• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 150 pages
Resume

Samenvatting Staatsrecht (M. Leloup) | GESLAAGD met 15/20 in juni 2026 | Universiteit Gent | 2025/2026

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 150 pages

Deze uitgebreide samenvatting bevat alle leerstof die je nodig hebt om te slagen voor het vak Staatsrecht aan de UGent. Ze omvat alle lesnota's, een overzichtelijke samenvatting van zowel de behandelde als de niet-behandelde (maar wel te kennen) cursusleerstof, heldere schema's en alle relevante wetsartikelen. Dankzij de duidelijke structuur is de leerstof gemakkelijk te studeren en terug te vinden.

Aperçu du contenu

STAATSRECHT
Inhoudsopgave
Deel I: Krachtlijnen.............................................................................1

Inleiding..................................................................................................... 1
1. De Belgische staat...................................................................................2
1.1 Het ontstaan van België (secessie).........................................................................2
1.2 De Belgische staat.................................................................................................. 4
1.3 Gevolgen van de kwalificatie als staat: 3 juridische gevolgen................................5
2. Een democratische rechtsstaat.................................................................6
2.1 De scheiding van de machten................................................................................7
2.2 De rechtsstaat........................................................................................................ 8
3. Een meergelaagde staat in Europa...........................................................9
3.1 De federale staat België.......................................................................................10
3.2 De Vlaamse en de andere deelstaten...................................................................13
3.3 De Europese Unie................................................................................................. 17
3.4 De gemeenten en provincies................................................................................18

Deel II: De democratische besluitvorming...........................................20

4. De Grondwettelijke teksten....................................................................20
4.1 Inleiding................................................................................................................ 20
4.2 De Belgische Grondwet........................................................................................23
4.3 De constitutieve autonomie van de deelstaten....................................................27
4.4 De constitutieve verdragen van de Europese Unie...............................................28
5. De wetgevende instellingen...................................................................30
5.1 Debatteren en organiseren...................................................................................30
5.2 Zelf beslissen (= directe democratie)...................................................................32
5.3 Verkiezen en vertegenwoordigen (= indirecte democratie)..................................35
5.4 Wetgeven............................................................................................................. 47
6. De uitvoerende instellingen....................................................................59
6.1 Vertrouwen en controleren...................................................................................59
6.2 Besturen............................................................................................................... 73
6.3 Bestuurlijke rechtshandelingen stellen.................................................................83
6.4 Behoorlijk besturen............................................................................................... 87

, 6.5 Openbaarheid van het bestuur.............................................................................90
6.6 Taalgebruik door het bestuur...............................................................................91
6.7 Handhaving door het bestuur...............................................................................93

Deel III: De bevoegdheidsverdeling....................................................94

7. Gefedereerde bevoegdheden..................................................................94
7.1 De bevoegdheidsverdeling binnen België.............................................................94
7.2 De bevoegdheidsverdeling binnen de Europese Unie.........................................107
8. Territoriaal gedecentraliseerde bevoegdheden......................................108
8.1 De bevoegdheden van de Vlaamse gemeenten.................................................108

Deel IV: De inwoners en hun grondrechten.......................................109

9. Inwoners............................................................................................. 109
9.1 Personen met de Belgische nationaliteit.............................................................109
9.2 Personen zonder de Belgische nationaliteit........................................................111
9.3 De burgers van de Europese Unie......................................................................112
10. Grondrechten.....................................................................................112
10.1 De ontwikkeling van grondrechten...................................................................112
10.2 De voornaamste grondrechten.........................................................................114
10.3 De beperking van grondrechten.......................................................................122

Deel V: De rechtsbescherming.........................................................127

11. De rechtsprekende instellingen...........................................................127
11.1 De Belgische rechtscolleges.............................................................................127
11.2 De rechtscolleges van de Europese Unie..........................................................131
12. De rechtsbescherming tegen de overheid............................................131
12.1 De hiërarchie van de normen...........................................................................132
12.2 Rechtstreekse rechtsbescherming....................................................................135
12.3 Overheidsaansprakelijkheid..............................................................................144

,DEEL I: KRACHTLIJNEN

INLEIDING

Recht = een rationeel opgebouwd geheel van door de overheid uitgevaardigde en via
sancties afdwingbare normen die dienen tot organisatie, handhaving of herstel van orde
in de samenleving.

- Zonder recht  chaos
- Met recht  orde

“Niet het recht van de sterkste, maar de sterkte van het recht.”

 Zonder recht, wint automatisch de sterkste, luidste, machtigste
persoon.

Waarom maken mensen spontaan regels?

Mensen hebben een natuurlijke neiging om regels te maken, om eerlijkheid en orde re
creëren.

Dat zien we ook bij kinderen die een spel spelen. In het begin spelen ze zonder regels. Al
snel merken ze dat iets “niet eerlijk” is, daarom spreken ze nieuwe regels af. Even later
passen ze die nieuwe regels opnieuw aan om het spel eerlijker te maken.

Op maatschappelijk niveau noemen we die regels: wetten

Wat maakt recht “speciaal” (t.o.v. andere regels)?

A. Recht is een systeem met samenhang

Het recht is geen losse regels. Het is een samenhangend systeem met
eigen begrippen en logica.
Bv. “wet”, “grondwet”, “fout”, “bevoegdheid”
 Juristen verstaan daar exact hetzelfde onder (= eigen
taal).

B. Onderliggende basiswaarden v/h recht
- Gelijkheid
- Bilijkheid
- Rechtvaardigheid

C. Het GROOTSTE verschil: afdwingbaarheid

Recht en maatschappij: een constante wisselwerking

- Recht beïnvloedt de maatschappij

 De overheid gebruikt wetten om gedrag te sturen, problemen op te
lossen, richting te geven.
Vb. klimaatwetgeving

- Maatschappij beïnvloedt het recht


1

,  Maatschappelijke ontevredenheid kan aanleiding geven tot
wetsaanpassing.

Summa Divisio (de grote basisverdeling v/h R): Publiekrecht vs Privaatrecht

1. Privaatrecht
= regelt de relatie tussen particuliere (rechts)personen
Bv. contracten, aansprakelijkheid, familie- en erfrecht…

2. Publiekrecht
= regelt de relaties tussen overheid en burgers én overheden onderling
Bv. staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht, belastingrecht,
mensenrechtenrecht…

Vroeger: duidelijk onderscheid ↔ Vandaag: soms overlap, niet altijd waterdicht

Staatsrecht (= constitutioneel recht = grondwettelijk recht) = het recht dat betrekking
heeft op:

- de rol en structuur van de organen van de staat
- hun instelling en functioneren
- hun bevoegdheden
- hun onderlinge verhoudingen
- hun verhouding tot de burgers

Doelen v/h vak staatsrecht:

• Basiskenmerken van staatsrecht herkennen
• Bronnen van staatsrecht opzoeken
• Basisbegrippen definiëren
• Begrippen toepassen op casussen
• Vraagstukken in context plaatsen
• Kritisch analyseren

De kernboodschap: België is een (grondwettelijke) meergelaagde, democratische
rechtsstaat in Europa

1. DE BELGISCHE STAAT


1.1 HET ONTSTAAN VAN BELGIË (SECESSIE)

We bekijken “staat” in een publiekrechtelijke zin.

- Dus NIET: burgerlijke staat (getrouwd, ongehuwd, enz.)
- WEL: staat = land

Een staat = een afgebakend grondgebied met een bevolking en een overheid die gezag
uitoefent.

Twee grote manieren waarop staten ontstaan:

1) Oorspronkelijk ontstaan
= een staat ontstaat “vanuit het niets”


2

Table des matières

  1. 01 Deel I: Krachtlijnen 3
    1. Inleiding 3
    2. 1. De Belgische staat 4
    3. 1.1 Het ontstaan van België (secessie) 4
    4. 1.2 De Belgische staat 6
    5. 1.3 Gevolgen van de kwalificatie als staat: 3 juridische gevolgen 7
    6. 2. Een democratische rechtsstaat 8
    7. 2.1 De scheiding van de machten 9
    8. 2.2 De rechtsstaat 10
    9. 2.2.1 Voorwaarden voor de kwalificatie als rechtsstaat 10
    10. 2.2.2 Dynamiek van de kwalificatie als rechtsstaat 11
    11. 3. Een meergelaagde staat in Europa 11
    12. 3.1 De federale staat België 12
    13. 3.1.1. de consensusdemocratie 12
    14. 3.1.2. de federalisering 13
    15. 3.2 De Vlaamse en de andere deelstaten 15
    16. 3.2.1 1970: De eerste staatshervorming 15
    17. 3.2.2 1980: De tweede staatshervorming 16
    18. 3.2.3 1988-1989: De derde staatshervorming 16
    19. 3.2.4 1993: De vierde staatshervorming (Sint-Michielsakkoord) 17
    20. 3.2.5 2001-2003: De vijfde staatshervorming (Lambermont- en Lombard-akkoorden) 17
    21. 3.2.6 2011-2012: De zesde staatshervorming (Vlinderakkoord) 18
    22. 3.2.7 Belgisch federalisme in de Grondwet 18
    23. 3.2.8 2024 en verder: Zevende Staatshervorming? 18
    24. 3.3 De Europese Unie 19
    25. 3.4 De gemeenten en provincies 20
  2. 02 Deel II: De democratische besluitvorming 22
    1. 4. De Grondwettelijke teksten 22
    2. 4.1 Inleiding 22
    3. 4.1.1. De grondwet als juridisch instrument 23
    4. 4.1.1.1 de grondwet in zijn formele betekenis 23
    5. 4.1.1.2 de grondwet in zijn materiële betekenis 24
    6. 4.1.2. De grondwet als expressief instrument 24
    7. 4.2 De Belgische Grondwet 25
    8. 4.2.1. De grondwetgevende bevoegdheden 25
    9. 4.2.1.1 De formele Grondwet 25
    10. 4.2.1.2 De materiële grondwet 26
    11. 4.2.2. De grondwetgevende procedure 27
    12. 4.2.2.1 De formele Grondwet (EXAMEN!!) 27
    13. 4.2.2.1.1 de preconstituante (Stap 1) 28
    14. 4.2.2.1.2 parlementaire verkiezingen (Stap 2) 28
    15. 4.2.2.1.3 de constituante (Stap 3) 28
    16. 4.2.2.2 De materiële grondwet 29
    17. 4.3 De constitutieve autonomie van de deelstaten 29
    18. 4.4 De constitutieve verdragen van de Europese Unie 30
    19. 4.4.1. De verdragen en het Handvest 30
    20. 4.4.2. De verhouding van de verdragen met de Belgische rechtsorde 31
    21. 4.2.2.1 Rechtstreekse toepasselijkheid 31
    22. 4.2.2.2 Rechtstreekse werking 31
    23. 5. De wetgevende instellingen 32
    24. 5.1 Debatteren en organiseren 32
    25. 5.2 Zelf beslissen (= directe democratie) 34
    26. 5.2.1. Op federaal niveau 35
    27. 5.2.2. Op deelstatelijk niveau 36
    28. 5.2.3. Op Europees niveau 36
    29. 5.2.4. Op lokaal niveau 36
    30. 5.3 Verkiezen en vertegenwoordigen (= indirecte democratie) 37
    31. 5.3.1. Op federaal niveau 38
    32. 5.3.1.1 De Kamers 38
    33. 5.3.1.1.1 De Kamer van volksvertegenwoordigers 38
    34. 5.3.1.1.1.1 De verkiezing 38
    35. 5.3.1.1.1.2 De samenstelling 40
    36. 5.3.1.1.1.3 De indeling 41
    37. 5.3.1.1.1.4 De zitting 41
    38. 5.3.1.1.1.5 De ontbinding 41
    39. 5.3.1.1.2 De Senaat 41
    40. 5.3.1.2 Rechtspositie 42
    41. 5.3.1.2.1 Onverenigbaarheden 42
    42. 5.3.1.2.2 Immuniteiten 43
    43. 5.3.2. Op deelstatelijk niveau 43
    44. 5.3.2.1 Algemene kenmerken 43
    45. 5.3.2.2 Bijzondere kenmerken 44
    46. 5.3.2.2.1 Het Vlaams Parlement 44
    47. 5.3.2.2.2 De andere deelstaatparlementen 45
    48. 5.3.3. Op Europees niveau 46
    49. 5.3.3.1 Het Europees Parlement 46
    50. 5.3.3.2 De Europese Raad 47
    51. 5.3.3.3 De Raad (van de Europese Unie) of Ministerraad 47
    52. 5.3.4. Op lokaal niveau 48
    53. 5.3.4.1 In de Vlaamse gemeenten 48
    54. 5.3.4.2 In de Vlaamse provincies 49
    55. 5.4 Wetgeven 49
    56. 5.4.1. In de verschillende democratische ruimten 49
    57. 5.4.1.1 Op federaal niveau 49
    58. 5.4.1.1.1 Bevoegdheden 50
    59. 5.4.1.1.1.1 Toegewezen bevoegdheden 50
    60. 5.4.1.1.1.2 Residuaire bevoegdheden in de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht 51
    61. 5.4.1.1.2 Procedure 51
    62. 5.4.1.1.2.1 Monocameralisme en bicameralisme 51
    63. 5.4.1.1.2.1.1 Het tweekamerstelsel 51
    64. 5.4.1.1.2.1.2 Monocamerale aangelegenheden 51
    65. 5.4.1.1.2.1.3 Verplicht bicamerale aangelegenheden 51
    66. 5.4.1.1.2.1.4 Optioneel bicamerale aangelegenheden 52
    67. 5.4.1.1.2.1.5 Kwalificatie van aangelegenheden en conflicten 52
    68. 5.4.1.1.2.2 Het verloop van de wetgevingsprocedure 52
    69. 5.4.1.1.2.2.1 Wetgevende initiatieven 52
    70. 5.4.1.1.2.2.2 Het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State 53
    71. 5.4.1.1.2.2.2.1 Inwinnen van het advies 53
    72. 5.4.1.1.2.2.2.2 Inhoud van het advies 54
    73. 5.4.1.1.2.2.2.3 Gevolgen van het advies 54
    74. 5.4.1.1.2.2.3 De behandeling in de commissie 54
    75. 5.4.1.1.2.2.4 De behandeling in de plenaire vergadering 55
    76. 5.4.1.1.2.2.4.1 Goedkeuring bij gewone meerderheid 55
    77. 5.4.1.1.2.2.4.2 Goedkeuring bij versterkte meerderheden 55
    78. 5.4.1.1.2.2.5 De alarmbelprocedure 55
    79. 5.4.1.1.2.2.6 Behandeling in de andere Kamer 55
    80. 5.4.1.1.2.2.7 De bekrachtiging en de afkondiging 56
    81. 5.4.1.1.2.2.8 De bekendmaking en de inwerkingtreding 56
    82. 5.4.1.1.2.2.9 De uitvoering 56
    83. 5.4.1.1.3 Overdracht van wetgevende bevoegdheden 56
    84. 5.4.1.1.3.1 Opdrachtbepaling 57
    85. 5.4.1.1.3.2 Bijzonderemachtenwetten 57
    86. 5.3.1.1.3.3 Wanneer is bevoegdheidsoverdracht mogelijk? 57
    87. 5.3.1.1.3.4 Buitengewone machtenbesluiten 57
    88. 5.4.1.2 Op deelstatelijk niveau 57
    89. 5.4.1.2.1 Decreten en ordonnanties 57
    90. 5.4.1.2.2 De wetgevingsprocedure 58
    91. 5.4.1.2.3 Overdracht van wetgevende bevoegdheden 58
    92. 5.4.1.3 Op Europees niveau 58
    93. 5.4.1.3.1 De wetgevingshandelingen van de Unie 59
    94. 5.4.1.3.1.1 Verordeningen 59
    95. 5.4.1.3.1.2 Richtlijnen 59
    96. 5.4.1.3.2 De wetgevingsprocedure 59
    97. 5.4.1.3.3 Overdracht van wetgevende bevoegdheden 60
    98. 5.4.1.4 Op lokaal niveau 60
    99. 5.4.2. Behoorlijk wetgeven 60
    100. 5.4.2.1 Algemene principes 60
    101. 5.4.2.2 Uitwerking van de wet in de tijd 61
    102. 5.4.2.2.1 Voor de toekomst 61
    103. 5.4.2.2.2 Voor het verleden 61
    104. 5.4.2.3 Interpretatieve wetgeving 61
    105. 6. De uitvoerende instellingen 61
    106. 6.1 Vertrouwen en controleren 61
    107. 6.1.1. Op federaal niveau 62
    108. 6.1.1.1 De Koning en de Regering 62
    109. 6.1.1.1.1 De Koning 62
    110. 6.1.1.1.1.1 De persoon van de Koning 62
    111. 6.1.1.1.1.2 Rechtspositie 62
    112. 6.1.1.1.1.2.1 Onschendbaarheid 62
    113. 6.1.1.1.1.2.2 Onverantwoordelijkheid 63
    114. 6.1.1.1.2 De Regering 63
    115. 6.1.1.1.2.1 De samenstelling van de Regering 63
    116. 6.1.1.1.2.2 Rechtspositie 65
    117. 6.1.1.1.2.2.1 Onverenigbaarheden 65
    118. 6.1.1.1.2.2.2 Immuniteiten 65
    119. 6.1.1.2 Het vertrouwen in de Regering 65
    120. 6.1.1.3 De controle op (en het ontslag van) de Regering 66
    121. 6.1.1.3.1 Algemene controle 66
    122. 6.1.1.3.1.1 De aanwezigheid in het Parlement 66
    123. 6.1.1.3.1.2 Parlementaire vragen 67
    124. 6.1.1.3.1.3 Interpellaties en moties 67
    125. 6.1.1.3.1.3.1 De motie van wantrouwen 67
    126. 6.1.1.3.1.3.1.1 De constructieve 67
    127. 6.1.1.3.1.3.1.2 De gewone 67
    128. 6.1.1.3.1.3.2 De motie van aanbeveling 67
    129. 6.1.1.3.1.3.3 De eenvoudige motie 67
    130. 6.1.1.3.1.4 Resoluties 68
    131. 6.1.1.3.2 Bijzondere controle 68
    132. 6.1.1.3.3 Uitzonderlijke controle: het parementair onderzoek 69
    133. 6.1.1.3.4 Beperkte controle: de lopende zaken 69
    134. 6.1.2. Op deelstatelijk niveau 70
    135. 6.1.2.1 Algemene kenmerken 70
    136. 6.1.2.1.1 De deelstaatregeringen 70
    137. 6.1.2.1.2 Vertrouwen in en controle op de deelstaatregeringen 71
    138. 6.1.2.2 Bijzondere kenmerken 71
    139. 6.1.2.2.1 De Vlaamse Regering 71
    140. 6.1.2.2.2 De andere deelstaatregeringen 72
    141. 6.1.3. Op Europees niveau 72
    142. 6.1.3.1 Samenstelling van de Europese Commissie 72
    143. 6.1.3.2 Rechtspositie van de Europese Commissie 72
    144. 6.1.3.3 Controle op de Europese Commissie 73
    145. 6.1.4. Op lokaal niveau 73
    146. 6.1.4.1 In de Vlaamse gemeenten 73
    147. 6.1.4.1.1 Actoren 73
    148. 6.1.4.1.1.1 Het college van burgemeester en schepenen 73
    149. 6.1.4.1.1.2 De uitvoerende organen van het OCMW 73
    150. 6.1.4.1.2 Rechtspositie 73
    151. 6.1.4.1.3 Controle 73
    152. 6.1.4.2 In de Vlaamse provincies 74
    153. 6.1.4.2.1 Actoren 74
    154. 6.1.4.2.1.1 De deputatie 74
    155. 6.1.4.2.1.2 De gouverneur 74
    156. 6.1.4.2.2 Rechtspositie 74
    157. 6.1.4.2.3 Controle 74
    158. 6.2 Besturen 75
    159. 6.2.1. Op federaal niveau 75
    160. 6.2.1.1 Bevoegdheden 75
    161. 6.2.1.1.1 Algemene bevoegdheden 75
    162. 6.2.1.1.1.1 De uitvoering van wetten 75
    163. 6.2.1.1.1.2 De handhaving van wetten 76
    164. 6.2.1.1.1.3 De uitoefening van door de wetgever gedelegeerde bevoegdheden 76
    165. 6.2.1.1.2 Bijzondere bevoegdheden 76
    166. 6.2.1.1.2.1 De benoeming van federale ambtenaren 76
    167. 6.2.1.1.2.2 De staatsfinanciën 77
    168. 6.2.1.1.2.2.1 De begroting 77
    169. 6.2.1.1.2.2.2 De belastingen 78
    170. 6.2.1.1.2.3 De buitenlandse betrekkingen 79
    171. 6.2.1.1.2.4 Het bevel over de gewapende macht 79
    172. 6.2.1.1.2.4.1 De krijgsmacht (het Belgische leger) 79
    173. 6.2.1.1.2.4.1.1 De bevelvoering 80
    174. 6.2.1.1.2.4.1.2 De organisatie 80
    175. 6.2.1.1.2.4.2 De politiediensten 80
    176. 6.2.1.2 Procedure 81
    177. 6.2.1.2.1 Algemeen 81
    178. 6.2.1.2.2 Reglementaire besluiten 81
    179. 6.2.1.2.2.1 Algemeen 81
    180. 6.2.1.2.2.2 Procedure 82
    181. 6.2.1.2.2.2.1 Het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State 82
    182. 6.2.1.2.2.2.2 De bekendmaking en inwerkingtreding 82
    183. 6.2.1.2.3 Beschikkende besluiten 82
    184. 6.2.1.2.3.1 Algemeen 82
    185. 6.2.1.2.3.2 Procedure 82
    186. 6.2.1.3 Overdracht van bevoegdheden 82
    187. 6.2.2. Op deelstatelijk niveau 83
    188. 6.2.2.1 Bevoegdheden 83
    189. 6.2.2.1.1 Algemene bevoegdheden 83
    190. 6.2.2.1.2 Bijzondere bevoegdheden 83
    191. 6.2.2.2 Procedure 83
    192. 6.2.2.3 Overdracht van bevoegdheden 84
    193. 6.2.3. Op Europees niveau 84
    194. 6.2.3.1 Bevoegdheden 84
    195. 6.2.3.1.1 Algemene bevoegdheden 84
    196. 6.2.3.1.1.2 Bijzondere bevoegdheden 84
    197. 6.2.3.2 Procedure 84
    198. 6.2.4. Op lokaal niveau 84
    199. 6.2.4.1 In de Vlaamse gemeenten en OCMW’s 84
    200. 6.2.4.2 In de Vlaamse provincies 85
    201. 6.3 Bestuurlijke rechtshandelingen stellen 85
    202. 6.3.1. Het bestuur 85
    203. 6.3.1.1 Het politieke bestuur 85
    204. 6.3.1.2 Het niet-politieke bestuur 86
    205. 6.3.1.2.1 Overdracht van bevoegdheden aan niet-politiek bestuur 86
    206. 6.3.1.2.1.1 Deconcentratie 86
    207. 6.3.1.2.1.2 Functionele decentralisatie 87
    208. 6.3.1.2.2 Bevoegdheden 87
    209. 6.3.1.2.3 Aansturing 87
    210. 6.3.2. De bestuurlijke rechtshandeling 88
    211. 6.3.2.1 Inleiding 88
    212. 6.3.2.2 Constitutieve bestanddelen 88
    213. 6.3.2.2.1 Een rechtshandeling 88
    214. 6.3.2.2.2 Eenzijdig 89
    215. 6.3.2.2.3 Een bestuurlijke overheid 89
    216. 6.3.2.2.3.1 Mogelijke criteria 89
    217. 6.4 Behoorlijk besturen 89
    218. 6.4.1. Algemene principes 89
    219. 6.4.2. Uitwerking van bestuurlijke rechtshandelingen in de tijd 89
    220. 6.4.2.1 Voor de toekomst 89
    221. 6.4.2.2 Voor het verleden 90
    222. 6.4.3. Behoorlijke beschikkende bestuurlijke rechtshandelingen 90
    223. 6.4.3.1 Algemene rechtsbeginselen 90
    224. 6.4.3.2 Algemene beginselen van behoorlijk bestuur 90
    225. 6.4.3.2.1 Gebonden en discretionaire bevoegdheden 90
    226. 6.4.3.2.2 Soorten 90
    227. 6.4.3.2.2.1 Procedurele beginselen 90
    228. 6.4.3.2.2.1.1 Het onpartijdigheidsbeginsel 91
    229. 6.4.3.2.2.1.2 De hoorplicht 91
    230. 6.4.3.2.2.1.3 De zorgvuldigheidsplicht 91
    231. 6.4.3.2.2.2 Inhoudelijke beginselen 91
    232. 6.4.3.2.2.2.1 De materiële motiveringsplicht 91
    233. 6.4.3.2.2.2.2 Het gelijkheidsbeginsel 91
    234. 6.4.3.2.2.2.3 Het redelijkheidsbeginsel 91
    235. 6.4.3.2.2.2.4 Het vertrouwensbeginsel 91
    236. 6.4.3.3 De formele motiveringsverplichting 91
    237. 6.4.4. Bestuurlijk beroep tegen beschikkend bestuurlijk optreden 91
    238. 6.4.4.1 Aard 92
    239. 6.4.4.2 Verschijningsvormen 92
    240. 6.4.4.2.1 Het willig beroep 92
    241. 6.4.4.2.2 Het hiërarchisch beroep 92
    242. 6.4.4.2.3 Het beroep bij het toezichthoudend bestuur 92
    243. 6.4.4.2.4 Het georganiseerd bestuurlijk beroep 92
    244. 6.5 Openbaarheid van het bestuur 92
    245. 6.5.1. Actieve openbaarheid 92
    246. 6.5.2. Passieve openbaarheid 92
    247. 6.5.2.1 Toepassingsgebied 93
    248. 6.5.2.2 Procedure 93
    249. 6.6 Taalgebruik door het bestuur 93
    250. 6.6.1 Uitgangspunten van de bestuurstaalwetgeving 93
    251. 6.6.2 Basisregels van de bestuurstaalwetgeving 94
    252. 6.6.2.1 De diensten van de gemeentelijke besturen 94
    253. 6.6.2.1.1 De Vlaamse gemeenten 94
    254. 6.6.2.1.2 De Brusselse gemeenten 94
    255. 6.6.2.2 De diensten van de deelstatelijke besturen 95
    256. 6.6.2.2.1 De Vlaamse overheid 95
    257. 6.6.2.2.2 De Brusselse overheden 95
    258. 6.6.2.3 De diensten van de federale besturen 95
    259. 6.6.3 Toezicht op de naleving van de bestuurstaalwetgeving 95
    260. 6.7 Handhaving door het bestuur 95
  3. 03 Deel III: De bevoegdheidsverdeling 96
    1. 7. Gefedereerde bevoegdheden 96
    2. 7.1 De bevoegdheidsverdeling binnen België 96
    3. 7.1.1 De bevoegdheidsverdeling tussen de federale entiteiten 96
    4. 7.1.1.1 Grondslagen van de bevoegdheidsverdeling 96
    5. 7.1.1.1.1 De autonomie (1) en gelijkheid (2) van de federale entiteiten 97
    6. 7.1.1.1.1.1 Beginsel 97
    7. 7.1.1.1.1.2 Nuanceringen 97
    8. 7.1.1.1.1.2.1 Betreffende de autonomie: het federale substitutierecht 97
    9. 7.1.1.1.1.2.2 Betreffende de gelijkheid: het statuut van de Brusselse normen 97
    10. 7.1.1.1.2 Het exclusiviteitsbeginsel (3) 98
    11. 7.1.1.1.2.1 De materiële exclusiviteit 98
    12. 7.1.1.1.2.1.1 Beginsel 98
    13. 7.1.1.1.2.1.2 Nuanceringen 98
    14. 7.1.1.1.2.1.2.1 Gedeeld exclusieve bevoegdheden 98
    15. 7.1.1.1.2.1.2.2 Gedeelde bevoegdheden 99
    16. 7.1.1.1.2.2 De territoriale exclusiviteit 100
    17. 7.1.1.2 De bevoegdheden van de federale overheid 100
    18. 7.1.1.2.1 De toegewezen bevoegdheden 100
    19. 7.1.1.2.1.1 Rechtstreekse toewijzingen in de Grondwet 100
    20. 7.1.1.2.1.2 Uitzonderingen op deelstaatbevoegdheden in de Grondwet of bijzondere wetten 100
    21. 7.1.1.2.2 De verticale residuaire bevoegdheden 100
    22. 7.1.1.3 De bevoegdheden van de deelstaten 101
    23. 7.1.1.3.1 De gemeenschapsbevoegdheden 101
    24. 7.1.1.3.1.1 Cultuur en onderwijs 101
    25. 7.1.1.3.1.1.1 Materiële bevoegdheid 101
    26. 7.1.1.3.1.1.2 Territoriale bevoegdheid 101
    27. 7.1.1.3.1.2 Persoonsgebonden aangelegenheden 103
    28. 7.1.1.3.1.2.1 Materiële bevoegdheid 103
    29. 7.1.1.3.1.2.2 Territoriale bevoegdheid 103
    30. 7.1.1.3.1.3 Het taalgebruik 103
    31. 7.1.1.3.1.3.1 Materiële bevoegdheid 103
    32. 7.1.1.3.1.3.2 Territoriale bevoegdheid 104
    33. 7.1.1.3.2 De gewestbevoegdheden 104
    34. 7.1.1.3.2.1 Materiële bevoegdheden 104
    35. 7.1.1.3.2.2 Territoriale bevoegdheden 104
    36. 7.1.1.3.3 Asymmetrie: de overdracht van bevoegdheden 104
    37. 7.1.1.3.3.1 De overdracht van de uitoefening van gemeenschapsbevoegdheden 105
    38. 7.1.1.3.3.2 De overdracht van de uitoefening van gewestbevoegdheden 105
    39. 7.1.1.4 Impliciete bevoegdheden 105
    40. 7.1.1.5 Instrumentele bevoegdheden 105
    41. 7.1.1.5.1 Verdragsbevoegdheden 105
    42. 7.1.1.5.2 Strafrechtelijke bevoegdheden 106
    43. 7.1.1.5.3 Fiscale bevoegdheden 106
    44. 7.1.1.5.3.1 Op basis van de Grondwet 106
    45. 7.1.1.5.3.2 Op basis van de Bijzondere Financieringswet 106
    46. 7.1.1.5.4 Bestuurlijke bevoegdheden 106
    47. 7.1.1.6 Grenzen aan de autonome bevoegdheidsuitoefening 106
    48. 7.1.1.6.1 De federale loyauteit en het evenredigheidsbeginsel 107
    49. 7.1.1.6.2 De economische en monetaire eenheid 107
    50. 7.1.1.6.3 De communautaire 'standstill" 107
    51. 7.1.2 De verhoudingen tussen de federale entiteiten 108
    52. 7.1.2.1 Samenwerking 108
    53. 7.1.2.1.1 Het Overlegcomité 108
    54. 7.1.2.1.2 Samenwerkingsvormen 108
    55. 7.1.2.1.3 Samenwerking voor gemengde verdragen 108
    56. 7.1.2.2 Conflicten 109
    57. 7.1.2.2.1 Belangenconflicten 109
    58. 7.1.2.2.2 Bevoegdheidsconflicten 109
    59. 7.2 De bevoegdheidsverdeling binnen de Europese Unie 109
    60. 8. Territoriaal gedecentraliseerde bevoegdheden 110
    61. 8.1 De bevoegdheden van de Vlaamse gemeenten 110
    62. 8.1.1 Taken van gemeentelijk belang 110
    63. 8.1.2 Taken van gemengd belang 110
    64. 8.1.3 Medebewindstaken 110
  4. 04 Deel IV: De inwoners en hun grondrechten 111
    1. 9. Inwoners 111
    2. 9.1 Personen met de Belgische nationaliteit 111
    3. 9.1.1 Toekenning 111
    4. 9.1.2 Verkrijging 112
    5. 9.1.2.1 Door nationaliteitsverklaring 112
    6. 9.1.2.2 Door naturalisatie 112
    7. 9.1.3 Verlies 113
    8. 9.2 Personen zonder de Belgische nationaliteit 113
    9. 9.3 De burgers van de Europese Unie 114
    10. 10. Grondrechten 114
    11. 10.1 De ontwikkeling van grondrechten 114
    12. 10.1.1. Ontwikkeling 1: van nationaal naar internationaal 114
    13. 10.1.1.1 De Raad van Europa en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens 115
    14. 10.1.1.2 De Europese Unie en het Handvest van de grondrechten 115
    15. 10.1.1.3 De Verenigde Naties 116
    16. 10.1.2. Ontwikkeling 2: van BUPO naar ECOSOC 116
    17. 10.2 De voornaamste grondrechten 116
    18. 10.2.1 De bescherming van de fysieke integriteit 117
    19. 10.2.1.1 Het recht op leven 117
    20. 10.2.1.2 Het verbod van foltering, onmenselijke of vernederende behandeling 117
    21. 10.2.1.3 Verbod van slavernij en dwangarbeid 118
    22. 10.2.2 Het recht op gelijke behandeling 118
    23. 10.2.3 Intellectuele vrijheden 118
    24. 10.2.3.1 De vrijheid van meningsuiting en van de media 118
    25. 10.2.3.2 De vrijheid van vergadering en van vereniging 118
    26. 10.2.3.3 De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst 119
    27. 10.2.3.4 De vrijheid van en het recht op onderwijs 119
    28. 10.2.3.5 De vrijheid van taalgebruik 119
    29. 10.2.4 Democratische rechten 120
    30. 10.2.4.1 Het recht op vrije en geheime verkiezingen 120
    31. 10.2.4.2 Het petitierecht 120
    32. 10.2.4.3 Het recht op openbaarheid van het bestuur 120
    33. 10.2.5 Rechten tijdens de rechtspleging 120
    34. 10.2.5.1 Het recht op toegang tot de rechter en op een eerlijk proces 120
    35. 10.2.5.2 Rechten eigen aan de strafrechtspleging 121
    36. 10.2.5.2.1 Recht op fysieke vrijheid 121
    37. 10.2.5.2.2 Geen misdrijf of straf zonder wet 121
    38. 10.2.5.2.3 Het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging 121
    39. 10.2.5.2.4 Het recht op een tweede aanleg 122
    40. 10.2.5.2.5 Het recht op niet tweemaal te worden berecht of gestraft 122
    41. 10.2.6 De bescherming van de private levenssfeer 122
    42. 10.2.7 Het recht op bescherming van eigendom 123
    43. 10.2.8 Socio-economische rechten 123
    44. 10.2.9 Rechten voor specifieke groepen 124
    45. 10.2.9.1 Rechten voor kinderen 124
    46. 10.2.9.2 Rechten voor personen met een handicap 124
    47. 10.3 De beperking van grondrechten 124
    48. 10.3.1 In normale omstandigheden 124
    49. 10.3.1.1 De beperking van burgerlijke en politieke rechten 124
    50. 10.3.1.1.1 Grenzen gesteld door de Grondwet 124
    51. 10.3.1.1.1.1 Het formeel wettigheidsbeginsel 125
    52. 10.3.1.1.1.2 Het verbod van preventieve maatregelen 125
    53. 10.3.1.1.2 Grenzen gesteld door het EVRM 126
    54. 10.3.1.1.3 Synthese 127
    55. 10.3.1.2 Bijzonder geval: het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel 127
    56. 10.3.1.2.1 De ogelijke behandeling van vergelijkbare gevallen 128
    57. 10.3.1.2.2 Maatregelen van positieve actie 128
    58. 10.3.1.3 De beperking van economische, sociale en culturele grondrechten 128
    59. 10.3.2 In tijden van noodtoestand 129
    60. 10.3.2 Misbruik van grondrechten 129
  5. 05 Deel V: De rechtsbescherming 129
    1. 11. De rechtsprekende instellingen 129
    2. 11.1 De Belgische rechtscolleges 129
    3. 11.1.1 Op federaal niveau 129
    4. 11.1.1.1 De hoven en rechtbanken 130
    5. 11.1.1.1.1 Voordragen en benoemen 130
    6. 11.1.1.1.1.1 De zittende magistratuur 130
    7. 11.1.1.1.1.1.1 Leden 130
    8. 11.1.1.1.1.1.2 Rechtspositie 130
    9. 11.1.1.1.1.2 De staande magistratuur 130
    10. 11.1.1.1.1.2.1 Leden 130
    11. 11.1.1.1.1.2.2 Rechtspositie 131
    12. 11.1.1.1.2 Rechtspreken 131
    13. 11.1.1.1.2.1 Bevoegdheden 131
    14. 11.1.1.1.2.1.1 Rechtscolleges in eerste aanleg 131
    15. 11.1.1.1.2.1.2 Rechtscolleges in hoger beroep 131
    16. 11.1.1.1.2.1.3 Het Hof van Cassatie 131
    17. 11.1.1.1.2.2 Procedure (‘rechtspleging’) 132
    18. 11.1.1.1.2.2.1 Voor de rechtscolleges 132
    19. 11.1.1.1.2.2.2 De tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten 133
    20. 11.1.1.2 Het Grondwettelijk Hof en de bestuurlijke rechtscolleges 133
    21. 11.1.2 Op deelstatelijk niveau 133
    22. 11.2 De rechtscolleges van de Europese Unie 133
    23. 12. De rechtsbescherming tegen de overheid 133
    24. 12.1 De hiërarchie van de normen 134
    25. 12.1.1 Algemene principes 134
    26. 12.1.2 De bijzondere positie van het internationaal recht 135
    27. 12.1.2.1 Argumenten voor voorrang van het internationaal recht 135
    28. 12.1.2.2 Argumenten voor voorrang van de Grondwet 135
    29. 12.1.2.3 Verzoening tussen de twee standpunten: artikel 34 van de Grondwet 136
    30. 12.2 Rechtstreekse rechtsbescherming 137
    31. 12.2.1 Op het federale niveau 137
    32. 12.2.1.1 Rechtsbescherming tegen de wetgever 137
    33. 12.2.1.1.1 Door elke rechter 137
    34. 12.2.1.1.2 Door het Grondwettelijk Hof 137
    35. 12.2.1.1.2.1 Samenstelling 137
    36. 12.2.1.1.2.2 Bevoegdheden 138
    37. 12.2.1.1.2.2.1 Toetsingsvoorwerp 138
    38. 12.2.1.1.2.2.2 Toetsingsmaatstaf 138
    39. 12.2.1.1.2.3 Toetsingsmogelijkheden 138
    40. 12.2.1.1.2.3.1 Het beroep tot vernietiging 138
    41. 12.2.1.1.2.3.2 De prejudiciële procedure 139
    42. 12.2.1.2 Rechtsbescherming tegen het bestuur 140
    43. 12.2.1.2.1 Vooraf: het onderscheid tussen subjectieve en objectieve geschillen 140
    44. 12.2.1.2.2 Alle rechtscolleges: de exceptie van onwettigheid 141
    45. 12.2.1.2.3 Rechtscolleges bevoegd voor subjectieve geschillen 141
    46. 12.2.1.2.3.1 De hoven en rechtbanken 141
    47. 12.2.1.2.3.2 bepaalde bestuursrechtscolleges 141
    48. 12.2.1.2.4 Rechtscolleges bevoegd voor objectieve geschillen 141
    49. 12.2.1.2.4.1 De Raad van State 141
    50. 12.2.1.2.4.1.1 Samenstelling 142
    51. 12.2.1.2.4.1.2 Bevoegdheden 142
    52. 12.2.1.2.4.1.3 Het beroep tot nietigverklaring 142
    53. 12.2.1.2.4.2 Andere (bestuurs)rechtscolleges 143
    54. 12.2.1.2.5 Enkele bijzondere gevolgen 143
    55. 12.2.1.2.5.1 Keuze tussen de weg van het subjectieve of objectieve geschil? 143
    56. 12.2.1.2.5.2 Onrechtmatigheid van wet én uitvoeringsbesluit? 143
    57. 12.2.1.3 Rechtsbescherming tegen een rechter 144
    58. 12.2.1.4 Bijkomende Europese rechtsbeschermingsmechanismen 144
    59. 12.2.1.4.1 Ter bescherming van de rechten uit het EVRM 144
    60. 12.2.1.4.1.1 Door de beoordeling van een klacht 144
    61. 12.2.1.4.1.2 Door het uitbrengen van een advies 145
    62. 12.2.1.4.2 Ter bescherming van de rechten uit het Europees Unierecht 145
    63. 12.2.2 Op het deelstatelijke niveau 145
    64. 12.2.3 Op het niveau van de Europese Unie 146
    65. 12.2.4 Op het lokale niveau 146
    66. 12.3 Overheidsaansprakelijkheid 146
    67. 12.3.1 Inleiding 146
    68. 12.3.2 Aansprakelijkheid voor een fout van het bestuur 147
    69. 12.3.2.1 De aansprakelijkheidsvordering bij de hoven en rechtbanken 147
    70. 12.3.2.2 De schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State 148
    71. 12.3.3 Aansprakelijkheid voor een fout van de rechter 148
    72. 12.3.4 Aansprakelijkheid voor een fout van de wetgever 148

Infos sur le Document

Publié le
12 juillet 2026
Nombre de pages
150
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€10,09

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
franlievens
5,0
(1)
Vendu
11
Abonnés
0
Éléments
6
Dernière vente
2 semaines de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions