INHOUD
Communicatiemodel
Axioma’s
Waarnemen & interpreteren
Non-verbaal gedrag – luisteren
Samenvatten & parafraseren
Vragen stellen & concretiseren
1. COMMUNICATIEMODEL
1.1 ZENDER & ONTVANGER
Zender Boodschap coderen: gedachten, gevoelens, ervaringen… omzetten in woorden,
gebaren, beelden…
Ontvanger Boodschap decoderen: de ontvanger geeft betekenis aan wat hij/zij ziet/hoort
interpreteert de boodschap
Boodschap ‘wat de zender wil overbrengen aan de ander’: inhoud van de boodschap + de
manier = belangrijk!
Feedback ‘hoe de ontvanger de boodschap begrepen heeft’: d.m.v. woorden, lichaamstaal…
Kanaal Weg waarlangs een boodschap doorgegeven wordt
Medium Datgene dat de zender met de ontvanger verbindt (van A naar B)
VOORBEELDEN
Boodschap: het verlangen om een koekje te krijgen
Gecodeerde boodschap: -met een smachtende blik naar de schaal met koekjes kijken- aan een
tafelgenoot vragen of hij de schaal met koekjes wil doorgeven
Boodschap: gevoel van verdriet
1
, Gecodeerde boodschap: wenen, droevig kijken, zeggen: “ik voel me triest vandaag.”
1.2 REFERENTIEKADER
Referentiekader = gekleurde bril
Door eigen kennis, ervaringen, vooroordelen, overtuigingen, achtergrond, opvoeding…
Gekleurd door zich op de situatie + kijk op de relatie met de ander
Andere betekenissen
Denk eraan dat de ander zijn/haar gekleurde bril draagt. Anders wordt de communicatie lastig
1.3 DE SITUATIE & RUIS
Situatie Ruis
Plaats = op verschillende niveaus in het
Cultuur communicatieschema kan er een verstoring
Wanneer + duur optreden ruis
Met wie
Met welke omstaanders
VERSCHIL INTERNE & EXTERNE RUIS
Interne ruis Externe ruis
= miscommunicatie tussen zender & ontvanger = komt van buiten het communicatieproces
1.4 OEFENING COMMUNICATIEMODEL
Plaats volgende situatie in het communicatiemodel: Je zal als opvoeder aan de ouders van Stef
vertellen dat hij de laatste tijd wat neerslachtig is. Hij lijkt minder plezier te maken dan enkele weken
geleden. Je denkt dat het feit dat de ouders minder vaak op bezoek komen wel eens een oorzaak zou
kunnen zijn voor de gemoedstoestand van Stef.
Zender, ontvanger, kanaal, boodschap, situatie?
Welke feedback kan je als medewerker verwachten?
Welke ruis kan er mogelijks optreden?
Hoe kan het referentiekader (gekleurde bril) van de ouders & van de opvoeder (jezelf) van
invloed zijn op het overbrengen van de boodschap?
Zender:
De opvoeder die de boodschap wil overbrengen aan de ouders van Stef
Ontvanger:
De ouders van Stef die de boodschap ontvangen van de opvoeder
Kanaal:
Mondelinge communicatie (gesprek)
Boodschap:
Stef vertoont de laatste tijd tekenen van neerslachtigheid & lijkt minder plezier te hebben De
opvoeder vermoedt dat de verminderde frequentie van bezoeken van de ouders een
mogelijke oorzaak kan zijn
Situatie:
Het gesprek tussen de ouders & de opvoeder van Stef in de opvang
Feedback die medewerkers kunnen verwachten:
De ouders kunnen bezorgd, verrast, defensief of begripvol reageren afhankelijk van hun
2
, eigen perceptie & ervaringen
Mogelijke ruis:
Misverstanden kunnen ontstaan als de ouders de boodschap anders interpreteren dan
bedoeld. Er kunnen ook externe factoren zijn zoals lawaai in de omgeving
Referentiekader & invloed op boodschap:
Het referentiekader van de opvoeder kan gekleurd zijn door observaties, ervaringen &
kennis over Stef zijn gedrag, dit kan de manier waarop de boodschap geformuleerd wordt
beïnvloeden
Het referentiekader van de ouders kan van invloed zijn op hoe ze de boodschap ontvangen.
Als ze bv. al bezorgd waren over Stef, kan de info anders worden geïnterpreteerd dan
wannneer ze zich niet bewust waren van mogelijke problemen
Culturen & persoonlijke verschillen in interpretatie kunnen ook leiden tot verschillende
percepties van de boodschap
2. AXIOMA’S
2.1 AXIOMA 1: HET IS ONMOGELIJK OM NIET TE COMMUNICEREN
Basisstelling uit de communicatietheorie: Je hebt in een interactie steeds invloed op anderen; tevens
wordt jijzelf ook steeds beïnvloed door deze anderen. Men moet er zich steeds van bewust zijn!
Ieder gedrag = een vorm van communicatie. Omdacht er niet zoiets bestaat als antigedrag = het
onmogelijk om niet te communiceren
Bedoelingenempathie:
Juiste interpretatie, aanvoelen van wat de ander wil zeggen (bedoelt)
Zender:
Correcte zelfexpressie
Letten op het effect van je gedrag op de ander
Rekening houden met de context of situatie
Ontvanger:
Empathie tonen
BESLUIT
3
, Belangrijk dat men zich begrepen voelt
Indien niet: trachten meer invloed uit te oefenen door nadrukkelijker gedrag te stellen
o Bv. aandachtopeisend gedrag kind
Beïnvloeding = steeds wederzijds
o Afstand kunnen nemen (zowel fysiek als emotioneel) = noodzakelijk
2.2 AXIOMA 2: MENSEN BEÏNVLOEDEN ELKAAR ZOWEL VERBAAL ALS NON-
VERBAAL
2 VORMEN VAN COMMUNICATIE
Digitaal: cijfers, letters, tekens verbaal (afspraken!)
o Voorbeelden: vork, 24
Analoog: lichaamstaal, gebaren, intonatie, mimiek… non-verbaal
o Voorbeelden: duim opsteken, Vlaams gebarentaal (VGT), SMOG (spreken met
ondersteuning van gebaren)
BELANGRIJKE ASPECTEN
Westerse cultuur = verbale cultuur
o Jonge kinderen, personen met een verstandelijke beperking eerder analoge
boodschappen (SMOG-gebaren)
Analoge taal = meerduidig
o Lichaamstaal = voor interpretatie vatbaar
Ook digitale taal = veelzijdig & complex
o Als je twijfelt aan de betekenis van de boodschap? zeg wat je ziet + leg de focus
terug bij de ander
Analoge beïnvloeding = nooit uit te schakelen (axioma 1)
CONGRUENTIE
Belang congruentie (WAT je zegt & HOE) & feedback
Wat = digitale
Hoe = analoge
Effectieve communicatie: overeenkomst/congruentie tussen het verbale & non-verbale
2.3 AXIOMA 3: ELKE COMMUNICATIE BEZIT EEN INHOUDS- & EEN
BETREKKINGSASPECT
INHOUD & BETREKKING
2 ladingen in elke boodschap:
Inhoudsniveau
o WAT er gezegd wordt
Betrekkingsniveau
o Betrekkings- (of relatie) aspect zegt iets over HOE je wil dat anderen met je omgaan
Relatieaspect (betrekkingsniveau)
4