaal recht (zie bijvoorbeeld het
WIPR). Lange <jd was het IPR dan ook een zuiver na<onale rechtstak: staten bepaalden zelf welke regels
inzake interna<onale bevoegdheid zij invoerden en welke conflictregels zij opstelden om te bepalen welk
recht van toepassing is. In die zin maakten na<onale staten autonoom uit hoe zij hun interna<onale
privaatrecht vormgaven.
In bepaalde mate is dat nog steeds zo. Wanneer men zich in de posi<e plaatst van de BE staat, moet men
rekening houden met het feit dat BE LS is van de EU en par<j is bij talrijke interna<onale verdragen.
ð Daardoor hee[ ook de EU een grote invloed op de bronnen van het IPR. Men kan het IPR dus NIET
langer benaderen vanuit een louter na<onale invalshoek.
Er kan maar sprake zijn van een eenvormige benadering, zij het met verschillende grada<es. In de meest
eenvoudige vorm gaat het om het creëren van eenvormige regels inzake interna<onale bevoegdheid. Dat
betekent dat meerdere staten dezelfde bevoegdheidsregels toepassen.
ð MAAR de harmonisa<e kan verder gaan: het is ook mogelijk dat er een eenvormig
conflictenrechtelijk kader wordt uitgewerkt, of zelfs een eenvormig materieelrechtelijk kader.
Het IPR blij[ dus in beginsel na<onaal recht, maar wordt in belangrijke mate beïnvloed en soms zelfs
grotendeels bepaald door suprana<onale en interna<onale instrumenten.
1.3 De grote 3/4 luiken van het IPR
De grote blokken in het IPR zijn de volgende:
o Interna<onale bevoegdheid
o Toepasselijk recht (conflictenrecht)
Gemaakt door: Elien Vanderick 2
, o Erkenning en uitvoerbaarheid van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authen<eke akten
o Administra<eve en gerechtelijke samenwerking
Interna0onale bevoegdheid =
Het gaat hier om de vraag wie bevoegd is. Dat betre[ niet enkel de bevoegdheid van rechtscolleges. Ook
andere autoriteiten kunnen betrokken zijn, bijvoorbeeld de vraag of een Belgische ambtenaar van de
burgerlijke stand bevoegd is om een huwelijk te voltrekken.
Toepasselijk recht (conflictenrecht) =
Hier vertrekt men van een privaatrechtelijke rechtsverhouding met een grensoverschrijdend element. De
vraag is dan: hoe bepaal je welk recht op die rechtsverhouding van toepassing is? Dit wordt ook het
conflictenrecht genoemd.
De regels van het toepasselijk recht bepalen ‘welk recht’ een bepaald interna<onaal conflict zal regelen.
Dit door middel van verwijzingsregels. Men hee[ het soms ook over het conflictenrecht.
ILLUSTRATIE: Een Syrisch meisje en haar Syrische vriend willen trouwen in België. Het meisje is 16 jaar
oud.
o Welk (huwelijks)recht zal de Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand toepassen? Het
Belgische en/of het Syrische?
o Op grond van welk recht zal hij oordelen of de minderjarigheid van het meisje een probleem
vormt? (vraag over de staat van de persoon)
Deze twee eerste luiken (interna<onale bevoegdheid en toepasselijk recht) hangen samen: de meeste
rechtsvragen die rijzen zijn van voldoende complexe aard om zowel vragen van interna<onale
bevoegdheid als toepasselijk recht te doen rijzen.
ILLUSTRATIE: Een Belgische vrouw is gehuwd met een Italiaanse man. Tijdens hun huwelijk werd een kind
geboren. De vrouw wil het vaderschap van haar echtgenoot weerleggen en leidt hiertoe een vordering in
bij de rechtbank.
o Is de Belgische rechter interna<onaal bevoegd?
o Zo ja, welk recht moet de rechter toepassen?
Erkenning en uitvoerbaarheid =
àErkenning = in het buitenland is een akte tot stand gekomen, bijvoorbeeld omdat men in het buitenland
is gehuwd. Wat moet een Belgische ambtenaar, bijvoorbeeld bij de Dienst Vreemdelingenzaken in het
kader van gezinshereniging, daarmee doen wanneer die akte wordt voorgelegd? Mag hij die huwelijksakte
zomaar aannemen of moeten er controles gebeuren? Dat is een vraag van erkenning.
àUitvoerbaarheid = bijvoorbeeld een Duits vonnis. Kan dat in België worden gebruikt om de tegoeden
van een schuldenaar in België tot voorwerp van uitvoerend beslag te maken? Wat is daarvoor vereist?
BELANGRIJK: deze zaken moeten goed van elkaar onderscheiden worden. Men moet kunnen uitmaken of
het gaat om een vraag van interna<onale bevoegdheid, een vraag van toepasselijk recht, dan wel een
vraag van erkenning en uitvoerbaarheid.
Administra0eve en gerechtelijke samenwerking =
Daarnaast is er een vierde pijler: interna<onale administra<eve en gerechtelijke samenwerking.
ð VOORBEELD bij adop4e.
ð VOORBEELD: Ook bij bewijsverkrijging wordt samengewerkt, al dan niet met tussenschakeling van
het buitenland.
Gemaakt door: Elien Vanderick 3
, Het belang van dit domein neemt steeds toe. Daarom wordt gesproken van een vierde volwaardige pijler,
naast de klassieke drie pijlers hierboven.
1.4 Werk- en denkmethode (BELANGRIJK VOOR EXAMEN)
Eerst bepalen of het gaat om
o Interna<onale bevoegdheid
o Toepasselijk recht
o Erkenning en uitvoerbaarheid
o Administra<eve/gerechtelijke samenwerking
Dan opleken voor rechtsbronnen op verschillende niveaus
o Interna<onale verdragen
o Europese regels
o Na<onale wetgeving
2 Bronnen van het IPR
2.1 Rechtsbronnen: hiërarchie
De bronnen van het IPR situeren zich op drie niveaus:
o Het recht van de Europese Unie
o Het interna<onaal recht
o Het na<onaal recht (Belgisch recht).
Wat het Belgische na<onaal interna<onaal privaatrecht betre[, hee[ de Belgische wetgever in 2004
beslist tot codifica<e in het Wetboek Interna<onaal Privaatrecht (WIPR).
MAAR: interna<onale verdragen en EU-wetgeving hebben voorrang op het WIPR. Dit volgt uit ar<kel 2
WIPR. Men mag dus niet zomaar teruggrijpen naar het WIPR zonder eerst na te gaan of er geen
interna<onale verdragen of Europese regels van toepassing zijn. Indien dat het geval is en de
toepassingsvoorwaarden zijn vervuld, hebben deze voorrang.
Het WIPR verwijst naar bepaalde verdragen en Europese verordeningen, maar niet systema<sch. Die
verwijzingen fungeren als een hulpmiddel om duidelijk te maken dat rekening moet worden gehouden
met interna<onale en Europese regelgeving. De Belgische wetgever had echter niet de bedoeling om bij
elke nieuwe interna<onale of Europese regeling telkens een uitdrukkelijke verwijzing in het WIPR op te
nemen.
ð Zo verwijst ar<kel 98, § 1 WIPR voor contracten naar de Rome I-Verordening.
ð Ar<kel 55 WIPR inzake echtscheiding verwijst daarentegen niet naar de Rome III-Verordening.
Daarom moet men al<jd nagaan of er toepasselijke verdragen of EU-verordeningen bestaan, ongeacht of
het WIPR daar expliciet melding van maakt.
2.2 Primeert verdrag of EU-wetgeving?
Er bestaat GEEN eenduidig antwoord op de vraag welk instrument voorrang hee[ wanneer zowel een
interna<onaal verdrag als een EU-instrument poten<eel van toepassing is. Men moet telkens nagaan wat
bepaald wordt in de relevante Europese verordeningen.
Een van de kernvragen is of, in een materie waarin zowel een verdrag als een EU-instrument van
toepassing kan zijn, het verdrag dan wel de EU-verordening voorrang hee[. Dit hangt af van de concrete
vraag die gesteld wordt en van het toepasselijke instrument.
Gemaakt door: Elien Vanderick 4