Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Resume

Uitgebreide en volledige samenvatting van het vak farmacologie, bevat zowel partim I als partim II

Note
-
Vendu
-
Pages
184
Publié le
23-06-2026
Écrit en
2025/2026

Uitgebreide en volledige samenvatting van het vak farmacologie, bevat zowel partim I als partim II

Aperçu du contenu

Farmacologie
PARTIM I
Algemeen:
▪ Slides met een rode balk NIET kennen
▪ Slides met een groene balk zijn samenvattende slides
▪ Geneesmiddelen die in het vetgedrukt staan zijn te kennen

H1 Farmacodynamiek
1.1 PK & PD bepalen biologisch effect

▪ Wanneer een geneesmiddel (GM) ingenomen wordt, komt deze in een weefsel terecht met een bepaalde
concentratie waarbij hoe meer GM aanwezig is, hoe groter het effect = farmacodynamische respons
(sigmoïdale curve)
▪ Farmacodynamiek (PD) is gelinkt met farmacokinetiek (PK) → GM moet eerst in het bloed komen om
verdeeld te worden naar de verschillende (doel)weefsels
o Op t = 0 wordt GM gegeven/toegediend
o I.f.v. de tijd zal er eerst meer GM in het bloed komen, er wordt een maximum bereikt om
vervolgens afname van GM in het bloed te hebben
o Uiteindelijk wordt GM afgebroken en uit het lichaam uitgescheiden

▪ PK en PD bepalen het effect i.f.v. de tijd en hoe lang en efficiënt een GM zal werken
o Zo weten we hoe vaak een GM gegeven moet worden
o Effect is gebaseerd op reversibele interactie maar er kunnen ook irreversibele interacties optreden =
GM is permanent gebonden aan receptor




Dia 7: geen examenleerstof!




1.2 Wat is een geneesmiddel?

Er zijn verschillende ‘vormen’ van geneesmiddelen:
▪ Conventionele geneesmiddelen = ‘small molecules’ met een grootte van 400 Da (g/mol)
o Worden oraal ingenomen
o Niet sterk specifiek
o Bv.: Aspirine (NSAID), Crestor (syntenische statine)

▪ Biologicals = insuline, antilichamen
o Worden vaak ingespoten
o Blijven vaak ook langer in het lichaam
o Werken specifieker
o Bv.: pembrolizumab

▪ 'Mab' = monoklonale antilichamen

In de cursus gaan we vooral spreken over conventionele geneesmiddelen
1

,1.3 Aangrijpingspunten van geneesmiddelen

Farmacodynamiek onderzoekt hoe en waar een geneesmiddel werkt in een organisme
Geneesmiddelen kunnen onderverdeeld worden in farmaca met specifieke of met weinig specifieke werking

Niet-specifiek Specifiek (meeste GM)
- Simpele fysisch-chemische werking - Verschillende aangrijpingspunten:
- Grote hoeveelheden nodig voor effect o Receptoren
- Voorbeelden: o Ionkanalen
o Antacida o Opnamesystemen (transportermoleculen)
o Bulklaxativa (vocht ophouden) o Enzymen
o Osmotische diuretica o (Gentherapie)
o Actieve koolstof - Minder ongewenste effecten
o Plasmavervangers

Voorbeeld: inhibitie van zuursecretie

Verhoogde productie van protonen → zorgt voor een te lage pH

Drie strategieën om dit aan te pakken:
1. Protonen neutraliseren
a. De zure moleculen (protonen) kunnen geneutraliseerd worden door maagzouten toe te voegen
zoals antacida (bv. natriumbicarbonaat)
b. Nadeel van antacida: grote hoeveelheden nodig

2. Beschermende laag vormen, bv.: sukralfaar of alginaat
a. Sukralfaat = polymeer dat een beschermende laag op maagwand legt
b. Alginaat = polysacharide dat voor een beschermende, drijvende laag die maag beschermd door
schuimlaag erop te zetten

3. H+ productie verminderen
a. Gericht ingrijpen op regulatie van zuursecretie, bv. via:
i. H₂-receptorantihistaminica → blokkeren histamine-gestimuleerde zuurproductie
ii. Protonpompremmers (PPI’s) → remmen de H⁺/K⁺-ATPase (protonpomp)

Chemische selectiviteit

De 3D ruimtelijke conformatie v/e geneesmiddel bepaalt de binding (affiniteit) met zijn doelwit
 De chemische selectiviteit heeft te maken met de ruimtelijke configuratie

▪ Voorbeeld: angiotensine II → heeft een bepaalde ruimtelijke configuratie
o Peptide met 8 AZ
o Als er 1 AZ wordt afgesplitst is het niet meer actief
▪ Alle AZ in het peptide zijn L-aminozuren dus als we er D-aminozuren van zouden maken, is
het ook niet meer actief (want andere ruimtelijke configuratie)
o DUS: ruimtelijke conformatie is belangrijk en bepaalt de chemische reactiviteit

Dit hoofdstuk is vooral gericht op geneesmiddelen die inwerken op receptoren
 Veel farmaca stimuleren receptoren (agonisten) of blokkeren hun werking (antagonisten)

Biologische specificiteit

Biologische specificiteit wordt bepaald door verschillen in expressie van receptoren (of andere aangrijpingspunten)
 Willen niet dat het geneesmiddel zomaar in heel het lichaam gaat werken

▪ Angiotensine II receptoren komen veel voor in het cardiovasculair systeem zoals bloedvaten
o In bloedvatten zitten gladde spiercellen die zorgen voor vasoconstrictie/dilatatie
o Angiotensine II medieert contractie van gladde spiercellen (GSC) in bloedvaten
2

, ▪ Angiotensine II blokkers worden toegepast bij hypertensie

▪ Angiotensine II receptoren komen niet voor op de gladde spieren t.h.v. het gastro-intestinaal systeem
o Angiotensine II gaat dus géén invloed hebben op het GI-systeem

▪ Adrenaline
o Distributie van 𝛼- en 𝛽-adrenerge receptoren hebben een specifieke verdeling → effecten zijn
gedifferentieerd over verschillende orgaansystemen
▪ Bronchi/longen: dilatatie
▪ Bloedvaten: contractie en dilatatie

1.4 Mogelijke aangrijpingspunten

Overzicht

▪ Voor elk GM nagaan waarop het werkt → receptor, ion kanalen, enzym, transporter…
▪ Nomenclatuur:
o Agonist/antagonist bij receptoren
o Blokker/modulator bij ion kanalen
▪ Ion kanalen VS ionotrope receptoren
• Zuivere ion kanalen waarbij de trigger voor opening een verschil in de
membraanpotentiaal is
• Trigger voor opening van ionotrope receptoren is een ligand of agonist dat gaat
binden

o Inhibitoren/pro-drugs bij enzymen
▪ Een pro-drug wordt eerst geactiveerd in de lever, om omgezet te wordt tot een actieve
drug in het lichaam

o Inhibitoren bij transporters




Receptoren: classificatie

Receptoren zijn sensoren voor bepaalde moleculen (hormonen, neurotransmitters, mediatoren, etc.) die chemische
communicatie tussen cellen mogelijk maken (cf. lichtschakelaar)

Ze hebben een grote chemische en biologische selectiviteit (cf. sleutel/slot) en kunnen op grond van hun wer-
kingsmechanisme in 4 klassen onderverdeeld worden:
1. Ligand-gated ion kanalen
a. = ionotrope receptoren
b. Binding van ionen kan zorgen voor depolarisatie of hyperpolarisatie v/d cel
c. Zeer snelle reactietijd (milliseconden)
d. Bv. nicotinerge receptoren = receptoren voor ACh die in het CZS voorkomen maar ook belangrijk
zijn in het AZS voor het doorgeven v/d zenuwprikkels t.h.v. de ganglia

2. G-proteine gekoppelde receptoren (GPCR) = metabotrope receptoren
a. Tragere reactietijd (seconden)
3

, b. Bv. adrenerge receptoren → mediëren effecten van adrenaline

3. Kinase gekoppelde receptoren
a. Fosforyleert rechtstreeks bepaalde eiwitten
b. Heel trage reactietijd (uren) doordat ze interfereren met gentranscriptie

4. Nucleaire receptoren
a. Intracellulaire receptor
b. Na binding zal het receptor-agonist complex naar de celkern diffunderen en daar DNA-transcriptie
beïnvloeden
c. Heel trage reactietijd (uren) doordat ze interfereren met gentranscriptie




G-eiwit receptoren: Gq, Gs en Gi subunits

GPCR’s koppelen extracellulaire signalen (zoals adrenaline/noradrenaline) aan intracellulaire second messengers

We onderscheiden verschillende subtypes:
 Gq: zorgt voor activatie van phospholipase C: gaat PIP2 omzetten tot DAG & IP3
o Gq is gekoppeld aan een α1-adrenerge receptor
o IP3 zorgt ervoor dat Ca2+ uit SER vrijgesteld wordt dat via voltage gated calcium kanalen (VGCC),
zorgt voor een instroom van calcium
▪ GEVOLG: potentiaal over het membraan verandert → bijkomende Ca2+ instroom
o Deze verhoging van calcium zorgt ervoor dat MLCK (myosine light chain kinase) wordt
gefosforyleerd
▪ RESULTAAT: contractie van gladde spiercel

 Gs: stimuleert adenylaatcyclase, die ervoor zorgt dat ATP omgezet wordt tot cAMP
o Werking van cAMP hangt af van in welke cel je je bevindt
▪ Hartspier (𝛽1 ): ↑ Ca²⁺-instroom → ↑ contractiekracht + ↑ exciteerbaarheid
▪ CZS-neuronen: ↑ excitatie
▪ Gladde spiercellen (𝛽2 ): cAMP → inhibitie van Ca²⁺-instroom → relaxatie
• 𝛽-adrenerge receptoren zijn
positief gekoppeld (Gs)

 Gi: gekoppeld om α2-receptoren → remming van
adenylaatcyclase = auto-inhibitie
o Zorgt voor een daling van cAMP




4

École, étude et sujet

Infos sur le Document

Publié le
23 juin 2026
Nombre de pages
184
Écrit en
2025/2026
Type
RESUME
€12,16
Accéder à l'intégralité du document:

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Faites connaissance avec le vendeur

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
hannahgastmans1 Universiteit Antwerpen
Voir profil
S'abonner Vous devez être connecté afin de suivre les étudiants ou les cours
Vendu
48
Membre depuis
1 année
Nombre de followers
0
Documents
20
Dernière vente
2 mois de cela

3,8

8 revues

5
1
4
4
3
3
2
0
1
0

Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions