Internationaal privaatrecht
Examenvorm: schriftelijk, kennis bronnen en begrippen, inzicht in
toepassing ervan door middel van casusposities, d.m.v. meerkeuze- en
open vragen, met gebruik van de bronnen
¨ 10 februari: Inleiding, bronnen, enkele begrippen
¨ 17 februari: Internationale bevoegdheid
¨ 24 februari: Toepasselijk recht
¨ 3 maart: Erkenning en uitvoerbaarheid
¨ 10 maart: Aspecten van grensoverschrijdend procesrecht (digitaal)
¨ 17 maart: Staat en bekwaamheid
¨ 24 maart: Afstamming
¨ 31 maart: Echtscheiding en onderhoud
¨ 21 april: Ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderontvoering
¨ 28 april: Overeenkomsten
¨ 5 mei: Niet-contractuele verbintenissen
IPR nodig bij de regeling van ‘internationale’
rechtsverhoudingen
Grensoverschrijdend (internationaal) element nodig om IPR te
activeren (woonplaats, nationaliteit, plaats handeling (bv.
overeenkomst of levering in het buitenland (OG in het buitenland) ,
ligging goederen,..)
- HvJ 8 februari 2024, C-566/22, Inkreal (twee slowaakse
ondernemingen en hebben een activiteit in slowakije en bepalen dat
tsechische rechter bevoegd is als er tussen hen een geschil rijst (=
bevoegdheidsovereenkomst of forumclausule)
De kredietgever draagt zijn rechten in de overeenkomst over en de
overdrager stelt vast dat de kredietnemer de overeenkomst niet
naleeft en er dus niet meer wordt terugbetaald. Zaak wordt
aanhangig gemaakt bij tsechische rechter en rechter vraagt zich af:
wat is de toepasselijke bron?
Er is een verordening (brussel 1 bis verordening van de EU die
handelt over de internationale bevoegdheid van de rechter in burger
en handelszaken en als die rechter een beslissing neemt (is die
beslissing uitvoerbaar en erkend is in andere landen)
Rechter stelt zich de vraag of het een nationale of internationale
conflict is aan het: activeert niet IPR want zijn beide gebonden aan
1 territorium (slowakije) en kunnen enkel sowaakse rechter
Dus de vraag is wordt het IPR geactiveerd door de keuze voor de
tsechische rechter: HVJ zegt ja dat volstaat en maakt van dat geschil
een IPR geval waarop de brussel 1 bis verordening van toepassing
is. Hof legt nadruk op wilsautonomie, en de rechtszekerheid. Als we
, de toepassing van brussel 1en in het bijzonder de beoordeling van
de vraag welke bronnen gebruiken als we die afhankelijk maken van
bijkomende criteria zou je rechtsonzekerheid in het leven roepen.
Het volstaat dus dat 2 partijen (ook al bevinden ze zich in 1 zelfde
lidstaat) en betreft het voor het overige een nationaal geschil als ze
kiezen samen om het gerecht van een andere lidstaat binnen de EU
bevoegd te maken om van hun geschillen kennis te nemen dat het
dan gaat om het IPR en dat verordening brussel 1 bis uitgangspunt
moet zijn.
IPR handelt over ‘private’ rechtsverhoudingen
Is het nu eigenlijk privaat of publiek recht? Want gaat ook over de vraag:
voor welke gevallen wil je dat je nationale college’s internationale
bevoegdheden opnemen en jouw nationaal recht van toepassing is op
situaties: gaat over hoe je je nationaal domein afbakend tav andere
staten.
En raakt dus op die manier ook aan publiek recht maar in beginsel gaat
het over privaat recht.
Wel wat situaties waar overheden betrokken partijen zijn maar het toch
nog gaat om privaat recht bv omdat OH zich gedraagd als private speller.
Privaatrechtelijke rechtsverhouding met grensoverschrijdend element.
IPR: nationaal recht
Lange tijd was IPR een nationale rechtstak waar staten zelf bepaalden
welke regels van internationale bev ze in het leven riepen.
Maar tegenwoordig regelt EU een groot deel van het internationaal
gedragsrecht
¨ IPR regelt internationale rechtsverhoudingen, maar is nationaal recht
(zie bv. WIPR)
¨ Tenzij eenvormige benadering (met ≠ gradaties)
De grote drie/vier
Dus steeds echt goed kijken bij vraag: in welke van deze vier vragen valt
het?
1. Internationale bevoegdheid
Internationale bevoegdheid: is de belgische rechter internationaal
bevoegd om kennis te nemen van Internationale geschillen. Maar kan
ook gaan over is bv ambtenaar van burgerlijke stand internationaal
bevoegd om een huwelijk te volstrekken
2. Toepasselijk recht (conflictenrecht)
Welk recht is van toepassing?
, 3. Erkenning en uitvoerbaarheid van buitenlandse rechterlijke
beslissingen en authentieke akten
Je hebt bv een huwelijksakte doen tot stand komen, wat moet een
belgische ambtenaar met een deze akte als hij bv een toelating voor
een gezinshereniging te geven
4. Administratieve en gerechtelijke samenwerking
Bv adoptie: samenwerking tussen nationale instellingen maar ook bv bij
bewijsverkrijging wordt ook samengewerkt tussen nationale gerechten
Deze pijler neemt steeds meer toe
Werk- en denkmethode
Eerst bepalen of het gaat om
1. Internationale bevoegdheid
2. Toepasselijk recht
3. Erkenning en uitvoerbaarheid
4. Administratieve/gerechtelijke samenwerking
Dan opletten voor rechtsbronnen op verschillende niveaus
- Internationale verdragen
- Europese regels
- Nationale wetgeving
Primeert verdrag of EU-wetgeving?
(Wat als zowel verdrag als verordening van toepassing bv: welke heeft
voorrang)
- Geen eenduidig antwoord, afhankelijk van het toepasselijk
instrument
- Telkens nagaan in Europese verordeningen
– EU-wetgeving vaak voorrang in de verhoudingen tussen de
lidstaten
De europese wetgever heeft wel in de intracomunautaire
verhouding voorkeur geeft aan de toepassing van de
instrument van de europese unie.
– Bv. Brussel Ibis-Verordening primeert op een aantal
verdragen (art. 69)
– Soms complementair
Europese wetgever gaat soms rond internationaal
verdrag een extra kader te bouwen (bv in internationale
kinderontvoering) om de performantie nog te verbeteren
– Bv. Brussel IIter-Verordening verwijst naar Haags
Kinderontvoeringsverdrag (1980) en vult dit verdrag aan
(art. 22)
Europese bronnen
, ¨ Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU)
¤ EU-bevoegdheid inzake IPR (zie art. 81 VWEU)
¤ ‘Gewone wetgevingsprocedure’, ook voor IPR-
aangelegenheden (m.u.v. familierecht: eenparigheid in de
Raad, zie art. 81.3 VWEU, dit sluit geen nauwere
samenwerking uit, zie art. 326 e.v.)
¤ Uitleggingsbevoegdheid HvJ op verzoek alle gerechten
lidstaten (prej. procedure)
¤ Handvest van de grondrechten juridisch bindend
Overw. 30 Rome III: “Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de
beginselen die zijn erkend bij het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie, en met name bij artikel 21 daarvan, dat elke discriminatie
met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst,
genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere
denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen,
geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid verbiedt. Deze
verordening moet door de rechterlijke instanties van de deelnemende
lidstaten worden toegepast met eerbiediging van deze rechten en
beginselen.”
Artikel 81 VWEU
1. De Unie ontwikkelt een justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, die
berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in
buitengerechtelijke zaken. Deze samenwerking kan maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten omvatten.
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone
wetgevingsprocedure, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt,
maatregelen vast die het volgende beogen:
a)de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in
buitengerechtelijke zaken en de tenuitvoerlegging daarvan;
b)de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken;
c)de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen;
d)samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen;
e)daadwerkelijke toegang tot de rechter;
f)het wegnemen van de hindernissen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door
bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake burgerlijke
rechtsvordering;
g)de ontwikkeling van alternatieve methoden voor geschillenbeslechting;
h)de ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel.
3. In afwijking van lid 2, worden maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen
vastgesteld door de Raad, die volgens een bijzondere wetgevingsprocedure besluit. De Raad besluit met
eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
De Raad kan op voorstel van de Commissie bij besluit vaststellen ten aanzien van welke aspecten van het
familierecht met grensoverschrijdende gevolgen handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen
worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees
Parlement.
Het in de tweede alinea bedoelde voorstel wordt aan de nationale parlementen toegezonden. Indien binnen een
termijn van zes maanden na die toezending door een nationaal parlement bezwaar wordt aangetekend, is het
besluit niet vastgesteld. Indien geen bezwaar wordt aangetekend, kan de Raad het besluit vaststellen.
Europeanisering van het IPR
1. Meer en meer EU-wetgeving in het IPR
2. Beginselen van het EU-recht
3. Rechtspraak van het Europees Hof van Justitie
Examenvorm: schriftelijk, kennis bronnen en begrippen, inzicht in
toepassing ervan door middel van casusposities, d.m.v. meerkeuze- en
open vragen, met gebruik van de bronnen
¨ 10 februari: Inleiding, bronnen, enkele begrippen
¨ 17 februari: Internationale bevoegdheid
¨ 24 februari: Toepasselijk recht
¨ 3 maart: Erkenning en uitvoerbaarheid
¨ 10 maart: Aspecten van grensoverschrijdend procesrecht (digitaal)
¨ 17 maart: Staat en bekwaamheid
¨ 24 maart: Afstamming
¨ 31 maart: Echtscheiding en onderhoud
¨ 21 april: Ouderlijke verantwoordelijkheid en kinderontvoering
¨ 28 april: Overeenkomsten
¨ 5 mei: Niet-contractuele verbintenissen
IPR nodig bij de regeling van ‘internationale’
rechtsverhoudingen
Grensoverschrijdend (internationaal) element nodig om IPR te
activeren (woonplaats, nationaliteit, plaats handeling (bv.
overeenkomst of levering in het buitenland (OG in het buitenland) ,
ligging goederen,..)
- HvJ 8 februari 2024, C-566/22, Inkreal (twee slowaakse
ondernemingen en hebben een activiteit in slowakije en bepalen dat
tsechische rechter bevoegd is als er tussen hen een geschil rijst (=
bevoegdheidsovereenkomst of forumclausule)
De kredietgever draagt zijn rechten in de overeenkomst over en de
overdrager stelt vast dat de kredietnemer de overeenkomst niet
naleeft en er dus niet meer wordt terugbetaald. Zaak wordt
aanhangig gemaakt bij tsechische rechter en rechter vraagt zich af:
wat is de toepasselijke bron?
Er is een verordening (brussel 1 bis verordening van de EU die
handelt over de internationale bevoegdheid van de rechter in burger
en handelszaken en als die rechter een beslissing neemt (is die
beslissing uitvoerbaar en erkend is in andere landen)
Rechter stelt zich de vraag of het een nationale of internationale
conflict is aan het: activeert niet IPR want zijn beide gebonden aan
1 territorium (slowakije) en kunnen enkel sowaakse rechter
Dus de vraag is wordt het IPR geactiveerd door de keuze voor de
tsechische rechter: HVJ zegt ja dat volstaat en maakt van dat geschil
een IPR geval waarop de brussel 1 bis verordening van toepassing
is. Hof legt nadruk op wilsautonomie, en de rechtszekerheid. Als we
, de toepassing van brussel 1en in het bijzonder de beoordeling van
de vraag welke bronnen gebruiken als we die afhankelijk maken van
bijkomende criteria zou je rechtsonzekerheid in het leven roepen.
Het volstaat dus dat 2 partijen (ook al bevinden ze zich in 1 zelfde
lidstaat) en betreft het voor het overige een nationaal geschil als ze
kiezen samen om het gerecht van een andere lidstaat binnen de EU
bevoegd te maken om van hun geschillen kennis te nemen dat het
dan gaat om het IPR en dat verordening brussel 1 bis uitgangspunt
moet zijn.
IPR handelt over ‘private’ rechtsverhoudingen
Is het nu eigenlijk privaat of publiek recht? Want gaat ook over de vraag:
voor welke gevallen wil je dat je nationale college’s internationale
bevoegdheden opnemen en jouw nationaal recht van toepassing is op
situaties: gaat over hoe je je nationaal domein afbakend tav andere
staten.
En raakt dus op die manier ook aan publiek recht maar in beginsel gaat
het over privaat recht.
Wel wat situaties waar overheden betrokken partijen zijn maar het toch
nog gaat om privaat recht bv omdat OH zich gedraagd als private speller.
Privaatrechtelijke rechtsverhouding met grensoverschrijdend element.
IPR: nationaal recht
Lange tijd was IPR een nationale rechtstak waar staten zelf bepaalden
welke regels van internationale bev ze in het leven riepen.
Maar tegenwoordig regelt EU een groot deel van het internationaal
gedragsrecht
¨ IPR regelt internationale rechtsverhoudingen, maar is nationaal recht
(zie bv. WIPR)
¨ Tenzij eenvormige benadering (met ≠ gradaties)
De grote drie/vier
Dus steeds echt goed kijken bij vraag: in welke van deze vier vragen valt
het?
1. Internationale bevoegdheid
Internationale bevoegdheid: is de belgische rechter internationaal
bevoegd om kennis te nemen van Internationale geschillen. Maar kan
ook gaan over is bv ambtenaar van burgerlijke stand internationaal
bevoegd om een huwelijk te volstrekken
2. Toepasselijk recht (conflictenrecht)
Welk recht is van toepassing?
, 3. Erkenning en uitvoerbaarheid van buitenlandse rechterlijke
beslissingen en authentieke akten
Je hebt bv een huwelijksakte doen tot stand komen, wat moet een
belgische ambtenaar met een deze akte als hij bv een toelating voor
een gezinshereniging te geven
4. Administratieve en gerechtelijke samenwerking
Bv adoptie: samenwerking tussen nationale instellingen maar ook bv bij
bewijsverkrijging wordt ook samengewerkt tussen nationale gerechten
Deze pijler neemt steeds meer toe
Werk- en denkmethode
Eerst bepalen of het gaat om
1. Internationale bevoegdheid
2. Toepasselijk recht
3. Erkenning en uitvoerbaarheid
4. Administratieve/gerechtelijke samenwerking
Dan opletten voor rechtsbronnen op verschillende niveaus
- Internationale verdragen
- Europese regels
- Nationale wetgeving
Primeert verdrag of EU-wetgeving?
(Wat als zowel verdrag als verordening van toepassing bv: welke heeft
voorrang)
- Geen eenduidig antwoord, afhankelijk van het toepasselijk
instrument
- Telkens nagaan in Europese verordeningen
– EU-wetgeving vaak voorrang in de verhoudingen tussen de
lidstaten
De europese wetgever heeft wel in de intracomunautaire
verhouding voorkeur geeft aan de toepassing van de
instrument van de europese unie.
– Bv. Brussel Ibis-Verordening primeert op een aantal
verdragen (art. 69)
– Soms complementair
Europese wetgever gaat soms rond internationaal
verdrag een extra kader te bouwen (bv in internationale
kinderontvoering) om de performantie nog te verbeteren
– Bv. Brussel IIter-Verordening verwijst naar Haags
Kinderontvoeringsverdrag (1980) en vult dit verdrag aan
(art. 22)
Europese bronnen
, ¨ Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU)
¤ EU-bevoegdheid inzake IPR (zie art. 81 VWEU)
¤ ‘Gewone wetgevingsprocedure’, ook voor IPR-
aangelegenheden (m.u.v. familierecht: eenparigheid in de
Raad, zie art. 81.3 VWEU, dit sluit geen nauwere
samenwerking uit, zie art. 326 e.v.)
¤ Uitleggingsbevoegdheid HvJ op verzoek alle gerechten
lidstaten (prej. procedure)
¤ Handvest van de grondrechten juridisch bindend
Overw. 30 Rome III: “Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en de
beginselen die zijn erkend bij het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie, en met name bij artikel 21 daarvan, dat elke discriminatie
met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst,
genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere
denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen,
geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid verbiedt. Deze
verordening moet door de rechterlijke instanties van de deelnemende
lidstaten worden toegepast met eerbiediging van deze rechten en
beginselen.”
Artikel 81 VWEU
1. De Unie ontwikkelt een justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, die
berust op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in
buitengerechtelijke zaken. Deze samenwerking kan maatregelen ter aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten omvatten.
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone
wetgevingsprocedure, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt,
maatregelen vast die het volgende beogen:
a)de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten van rechterlijke beslissingen en van beslissingen in
buitengerechtelijke zaken en de tenuitvoerlegging daarvan;
b)de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken;
c)de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor collisie en jurisdictiegeschillen;
d)samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen;
e)daadwerkelijke toegang tot de rechter;
f)het wegnemen van de hindernissen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door
bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen inzake burgerlijke
rechtsvordering;
g)de ontwikkeling van alternatieve methoden voor geschillenbeslechting;
h)de ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel.
3. In afwijking van lid 2, worden maatregelen betreffende het familierecht met grensoverschrijdende gevolgen
vastgesteld door de Raad, die volgens een bijzondere wetgevingsprocedure besluit. De Raad besluit met
eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.
De Raad kan op voorstel van de Commissie bij besluit vaststellen ten aanzien van welke aspecten van het
familierecht met grensoverschrijdende gevolgen handelingen volgens de gewone wetgevingsprocedure kunnen
worden vastgesteld. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees
Parlement.
Het in de tweede alinea bedoelde voorstel wordt aan de nationale parlementen toegezonden. Indien binnen een
termijn van zes maanden na die toezending door een nationaal parlement bezwaar wordt aangetekend, is het
besluit niet vastgesteld. Indien geen bezwaar wordt aangetekend, kan de Raad het besluit vaststellen.
Europeanisering van het IPR
1. Meer en meer EU-wetgeving in het IPR
2. Beginselen van het EU-recht
3. Rechtspraak van het Europees Hof van Justitie