PPT 1: Inleiding
• Prikkel (bv. pijnprikkel, tastprikkel, dorst, …) à zenuw à spier
• Uittrekking à meer kracht
• Krachtontwikkeling is afhankelijk van de gewrichtshoek
Bv. optrekken gaat makkelijker wanneer je voorbij een bepaald punt bent
• Houding of beweging à spierkracht
Altijd prikkeling van zenuwen zodat je spieren opspannen (ook in je slaap)
• Musculoskeletaal stelsel à mechanische belasting
• Bestuderen van mechanische eigenschappen à van beenderen, ligamenten,
pezen en spieren
• Complexe systeem van een gewricht
• Krachttraining en de relatie van kracht en snelheid
Grondslagen
Organisatie
• Moleculen à uit atomen (4 macromolecules in lichaam)
o Koolhydraten (suiker)
o Lipiden (vetten)
o Proteïnen (eiwitten)
o Nucleïnezuren (bouwstenen van DNA)
• Cellen à uit moleculen
o Cellen
o Organellen (= inhoud van de cellen)
• Weefsel à uit cellen
o Epitheel: buitenste laag van een bepaald weefsel
o Bindweefsel: houdt zaken bij elkaar, bv. litteken (= 2 stukken huid bij elkaar houden)
o Spierweefsel
o Neuronen (synoniem voor zenuw)
• Organen à uit weefsels
o Gemaakt uit > 1 type weefsel
• Systemen à uit organen
o 11 systemen in het menselijk lichaam
• Organisme à uit systemen
• Atomen en ionen
o Atoom: atomen bij elkaar = molecule bv. H2O
o Ion: het geladen deel
• Door diVerentiatie hebben ze specifieke functies
• Gemeenschappelijke kenmerken
o Eiwitmetabolisme
1
, § Er wordt continue herstelt (nagels, haar, huidcellen, …) à wordt
minder naarmate de leeftijd
o Energiemetabolisme
§ We doen ENKEL iets als we ATP hebben à alles wat we opeten is
om ATP aan te maken
o Chemische samenstelling
§ Elke cel bevat veel intracellulair vocht en is omgeven door
extracellulair vocht; deze vloeistoVen maken transport van stoVen
mogelijk (bv. afval via vocht naar buiten)
• 3 compartimenten (stofwisseling!): EX
o Intracellulair
o Bloedplasma
o Interstitiële vloeistof
De homeostase
• Het constant houden van de chemische samenstelling en de fysische
eigenschappen van de interstitiële vloeistof (EX)
• Celmetabolisme: continu stoVen opnemen uit en stoVen afgeven in de
interstitiële vloeistof
• Uitwisseling van stoVen ter hoogte van de capillairen (nergens anders!)
• Wanneer homeostase niet bewaard wordt, sterven je cellen af
Integratiemechanismen van het lichaam (coördinatie)
• Coördinatie van de vele gespecialiseerde celgroepen, respectievelijk organen
• Zinvolle integratie in het geheel (organisme)
• Doel = homeostase reguleren
• Coördinatie tussen deze verschillende organen via:
o Het zenuwstelsel = snelste
o Het endocrien stelsel = hormonen, via bloedbaan: trager maar preciezer
2
,Het zenuwstelsel
• Informatie tussen de organen en het centraal zenuwstelsel
(= hersenen met hersenstam en ruggenmerg)
• Dit is een snelle overdracht van signalen, van informatie
• Vegetatief zenuwstelsel = autonoom zenuwstelsel
o Reguleert hoofdzakelijk bloedsomloop, inwendige
organen, geslachtsfuncties, …
o Moet je niet bij nadenken
• Somatisch zenuwstelsel
o Regulatie skeletmusculatuur + signalen van zintuigen
o Bv. spreken, wandelen, fietsen, drinken, …
Controlemechanismen op 3 niveaus
1. Intracellulair (bv. celdeling)
2. Orgaan (bv. concentratie O2)
3. Organisme (zenuwstelsel en hormonen)
Controle
• NEGATIEVE FEEDBACK
• Het oorspronkelijk, opwekkend signaal wordt door het
antwoord van de signaalontvanger (receptor) weer verminderd
• Wordt continue gecheckt en bijgestuurd door je lichaam
De celstructuur
Celkern (nucleus)
• Dubbele membraan
• Perinucleaire ruimte
o Ruimte tss het membraan
• Poriën
• Chromatinenetwerk
o X- en Y-chromosomen
• Nucleolus
DNA, RNA
1. De vertaling van 1 DNA-streng via een mRNA is een kopie van de
informatie in de DNA-streng nodig om een eiwit aan te maken
2. DNA bevat de informatie nodig om eiwitten te produceren
3. De mRNA verlaat de kern via de poriën en gaat naar een ribosoom
4. Aminozuren (AZ), bouwstenen van eiwitten, worden met carriers
naar de ribosomen gebracht
5. In het proces van de vertaling zal de informatie die mRNA bezit
gebruikt worden om het aantal, de soort en de volgorde van de AZ
te bepalen in de polypeptideketen
3
, Het endoplasmatisch reticulum
• Netwerk van kanalen tussen de kernporiën en de celwand
• Dubbel membraan zoals kern
• Ribosomen à eiwitproductie of cytoplasma eiwitten
• Vesikels = blaasjes
• GER (= glad endoplasmatisch reticulum) à productie vetten (membraan)
• RER (= ruw ER)
Exocytose
Het Golgi-apparaat
• 6-tal platte schillen
• Gepolariseerd
• Dubbel membraan
• Vesikels
• Exocytose: iets van in de celkern naar buiten brengen
(ex = buiten)
Mitochondriën
• In cytoplasma
• Boonvormig
• Energieleveranciers van de cel
• Enzymen (versnellen processen)
o Afbreken grondstoVen
o Verdere afbraak tot ATP
Lysosomen
• Éénlagig membraan
• Zure hydrolasen voor vertering
o Endocytose substraat met
lysosoom (a)
o Endocytose eigen materie en
lysosoom (b)
Celmembraan
• Dubbele laag fosfolipiden:
o Fosfolipiden: hydrofiele (waterlover) en hydrofobe (waterafstotend) pool
§ Hydrofiele kop
§ Hydrofobe staart
o Cholesterol: maakt membraan een beetje stijver
o Proteïne: zorgt voor de mogelijkheid van transport door het membraan
o Koolhydraten: herkenningspunten voor cellen en organismen
4