Deel 1: De Standenmaatschappij (vervolg Ancien Régime)
De standenmaatschappij vs. de huidige maatschappij
Ancien Régime Vandaag
Geïndividualiseerde
Maatschappij ingedeeld in groepen/standen
maatschappij
Rechtsongelijkheid: sommige groepen hebben Rechtsgelijkheid: iedereen is
voorrechten, anderen zijn rechteloos gelijk voor de wet
Geen individuele vrijheid Individuele vrijheid als grondrecht
Rechtsgelijkheid = iedereen is gelijk voor de wet. Dit is een fundamenteel beginsel
van de rechtsstaat. Vandaag is er bezorgdheid dat autoritaire leiders (bv. Trump)
deze beginselen proberen te ondermijnen.
De organische maatschappij
Men noemde de standenmaatschappij een organische maatschappij, omdat men
de samenleving vergeleek met een lichaam:
Elk orgaan heeft zijn eigen vaste functie (hart pompt bloed, longen
ademen, ...).
Een orgaan verandert niet van plaats of functie → anders word je ziek.
Zo ook in de maatschappij: elke groep heeft een vaste plaats en functie die
men levenslang behoudt.
Ben je arm geboren → je blijft arm. Ben je rijk geboren → je blijft rijk.
Sommige ideologen (o.a. fascisten in de jaren 1930) prezen deze samenleving aan
als een ordentelijke, hiërarchische en gezonde samenleving.
Het katholieke lotsdenken
Het organische denken spoorde perfect met het katholieke lotsdenken:
Een gelovige aanvaardt zijn lot op aarde, omdat de aarde geschapen is naar
Gods wil.
, Je positie op aarde kan je niet veranderen — maar wel in het hiernamaals,
als je leeft naar de wil van God.
Vergelijk: moslims zeggen "insjallah" (als God het wil) → gelijkaardig principe.
Belangrijk onderscheid: Verwar het katholieke lotsdenken niet met de
predestinatieleer (bij protestanten/calvinisten). Bij de predestinatieleer ligt je lot al
vast vóór je geboorte en kan je het nooit veranderen. Bij het katholieke lotsdenken
kan je positie wél veranderen, maar pas in het hiernamaals.
Het geocentrische wereldbeeld
Het organische denken en het lotsdenken sloten ook aan bij het toenmalige
wetenschappelijke denken: het geocentrisch wereldbeeld (12e–15e eeuw):
De aarde staat centraal in de kosmos en is onbeweeglijk en
onveranderlijk.
De hemellichamen bewegen rond de aarde → zij zijn wel veranderlijk en
beweeglijk.
Dit sluit perfect aan bij:
Organisch denken: je positie op aarde verandert niet (= aarde is
onveranderlijk).
Lotsdenken: je positie kan veranderen in het hiernamaals (= hemellichamen
zijn wel beweeglijk).
→ Het denken over de kosmos, het lotsdenken en de organische maatschappijvisie
versterkten elkaar volledig.
Drie redenen waarom de massa haar lot aanvaardde
1. Angst
Angst om vervolgd of bestraft te worden als men tegen de katholieke leer
inging.
Er bestond geen vrijheid van meningsuiting en geen godsdienstvrijheid.
Het katholicisme was de enige toegelaten godsdienst.
2. Onwetendheid
Het overgrote deel van de bevolking was niet geschoold en ongeletterd.
De wetenschap was nog niet ver genoeg gevorderd om het geocentrische
wereldbeeld te weerleggen.
, Angst en onwetendheid samen maken mensen makkelijk manipuleerbaar en
beklemmen hen.
3. Besef van vergankelijkheid
De meeste mensen werden niet ouder dan 40 jaar en niet groter dan 1,50m.
Enorme kindersterfte (helft van de kinderen stierf bij de geboorte).
Veel ondervoeding en ziekte.
Door dit sterk besef van sterfelijkheid richtten mensen hun blik op het
hiernamaals en de eeuwigheid.
Het aardse leven was bijzaak; het hiernamaals was de hoop.
Vandaag is dit omgekeerd: mensen richten zich veel meer op het heden ("the
sky is the limit").
Dit verklaart ook de kunst uit die periode: schilders zoals Jheronimus Bosch
schilderden fantasierijke, bombastische taferelen vol verdoemenis, hel en eeuwigheid
— een weerspiegeling van de tijdsgeest. Omdat de wetenschap nog beperkt was en
angst sterk leefde, speelde de fantasie een grote rol in de kunst.
De drie standen
Stand 1: De Geestelijkheid (de Clerus)
De belangrijkste en meest bevoorrechte stand.
Bestond uit: pastoors, bisschoppen, diakens, kardinalen én talrijke
kloosterorden (Dominicanen, Benedictijnen, Trappisten, Cisterciënzers,
Minderbroeders, ...).
Religie was zeer sterk aanwezig in het straatbeeld: geestelijken liepen in vol
ornaat over straat.
De clerus genoot financiële voorrechten: kloosterorden die producten
verkochten op markten betaalden geen belastingen.
De paus van Rome beschouwde zichzelf als de plaatsvervanger van God op
aarde → dit rechtvaardigde de bevoorrechte positie van de clerus.
De kerk had een sterk elitair karakter ("wij staan hoger dan het volk"), wat
mede verklaart waarom de kerk zo verkrampt reageerde op het
misbruikschandaal.
Stand 2: De Adel
Verschillende soorten adel:
o Ridderadel: streden in opdracht van vorsten en de kerk.
, o Landadel (kasteelheren): hadden monopolie op jacht en visvangst,
beschikten over lijfeigenen (mensen die aan een domein gebonden
waren en voor de heer moesten werken in ruil voor bescherming).
o Hofadel: verbonden aan het paleis/hof van de koning.
De adel verkreeg zijn positie door geboorterecht (erfrecht): van vader op
zoon/dochter.
Zowel de kerk als de adel kregen hun voorrechten grotendeels in de
schoot geworpen — ze verdienden ze niet zelf.
Zowel de kerk als de adel waren heer en meester op het platteland.
Stand 3: De Stedelijke Burgerij (middenklasse)
De stedelijke burgerij ontstond in de steden (Brugge, Gent, Ieper, Antwerpen,
Italiaanse steden) om drie redenen:
1. Eigen verdiensten: ambachtslieden (diamantbewerkers, tapijtmakers,
lakenmakers...), kunstenaars en architecten (Jan van Eyck, Rogier van der
Weyden), kooplieden, bankiers en scheepvaartmakelaars werkten zich op
door eigen talent en inzet.
2. Rijkdom van de steden door handelskapitalisme: door overzeese handel
via de Middellandse Zee en Atlantische Oceaan werden steden enorm rijk. De
helft van de stedelingen was zelfs geletterd — uitzonderlijk voor die tijd.
3. Stedelijke autonomie: steden waren echte stadstaten — volledig
afgebakend van het platteland door muren, poorten en tolgrenzen. Ze hadden
een eigen leger, een eigen muntsysteem en een eigen bestuur.
o Voorbeeld: Het Belfort in Gent werd even hoog gebouwd als de Sint-
Baafskathedraal → symbolisch bewijs van de rijkdom en
zelfstandigheid van de stad tegenover de kerk.
De stedelijke burgerij werd later een vooruitstrevende kracht die dynamischer
dacht, verandering wilde en de standenmaatschappij begon uit te dagen, wat
uiteindelijk bijdroeg aan de overgang naar een meer gemoderniseerde samenleving.
De samenwerking tussen Kerk en Staat
Gezamenlijke legers: kerk en vorsten trokken samen ten strijde tegen
vijanden (moslims, protestanten, andersgelovigen).
De inquisitie: verdachten (afvalligen, andersgelovigen) werden ondervraagd
én gefolterd. De beul was een vertegenwoordiger van de stad, maar handelde
in opdracht van de kerk.