Samenvatting bouwrecht
LES 01: RUIMTELIJK - OMGEVINGSBELEID
Inleiding
Ruimtelijk beleid behoort tot de kern van het bouwrecht en de ruimtelijke
ordening. Het gaat over de manier waarop de overheid probeert de inrichting
en ontwikkeling van de ruimte te sturen. Vandaag lijkt het vanzelfsprekend
dat er regels bestaan over waar men mag bouwen, wonen, werken of natuur
behouden, maar dat is historisch gezien een vrij recente ontwikkeling.
In deze eerste les wordt uitgelegd waarom ruimtelijk beleid ontstaan is,
welke maatschappelijke problemen eraan ten grondslag liggen en hoe dit
uiteindelijk geleid heeft tot de eerste Belgische regelgeving inzake
ruimtelijke ordening.
Slide 1 – Overzicht van de les
Deze eerste les behandelt vijf grote thema's:
1. Kennismaking en voorstelling van de lessenreeks.
2. Waarom ruimtelijk beleid noodzakelijk is.
3. De Stedenbouwwet van 1962 en de gewestplannen.
4. De evolutie van de planning in Vlaanderen.
5. De situatie in Brussel en Wallonië.
Deze onderwerpen vormen samen de historische basis van het huidige
systeem van ruimtelijke ordening.
Slide 6 – Overgang
Vanaf hier begint het inhoudelijke deel van de les: waarom bestaat ruimtelijk
beleid eigenlijk? Dat lijkt vandaag vanzelfsprekend, maar historisch gezien
ontstond ruimtelijke ordening pas toen bepaalde maatschappelijke
problemen zich begonnen voor te doen.
Slide 7 – België als versnipperd landschap
De cartoon op deze slide verwijst naar een bekend kenmerk van België: de
zeer verspreide bebouwing. België wordt vaak omschreven als een van de
meest versnipperd bebouwde landen ter wereld. Woningen, bedrijven,
lintbebouwing en infrastructuur liggen verspreid over het volledige
grondgebied. Dit fenomeen vormt één van de belangrijkste redenen waarom
,ruimtelijk beleid noodzakelijk werd. De overheid moet immers keuzes maken
over hoe de schaarse ruimte gebruikt wordt.
Slide 8 – Eerste vormen van ruimtelijk beleid in de 19e eeuw
De eerste sporen van ruimtelijk beleid vinden we al in de vroege
negentiende eeuw. Op dat moment beperkt het beleid zich voornamelijk tot
grote steden.Bekende voorbeelden zijn:
Haussmann in Parijs. Baron Haussmann voerde in Parijs grootschalige
stadsvernieuwingen door:
brede boulevards;
nieuwe pleinen;
betere hygiëne;
betere verkeersdoorstroming.
Besme in Brussel: Victor Besme ontwierp uitbreidingsplannen voor Brussel
waarbij eveneens aandacht werd besteed aan infrastructuur, openbare
ruimte en stedelijke ontwikkeling. Volgens de lesnotities begon de overheid
hier voor het eerst actief te bepalen hoe het landschap eruit moest zien. De
doelstellingen waren onder meer:
esthetiek;
gezondheid;
veiligheid;
orde in de groeiende stad.
De overheid laat de ontwikkeling dus niet langer volledig spontaan verlopen,
maar begint richtlijnen en randvoorwaarden op te leggen.
Slide 9 – Uitbreiding van het beleid naar het hele land
Aanvankelijk richtte ruimtelijk beleid zich enkel op steden. Later ontstond
echter de noodzaak om ook het platteland te sturen. Volgens de lesnotities
hangt dit samen met de Belgische wooncultuur. Mensen wilden niet
uitsluitend in steden wonen. Daardoor begon de bebouwing zich steeds
verder uit te spreiden over het platteland. Ruimtelijke planning moest zich
dus uitbreiden van een stedelijk instrument naar een instrument voor het
volledige grondgebied.
Slide 10 – De industrialisering als maatschappelijk probleem
Op het einde van de negentiende eeuw kende België een sterke
industrialisering. Voor de politieke en economische elites werd deze periode
als bedreigend ervaren. Er waren verschillende problemen:
2
,Sociale onrust: Het socialisme en communisme wonnen aan invloed.
Vakbonden ontstonden en arbeiders begonnen zich te organiseren.
Slechte woonomstandigheden: In arbeiderswijken leefden veel mensen dicht
opeengepakt. Daardoor ontstonden epidemieën en gezondheidsproblemen.
Morele problemen: De elite associeerde de stedelijke arbeidersbuurten met:
prostitutie;
alcoholmisbruik;
criminaliteit;
incest.
Volgens de lesnotities vreesde men dat de slechte levenskwaliteit in de
steden gewone burgers zou afschrikken. De overheid begon daarom te
zoeken naar manieren om deze problemen te beheersen.
Slide 11 – Belgische oplossing: arbeiders naar het platteland
België koos voor een bijzondere strategie. In plaats van grote sociale
wooncomplexen in steden te bouwen, probeerde men arbeiders naar het
platteland te laten verhuizen. Daarachter zaten twee doelstellingen.
1. Sociale rust: Men dacht dat eigenaars minder geneigd zijn om tegen het
bestaande systeem in opstand te komen. Volgens de lesnotities werd
letterlijk geredeneerd dat iemand met eigendom conservatiever wordt en
minder revolutionaire ideeën ontwikkelt.
2. Gezondere leefomgeving: Het platteland werd gezien als gezonder,
rustiger en moreel beter dan de industriële stad.
Om dit mogelijk te maken ontwikkelde men: Mobiliteitsbeleid ->
Buurtspoorwegen maakten het platteland bereikbaar voor arbeiders.
Woonbeleid -> Men stimuleerde eigendomsverwerving door arbeiders.
Deze combinatie zou een enorme invloed hebben op de latere ruimtelijke
ontwikkeling van België.
Slide 12 – Buurtspoorwegen
De kaart toont het uitgebreide netwerk van buurtspoorwegen. De bedoeling
was dat arbeiders rond de stations zouden wonen en dagelijks naar hun werk
konden reizen. Hier ligt de oorsprong van veel verspreide bebouwing in
3
, België. In plaats van concentratie in steden stimuleerde de overheid bewust
spreiding over het grondgebied.
Slide 13 – Evolutie naar een wegennetwerk
Later werd het buurtspoorwegennet vervangen door een uitgebreid
wegennet. Daardoor werd verspreid wonen nog gemakkelijker. De
combinatie van:
eigendomsverwerving,
autogebruik,
verspreide bebouwing,
zou uiteindelijk leiden tot het typische Belgische woonmodel.
Slide 14 – Wet op de Arbeidershuisvesting van 1889
Een cruciaal moment is de Wet op de Arbeidershuisvesting van 1889. Dit
creert een model van goedkope eigendomswoningen als vorm van ‘sociale
woningen’. Deze wet stimuleerde eigendomsverwerving (officiele eigenaar
van een goed) door arbeiders. Dat gebeurde via:
goedkope leningen;
spaarboekjes;
belastingvoordelen;
huisvestingsmaatschappijen.
Volgens de lesnotities werd sparen voor een woning fiscaal beloond. Tussen
1889 en het midden van de twintigste eeuw werden ongeveer 300.000
woningen gesubsidieerd. De meeste daarvan werden buiten de steden
gebouwd. Hier ontstaat het bekende Belgische model:
1 perceel = 1 huis = 1 eigenaar = 1 gezin
Dit model vraagt relatief veel ruimte en infrastructuur en ligt mee aan de
basis van de huidige ruimtelijke versnippering.
Slide 15 – Wet De Taeye (1948)
Na de Tweede Wereldoorlog werd dezelfde beleidslijn verdergezet via de Wet
De Taeye. Bouw van goedkope woningen na de oorlog via premies. Deze wet
voorzag:
bouwpremies;
voordelige leningen;
financiering tot 90% van de bouwkost.
4
LES 01: RUIMTELIJK - OMGEVINGSBELEID
Inleiding
Ruimtelijk beleid behoort tot de kern van het bouwrecht en de ruimtelijke
ordening. Het gaat over de manier waarop de overheid probeert de inrichting
en ontwikkeling van de ruimte te sturen. Vandaag lijkt het vanzelfsprekend
dat er regels bestaan over waar men mag bouwen, wonen, werken of natuur
behouden, maar dat is historisch gezien een vrij recente ontwikkeling.
In deze eerste les wordt uitgelegd waarom ruimtelijk beleid ontstaan is,
welke maatschappelijke problemen eraan ten grondslag liggen en hoe dit
uiteindelijk geleid heeft tot de eerste Belgische regelgeving inzake
ruimtelijke ordening.
Slide 1 – Overzicht van de les
Deze eerste les behandelt vijf grote thema's:
1. Kennismaking en voorstelling van de lessenreeks.
2. Waarom ruimtelijk beleid noodzakelijk is.
3. De Stedenbouwwet van 1962 en de gewestplannen.
4. De evolutie van de planning in Vlaanderen.
5. De situatie in Brussel en Wallonië.
Deze onderwerpen vormen samen de historische basis van het huidige
systeem van ruimtelijke ordening.
Slide 6 – Overgang
Vanaf hier begint het inhoudelijke deel van de les: waarom bestaat ruimtelijk
beleid eigenlijk? Dat lijkt vandaag vanzelfsprekend, maar historisch gezien
ontstond ruimtelijke ordening pas toen bepaalde maatschappelijke
problemen zich begonnen voor te doen.
Slide 7 – België als versnipperd landschap
De cartoon op deze slide verwijst naar een bekend kenmerk van België: de
zeer verspreide bebouwing. België wordt vaak omschreven als een van de
meest versnipperd bebouwde landen ter wereld. Woningen, bedrijven,
lintbebouwing en infrastructuur liggen verspreid over het volledige
grondgebied. Dit fenomeen vormt één van de belangrijkste redenen waarom
,ruimtelijk beleid noodzakelijk werd. De overheid moet immers keuzes maken
over hoe de schaarse ruimte gebruikt wordt.
Slide 8 – Eerste vormen van ruimtelijk beleid in de 19e eeuw
De eerste sporen van ruimtelijk beleid vinden we al in de vroege
negentiende eeuw. Op dat moment beperkt het beleid zich voornamelijk tot
grote steden.Bekende voorbeelden zijn:
Haussmann in Parijs. Baron Haussmann voerde in Parijs grootschalige
stadsvernieuwingen door:
brede boulevards;
nieuwe pleinen;
betere hygiëne;
betere verkeersdoorstroming.
Besme in Brussel: Victor Besme ontwierp uitbreidingsplannen voor Brussel
waarbij eveneens aandacht werd besteed aan infrastructuur, openbare
ruimte en stedelijke ontwikkeling. Volgens de lesnotities begon de overheid
hier voor het eerst actief te bepalen hoe het landschap eruit moest zien. De
doelstellingen waren onder meer:
esthetiek;
gezondheid;
veiligheid;
orde in de groeiende stad.
De overheid laat de ontwikkeling dus niet langer volledig spontaan verlopen,
maar begint richtlijnen en randvoorwaarden op te leggen.
Slide 9 – Uitbreiding van het beleid naar het hele land
Aanvankelijk richtte ruimtelijk beleid zich enkel op steden. Later ontstond
echter de noodzaak om ook het platteland te sturen. Volgens de lesnotities
hangt dit samen met de Belgische wooncultuur. Mensen wilden niet
uitsluitend in steden wonen. Daardoor begon de bebouwing zich steeds
verder uit te spreiden over het platteland. Ruimtelijke planning moest zich
dus uitbreiden van een stedelijk instrument naar een instrument voor het
volledige grondgebied.
Slide 10 – De industrialisering als maatschappelijk probleem
Op het einde van de negentiende eeuw kende België een sterke
industrialisering. Voor de politieke en economische elites werd deze periode
als bedreigend ervaren. Er waren verschillende problemen:
2
,Sociale onrust: Het socialisme en communisme wonnen aan invloed.
Vakbonden ontstonden en arbeiders begonnen zich te organiseren.
Slechte woonomstandigheden: In arbeiderswijken leefden veel mensen dicht
opeengepakt. Daardoor ontstonden epidemieën en gezondheidsproblemen.
Morele problemen: De elite associeerde de stedelijke arbeidersbuurten met:
prostitutie;
alcoholmisbruik;
criminaliteit;
incest.
Volgens de lesnotities vreesde men dat de slechte levenskwaliteit in de
steden gewone burgers zou afschrikken. De overheid begon daarom te
zoeken naar manieren om deze problemen te beheersen.
Slide 11 – Belgische oplossing: arbeiders naar het platteland
België koos voor een bijzondere strategie. In plaats van grote sociale
wooncomplexen in steden te bouwen, probeerde men arbeiders naar het
platteland te laten verhuizen. Daarachter zaten twee doelstellingen.
1. Sociale rust: Men dacht dat eigenaars minder geneigd zijn om tegen het
bestaande systeem in opstand te komen. Volgens de lesnotities werd
letterlijk geredeneerd dat iemand met eigendom conservatiever wordt en
minder revolutionaire ideeën ontwikkelt.
2. Gezondere leefomgeving: Het platteland werd gezien als gezonder,
rustiger en moreel beter dan de industriële stad.
Om dit mogelijk te maken ontwikkelde men: Mobiliteitsbeleid ->
Buurtspoorwegen maakten het platteland bereikbaar voor arbeiders.
Woonbeleid -> Men stimuleerde eigendomsverwerving door arbeiders.
Deze combinatie zou een enorme invloed hebben op de latere ruimtelijke
ontwikkeling van België.
Slide 12 – Buurtspoorwegen
De kaart toont het uitgebreide netwerk van buurtspoorwegen. De bedoeling
was dat arbeiders rond de stations zouden wonen en dagelijks naar hun werk
konden reizen. Hier ligt de oorsprong van veel verspreide bebouwing in
3
, België. In plaats van concentratie in steden stimuleerde de overheid bewust
spreiding over het grondgebied.
Slide 13 – Evolutie naar een wegennetwerk
Later werd het buurtspoorwegennet vervangen door een uitgebreid
wegennet. Daardoor werd verspreid wonen nog gemakkelijker. De
combinatie van:
eigendomsverwerving,
autogebruik,
verspreide bebouwing,
zou uiteindelijk leiden tot het typische Belgische woonmodel.
Slide 14 – Wet op de Arbeidershuisvesting van 1889
Een cruciaal moment is de Wet op de Arbeidershuisvesting van 1889. Dit
creert een model van goedkope eigendomswoningen als vorm van ‘sociale
woningen’. Deze wet stimuleerde eigendomsverwerving (officiele eigenaar
van een goed) door arbeiders. Dat gebeurde via:
goedkope leningen;
spaarboekjes;
belastingvoordelen;
huisvestingsmaatschappijen.
Volgens de lesnotities werd sparen voor een woning fiscaal beloond. Tussen
1889 en het midden van de twintigste eeuw werden ongeveer 300.000
woningen gesubsidieerd. De meeste daarvan werden buiten de steden
gebouwd. Hier ontstaat het bekende Belgische model:
1 perceel = 1 huis = 1 eigenaar = 1 gezin
Dit model vraagt relatief veel ruimte en infrastructuur en ligt mee aan de
basis van de huidige ruimtelijke versnippering.
Slide 15 – Wet De Taeye (1948)
Na de Tweede Wereldoorlog werd dezelfde beleidslijn verdergezet via de Wet
De Taeye. Bouw van goedkope woningen na de oorlog via premies. Deze wet
voorzag:
bouwpremies;
voordelige leningen;
financiering tot 90% van de bouwkost.
4