infecties
1. Algemeen: FUNGI:
- Spectrum van fungale ziekten:
o Invasieve fungale ziektes
o Allergische syndromen
o Mucosale infecties
o Superficiële infecties (huid, haar, nagels)
- Mortaliteit & ondersteuning gezondheidszorg:
o 2,5 miljoen doden per jaar = schimmelinfecties
Desondanks verwaarloosde topic publiek
gezondheidszorg
Geen vaccins beschikbaar
- Genetische stamboom: 3 domeinen: eukaryoot – bacteria –
archaea
o Fungi & eukaryoten: meer verwant dan fungi & bacteria
Behandeling: aangrijpingspunten: niet bij mens wel
bij fungi
- Fungi:
o 1 cellige schimmels (gisten):
Bestaan uit 1 cel
Vermenigvuldigen zich meestal knopvormig (budding)
Op voedingsbodem vormen ronde, bolvormige
kolonies
o Filamenteuze schimmels (fungi):
Meercellige organismen
Groeien als lange draden & vormen geen aparte
cellen
Wollige & pluizige structuur
o Structuur van schimmels:
Hyfe (hypha) = 1 schimmeldraad
Mmycelium = netwerk van hyfen
Groeit in/of substraat & voedingstoffen uit
opnemen
, - Celwand & celmembraan:
o Ergosterol: celmembraan belangrijk focus antifungale
middelen
o Onderdelen:
(kapsel)
Mannan
Glucanen (bèta 1-3 en bèta
1-6): polymeer van glucose
Chitine
Bèta-1-4-n-acetyl-
glucosamine
- Vergelijken verschillende types:
*Heterotroof: C (koolstof) uit omgeving halen door moleculen af te breken
2. Voortplanting fungi:
- Karakteristieke levenscyclus:
o Aparte onafh sporenvormende seksuele generaties
Zeldzaam in lab
Vroeger basis voor classificatie fungi (nu vooral obv
DNA)
o Aparte onafh sporenvormende aseksuele generaties
, Microscopisch identificatiekenmerk
Knop vorming: afsplitsen individuele cellen of
aangehecht blijven
o Peudohyphae: vernauwing => afsplitsen
o Aseksuele sporen filamenteuze fungi:
Veel sporen vormen:
Microscopische bolletjes: voorkomen in lucht
Normaal niet ziek worden wel bij
immunosuppressief
Sporen overal aanwezig: voedingsbodem in lucht, omgeving, …
- Seksuele sporen:
o Ontstaan door 3 opeenvolgende processen:
PLASMOGAMIE:
Haploïde nucleus van donor cel (+) dringt
binnen in cytoplasma van recipiënt cel (-)
KARYOGAMIE:
Donorcel (+) & recipiënt cel (-) nucleus
versmelten tot diploïde zygote nucleus
MEIOSE: