Uitgebreide Samenvatting
Thema 1 t.e.m. Thema 7
Samengevoegd document
Faculteit Rechtsgeleerdheid
en Criminologische Wetenschappen
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
Inhoudstafel
Thema 1 – Algemene Begrippen
Thema 2 – Oprichting
Thema 3 – Vermogen & Kapitaal
Thema 4 – Effecten
Thema 5 – Organen
Thema 6 – Vertegenwoordiging
Thema 7 – Overdracht en Einde
Tip: Ctrl+klik (Windows) of ⌘+klik (Mac) op een themanaam om er meteen naartoe te springen.
Pagina 1 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
Thema 1 – Algemene Begrippen
Vennootschapsrecht | Faculteit Rechtsgeleerdheid en Criminologische Wetenschappen
1. Voorafgaand begrip: Economische samenwerking
1.1 Waarom samenwerken?
Het vertrekpunt van het vennootschapsrecht is de economische samenwerking. Wanneer individuen of
entiteiten samenwerken, kunnen zij drie fundamentele voordelen realiseren. Ten eerste zorgt
samenwerking voor een verhoogde capaciteit: meer handen en meer middelen leiden tot grotere
output dan wat één persoon alleen kan bereiken. Ten tweede laat arbeidsverdeling toe dat elke
deelnemer zich specialiseert in datgene wat hij het best beheerst, wat de efficiëntie ten goede komt.
Ten derde biedt samenwerking risicospreiding: door het risico te verdelen over meerdere partijen,
draagt niemand alleen het volledige verlies bij tegenspoed. Shakespeare vatte dit al treffend samen in
The Merchant of Venice (Act I, Scene 1): Shylock's motto om zijn fortuin niet in één schip of één
bestemming te stoppen, zodat het lot van één jaar hem niet bedroefd kan maken, illustreert perfect het
idee van risicospreiding over tijd en ruimte.
1.2 Transactiekosten en de theorie van Coase
Niet alle samenwerking verloopt vanzelf via de vrije markt. De econoom Ronald Coase analyseerde in
zijn invloedrijke werk 'The Nature of the Firm' waarom ondernemingen bestaan en waarom niet alles via
markttransacties wordt georganiseerd. Zijn redenering steunt op het concept van transactiekosten: de
kosten om een transactie tot stand te brengen, te bewaken en af te dwingen.
Een eerste factor is de complexiteit van de transactie: hoe complexer een uitwisseling, hoe moeilijker
het is om alles contractueel vast te leggen. Een tweede factor is actiefspecificiteit. Dit verwijst naar de
mate waarin een investering specifiek is voor een bepaalde relatie en weinig waarde heeft buiten die
relatie. Een klassiek voorbeeld is General Motors (GM), dat zo afhankelijk was van een leverancier voor
gespecialiseerde frames dat die leverancier de prijs kon verdubbelen — GM kon er niet omheen. Na
afloop van het contract besloot GM uiteindelijk de frames zelf te produceren. Dit fenomeen heet het
'hold-up probleem': een partij die u in een afhankelijke positie heeft, kan u onder druk zetten om betere
voorwaarden te eisen zodra u al geïnvesteerd hebt. Dit is vergelijkbaar met een cowboy die een
postkoets in de woestijn overvalt: eenmaal onderweg en kwetsbaar, heeft u weinig keus. Een derde
factor zijn de beperkingen op contracteerbaarheid: niet alles kan volledig in een contract worden
vastgelegd. De som van al deze factoren maakt de transactiekosten uit.
Coase stelde dat men horizontaal samenwerkt via de markt (contract) wanneer transactiekosten laag
zijn, maar verticaal integreert in één onderneming wanneer transactiekosten te hoog worden.
Voorbeeld: een professionele wieldoppenleverancier inschakelen via de markt is efficiënt, maar als de
Pagina 2 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
instructies aan de werknemers zo complex worden dat er al transactiekosten zijn bij het bewaken van de
kwaliteit, dan loont het meer om dit intern te organiseren.
1.3 De vijf kernvragen bij organisatie van economische samenwerking
Wanneer personen beslissen om een economische samenwerking te organiseren, rijzen er vijf
fundamentele rechtsvragen die het vennootschapsrecht moet beantwoorden:
1. Wat met het bestaan van de samenwerking? → Rechtspersoonlijkheid: bestaat de samenwerking als
aparte juridische entiteit of niet?
2. Wat met het vermogen van de samenwerking? → Afgescheiden vermogen: is er een vermogen dat
toebehoort aan de samenwerking en afgescheiden is van het privévermogen van de leden?
3. Wat met de gehoudenheid van de leden? → Aansprakelijkheid: zijn de leden persoonlijk gehouden
voor de schulden van de samenwerking, en in welke mate?
4. Wat met het vertrek van leden? → Lidmaatschap: welke regels gelden voor toe- en uittreding en de
overdracht van rechten?
5. Wat met de organisatie van de samenwerking? → Bestuur: hoe worden beslissingen genomen en wie
vertegenwoordigt de samenwerking naar buiten?
1.4 De vijf bouwstenen nader toegelicht
Rechtspersoonlijkheid houdt in dat de samenwerking bestaat als een aparte juridische entiteit, los van
haar leden. De oorsprong van rechtspersoonlijkheid kan gebaseerd zijn op de wet, op een
overeenkomst, of op een natuurlijke realiteit. De gevolgen zijn verstrekkend: de entiteit kan in rechte
optreden (dagvaarden en gedagvaard worden), ze bestaat los van de aandeelhouders (continuïteit), ze
kan contracten sluiten met haar eigen leden, en er is nood aan derdenbescherming en publiciteit (zodat
derden weten met wie zij handelen). Tegelijk zijn er grenzen aan de rechtspersoonlijkheid, bv. doorheen
het doorprikken van de rechtspersoonlijkheid (piercing the corporate veil) bij misbruik.
Het afgescheiden vermogen betekent dat de vennootschap een eigen vermogen heeft, afgescheiden van
het privévermogen van de aandeelhouders. Dit is een doelgebonden vermogen: het is bestemd voor de
activiteiten van de vennootschap. De aandeelhouders hebben een residuair belang: zij hebben enkel
recht op het positief saldo dat overblijft na betaling van alle schuldeisers. Concreet beschermt dit de
vennootschapsschuldeisers tegen de privéschulden van de aandeelhouders (en omgekeerd bij beperkte
aansprakelijkheid). Tevens geeft het aandeelhouders lidmaatschaps- en vermogensrechten.
Aansprakelijkheid gaat over wie het verlies draagt wanneer er iets fout gaat ('the loss lies where it falls').
In principe is elke aandeelhouder voor zijn eigen probleem verantwoordelijk, maar hij kan ook derden
aanspreken voor schade die hij lijdt (bv. iemand die uw fiets kapot maakt). Aansprakelijkheid kan
onbeperkt zijn (de aandeelhouder is ook met zijn privévermogen gehouden) of beperkt (de
aandeelhouder riskeert enkel zijn inbreng). Dit bepaalt het risico dat aandeelhouders bereid zijn te
Pagina 3 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
dragen, de monitoringkosten (hoe nauw moeten schuldeisers de aandeelhouders in de gaten houden?),
en de mogelijkheid tot portfoliodiversificatie (beperkte aansprakelijkheid maakt het aantrekkelijk om in
meerdere ondernemingen tegelijk te investeren).
Lidmaatschap omvat de voorwaarden om 'lid' te zijn van een economische samenwerking, de regels
voor toe- en uittreding en de uitoefening van rechten tijdens het lidmaatschap. Dit heeft verregaande
gevolgen: leden hebben lidmaatschapsrechten (stemrecht, recht op informatie) en vermogensrechten
(recht op dividend, recht op liquidatieopbrengst). De overdraagbaarheid van aandelen is ook een
essentieel element, want wat als een 'debiel' uw aandelen erft of koopt (en bv. naar de Bahama's
verhuist)? De overdraagbaarheid heeft ook impact op schuldeisers via de liquiditeit van het vermogen
en maakt portfoliodiversificatie mogelijk.
Organisatie en bestuur betreft de interne en externe structuur. Intern gaat het over hoe beslissingen
worden genomen (verhouding tussen de algemene vergadering en het bestuur), externe
vertegenwoordiging (wie mag de vennootschap binden naar buiten?), en interne en externe
verantwoording. Gevolgen zijn onder meer de keuze van een bestuursmodel (monisme of dualisme, al
dan niet een apart bestuursorgaan), en de bestuurdersaansprakelijkheid: bestuurders kunnen
persoonlijk aansprakelijk gesteld worden voor fouten in hun bestuurstaak.
1.5 Actoren van de vennootschap: insiders en outsiders
Rond een vennootschap bewegen zich verschillende actoren. Insiders zijn de aandeelhouders (de
eigenaars) en de bestuurders (de beheerders). Outsiders zijn schuldeisers (contractuele schuldeisers die
bewust een risico namen, en niet-contractuele schuldeisers zoals slachtoffers van een onrechtmatige
daad), externe stakeholders (buren, concurrenten) en meer in het algemeen de samenleving en het
milieu. Dit onderscheid is cruciaal voor het begrip van principaal-agentproblemen.
Principaal-agentproblemen ontstaan wanneer de belangen van de principaal (bv. de aandeelhouder) en
de agent (bv. de bestuurder) niet op elkaar zijn afgestemd. De agent beschikt over meer informatie
(informatieasymmetrie) en kan geneigd zijn zijn eigen belang te dienen ten koste van de principaal.
Dergelijke conflicten bestaan ook tussen meerderheids- en minderheidsaandeelhouders, en tussen
aandeelhouders en schuldeisers.
2. Doelen en bronnen van het vennootschapsrecht
2.1 Doelstellingen
Het vennootschapsrecht heeft drie centrale doelstellingen. De eerste is het beheren van principaal-
agentproblemen: door regels te stellen over bestuur, verantwoording en toezicht, probeert het
vennootschapsrecht conflicten tussen de verschillende actoren te beheersen. De tweede doelstelling is
het verminderen van transactiekosten: door standaardoplossingen aan te bieden
(vennootschapsvormen als 'contracten van de plank'), vermijden partijen dat ze alles zelf moeten
Pagina 4 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
onderhandelen en opstellen. De derde is het maken van een onderscheid tussen suppletief recht,
dwingend recht en openbare orde.
Suppletief recht is het recht dat geldt bij gebrek aan andersluidende afspraken. Partijen mogen er vrij
van afwijken. Dwingend recht daarentegen kan niet worden opzijgezet door contractuele afspraken
tussen partijen; het beschermt belangen van derden of zwakkere partijen. Openbare orde is de zwaarste
categorie: het raakt de essentiële belangen van de staat of de gemeenschap. Artikel 1.3, derde lid BW
omschrijft dit als 'de rechtsregel die de essentiële belangen van de staat of van de gemeenschap raakt of
die in het privaatrecht de juridische grondslagen bepaalt waarop de maatschappij berust, zoals de
economische orde, de morele orde, de sociale orde of de orde van het leefmilieu.'
2.2 Bronnen
De belangrijkste bron is het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV), dat de specifieke
regels voor vennootschappen en verenigingen bundelt. Daarnaast zijn er andere relevante bronnen: het
Burgerlijk Wetboek (BW) voor algemene privaatrechtelijke principes, het Wetboek Economisch Recht
(WER) voor algemene ondernemingsrechtelijke regels en het insolventierecht, en de fiscale wetgeving.
Er is spanning tussen de homogeniteit van het recht (alles in één systeem) en de specialisatie van het
recht (bijzondere regels voor specifieke situaties). Bij conflict geldt het lex specialis-beginsel: de
bijzondere wet primeert op de algemene.
3. Rechtspersoon
3.1 Rechtssubject en rechtspersoonlijkheid
Een rechtssubject is een drager van rechten en plichten. Er zijn twee soorten rechtssubjecten:
natuurlijke personen (mensen van vlees en bloed) en rechtspersonen. Dit staat tegenover
rechtsobjecten, die slechts het voorwerp van rechten kunnen zijn (bv. goederen). Rechtspersoonlijkheid
is het eigen bestaan als rechtssubject van een niet-natuurlijk persoon. Publiekrechtelijke rechtspersonen
zijn de Belgische Staat, de Europese Unie, gemeenten, etc. Privaatrechtelijke rechtspersonen zijn onder
meer vennootschappen (met volkomen of onvolkomen rechtspersoonlijkheid) en verenigingen met
rechtspersoonlijkheid (zoals de VZW).
3.2 Rechtspersoonlijkheid en verwante begrippen
Het is belangrijk rechtspersoonlijkheid te onderscheiden van beperkte aansprakelijkheid en
afgescheiden vermogen, want deze drie begrippen vallen niet samen. Niet alle rechtspersonen hebben
beperkte aansprakelijkheid: er bestaat een onderscheid tussen volkomen en onvolkomen
rechtspersoonlijkheid. Alle rechtspersonen hebben wel een eigen, afgescheiden vermogen, maar ook
entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid (zoals de maatschap) kunnen een afgescheiden vermogen
hebben op grond van art. 4:15 WER.
Pagina 5 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
Een entiteit met onvolkomen rechtspersoonlijkheid (VORP) bestaat als onafhankelijke entiteit en heeft
een eigen vermogen (bescherming van het vennootschapsvermogen tegen de privéschuldeisers van de
vennoten), maar biedt géén bescherming aan het privévermogen van de vennoten tegen de schuldeisers
van de vennootschap: zij zijn dus onbeperkt aansprakelijk. Een entiteit met volkomen
rechtspersoonlijkheid (VZRP of VVRP) biedt beide beschermingen: zowel het vennootschapsvermogen is
beschermd tegen de privéschuldeisers van de aandeelhouders, als het privévermogen van de
aandeelhouders is beschermd tegen de schuldeisers van de vennootschap (beperkte aansprakelijkheid).
3.3 Overzicht: rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen
De rechtspersonen in het Belgisch recht kunnen worden ingedeeld als volgt. Vennootschappen: BV
(besloten vennootschap), NV (naamloze vennootschap), CV (coöperatieve vennootschap), VOF
(vennootschap onder firma), CommV (commanditaire vennootschap) en de Maatschap. Verenigingen:
VZW en stichting. De feitelijke vereniging heeft geen rechtspersoonlijkheid. Cruciaal: sommige
rechtspersonen zijn vennootschappen, sommige vennootschappen zijn rechtspersonen, en sommige van
beide impliceren beperkte aansprakelijkheid — maar deze drie categorieën overlappen slechts
gedeeltelijk.
3.4 Schematische voorbeelden
Om dit te verduidelijken worden drie situaties vergeleken. Jan drijft een eenmanszaak (Snoepwinkel
Sweet). Boekhoudkundig heeft hij activa en passiva op zijn eigen naam, en er is één vermogensmassa.
Juridisch is er géén afgescheiden vermogen en is Jan onbeperkt aansprakelijk: al zijn privébezittingen
staan bloot aan verhaal van zijn zakelijke schuldeisers.
Miet richt een BV op (volkomen rechtspersoon). Juridisch is er een strikt onderscheid: enerzijds het
vermogen van Miet BV (activa en passiva van de vennootschap), anderzijds het privévermogen van Miet.
Er is een afgescheiden vermogen én beperkte aansprakelijkheid: de schuldeisers van Miet BV kunnen
zich alleen verhalen op het vermogen van Miet BV, niet op het privévermogen van Miet.
Miet en Jan richten een VOF op (onvolkomen rechtspersoon). Er zijn drie vermogenssferen: het
vermogen van Miet, het vermogen van Jan, en het vermogen van Miet & Jan VOF. Het VOF-vermogen is
wél afgescheiden (schuldeisers van Jan kunnen in principe niet zomaar beslag leggen op de activa van
het VOF), maar Miet en Jan zijn onbeperkt aansprakelijk voor de schulden van de VOF: schuldeisers van
de VOF kunnen ook het privévermogen van Miet en Jan aanspreken.
4. Vennootschap
4.1 Definitie
Art. 1:1 WVV definieert een vennootschap als volgt: 'Een vennootschap wordt opgericht bij een
rechtshandeling door één of meer personen, vennoten genaamd, die een inbreng doen. Zij heeft een
Pagina 6 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
vermogen en stelt zich de uitoefening van één of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp. Een van
haar doelen is aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of
te bezorgen.' Uit deze definitie kunnen vier essentiële elementen worden afgeleid: (1) een
rechtshandeling, (2) een inbreng, (3) een voorwerp (activiteit), en (4) een doel (winstuitkering).
4.2 Typedwang
Het vennootschapsrecht kent typedwang: men kan enkel kiezen uit de vennootschapsvormen die het
WVV voorziet. Men kan niet zomaar een volledig nieuwe, atypische rechtsvorm uitvinden. De
maatschap geldt als de vennootschap van gemeen recht: wanneer twee of meer partijen samenwerken
zonder uitdrukkelijk een vennootschapsvorm te kiezen, zal het recht hun samenwerking herkennen als
een (stilzwijgende) maatschap. Dit heeft verregaande gevolgen, want op een maatschap zijn talrijke
wettelijke bepalingen van toepassing.
4.3 Rechtshandeling
Een rechtshandeling is een handeling die rechtsgevolgen beoogt. Ze kan eenzijdig zijn (één partij) of
meerzijdig (meerdere partijen). De oprichting van een vennootschap is in principe een meerzijdige
rechtshandeling (een overeenkomst tussen de vennoten). Er bestaat echter een uitzondering: een BV of
NV kan ook door één persoon worden opgericht via een eenzijdige rechtshandeling (de
éénpersoonsvennootschap).
4.4 Inbreng
Inbreng is hetgeen men ter beschikking stelt van de vennootschap en onderwerpt aan het
ondernemingsrisico om aandelen te verwerven (art. 1.8 WVV). Er zijn vier vormen van inbreng: inbreng
in geld (de meest voorkomende), inbreng in natura (bv. een gebouw of voertuig), inbreng in nijverheid
(bv. arbeid of knowhow, enkel mogelijk bij bepaalde vennootschapsvormen), en inbreng in genot of in
eigendom (het gebruik of de eigendom van een goed overdragen aan de vennootschap).
Een bijzondere regel is het verbod op het leonijns beding (vernoemd naar de leeuw in de fabel die
steeds het leeuwendeel opeist). Het is toegelaten een aandeelhouder vrij te stellen van verlies, maar het
is verboden een aandeelhouder volledig uit te sluiten van winst. Schending van dit verbod heeft ernstige
gevolgen: bij VZRP/VORP leidt het tot nietigheid van de vennootschap (herkwalificatie bij VZRP), bij
VVRP (BV, NV, CV) leidt het tot nietigheid van het specifieke beding (art. 5:14 en 7:16 WVV).
4.5 Voorwerp en doel
Het voorwerp van een vennootschap is de statutaire specialiteit: het geheel van activiteiten die de
vennootschap mag en wil uitoefenen. De statuten omschrijven dit voorwerp en worden ruim
geformuleerd (enkel wat in het voorwerp staat, mag de vennootschap doen). Een ongeoorloofd
voorwerp (bv. een wietplantage exploiteren) leidt tot nietigheid van de vennootschap. Wanneer het
feitelijke voorwerp verschilt van het statutaire voorwerp, geldt de Marleasing-doctrine: het recht geeft
Pagina 7 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
voorrang aan het statutaire voorwerp zoals het in de statuten is geformuleerd, tenzij het vermelde
voorwerp bewust frauduleus is (bv. men plakt een geoorloofd voorwerp op een in werkelijkheid illegale
activiteit).
Het doel is de wettelijke specialiteit: minstens het rechtstreeks of onrechtstreeks toekennen van een
vermogensvoordeel aan de vennoten. Bijkomende doelen zijn mogelijk. Het onderscheid met een
vereniging is cruciaal: een vennootschap moet een winstverdelingsoogmerk hebben, terwijl een
vereniging (VZW) dit verboden is. Een VZW mag wel economische activiteiten uitoefenen en winst
maken, maar mag die winst niet uitkeren aan haar leden (denk aan Cercle Brugge dat inkomsten
genereert maar geen dividenden uitkeert aan leden). Een indirect of ondergeschikt vermogensvoordeel
is voor VZW's soms wel mogelijk.
4.6 Sancties bij miskenning van het doel
Wanneer het winstverdelingsoogmerk volledig afwezig is bij een entiteit die als vennootschap werd
opgericht, gelden de volgende sancties. Bij VZRP/VORP (maatschap, CommV, VOF) leidt dit tot nietigheid
of herkwalificatie (bv. de maatschap wordt herkwalificeerd als feitelijke vereniging). Bij VVRP (BV, NV,
CV) leidt het tot ontbinding om wettige redenen (art. 2:73, 5:157 en 7:230 WVV), niet tot nietigheid.
Wanneer een specifieke handeling het winstverdelingsoogmerk miskent, is die handeling nietig. Nuance:
andere doelen en indirecte voordelen kunnen de kwalificatie beïnvloeden.
5. Onderneming
5.1 Begrip: het formeel ondernemingsbegrip
Art. I.1, 1° WER definieert het ondernemingsbegrip op een formele, opsommende wijze. Een
onderneming is: (1) een natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent met eigen
organisatie; (2) iedere rechtspersoon, met uitzondering van publiekrechtelijke rechtspersonen (de
Belgische Staat, gemeenten, etc. vallen dus niet onder dit begrip); (3) organisaties zonder
rechtspersoonlijkheid die uitkeringen verrichten (bv. een maatschap, maar niet een feitelijke vereniging
die geen uitkeringen doet). Pro memorie bestaat er ook een functioneel ondernemingsbegrip, dat op
bepaalde specifieke domeinen van toepassing is.
5.2 Gevolgen van de kwalificatie als onderneming
De kwalificatie als onderneming heeft tal van belangrijke rechtsgevolgen. Ten eerste is er de
bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank (art. 573, 1° Ger.W.): geschillen tussen ondernemingen
worden behandeld door de ondernemingsrechtbank, maar ook consumenten kunnen een onderneming
dagvaarden voor deze rechtbank. De ondernemingsrechtbank werkt met een gemengde samenstelling:
een professioneel rechter (jurist) en twee lekerechters uit het werkveld.
Pagina 8 van 63
, Vennootschapsrecht – Uitgebreide Samenvatting
Ten tweede zijn er verplichtingen inzake de KBO en boekhoudrecht. Ondernemingen moeten zich
registreren in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) via een ondernemingsloket en krijgen een
ondernemingsnummer. Zij moeten ook een BTW-nummer aanvragen en een financiële rekening openen
bij Bpost of een in België gevestigde kredietinstelling (art. 1 KB nr. 56). Wat de boekhoudplicht betreft,
geldt als principe het dubbel boekhouden, met als uitzondering de vereenvoudigde boekhouding voor
kleine ondernemingen (art. III.85 WER).
5.3 Bijzondere regels bewijsrecht
In het gemeen recht geldt als principe het vrij bewijs (art. 8.8 BW): men kan in principe kiezen hoe men
bewijs levert (getuigen, documenten, etc.). Er geldt echter een uitzondering: voor transacties boven
3.500 euro is een geschrift vereist. In ondernemingszaken geldt steeds vrij bewijs (art. 8.11 BW), ook
boven de drempel van 3.500 euro. Dit biedt meer flexibiliteit voor ondernemingen. Bovendien geldt de
factuur als bijzonder bewijsmiddel: de factuur uitgevaardigd door een onderneming geldt als bewijs van
de uitvaardigende partij. De aanvaarde factuur — ook wanneer de ontvanger niet protesteert
(stilzwijgende aanvaarding) — geldt als bewijs tegen de ontvangende onderneming. Voorbeeld: bedrijf A
levert goederen aan bedrijf B en stuurt een factuur; als bedrijf B niet protesteert, wordt aangenomen
dat het de factuur aanvaardt, en geldt de factuur ook als bewijs tegen bedrijf B.
5.4 Hoofdelijkheid tussen ondernemingen
In het gemeen recht geldt het principe van de deelbaarheid van schulden (art. 5.159 BW): wanneer een
schuld door meerdere schuldenaren is aangegaan, is iedere schuldenaar slechts voor zijn deel
gehouden. Dit is nadelig voor schuldeisers, want zij dragen het insolventierisico van elke individuele
schuldenaar en zijn bovendien vaak chirografaire (gewone) schuldeisers die pas laat in een
insolventieprocedure aan bod komen, waardoor zij soms niets recupereren. Als uitzondering op dit
principe geldt de passieve hoofdelijkheid tussen ondernemingen (art. 5.160 BW): wanneer meerdere
ondernemingen schuldenaar zijn, kan de schuldeiser elk van hen aanspreken voor het volledige bedrag.
Voorbeeld: professor sluit een contract met Theo bv en Raf bv voor 5.000 euro. Dankzij de
hoofdelijkheid kan de professor Raf bv aanspreken voor het volledige bedrag van 5.000 euro. Raf bv
betaalt en kan vervolgens haar aandeel (2.500 euro) terugvorderen van Theo bv (regres). Het
insolventierisico verschuift zo van de schuldeiser naar de meest solvabele onderneming.
6. Reflectievragen (samengevat)
De cursus sluit af met een reeks reflectievragen die de rode draad van de leerstof verankeren. Welke
problemen probeert het vennootschapsrecht op te lossen en via welke mechanismen? Wat is het
onderscheid en het verband tussen rechtspersoonlijkheid, beperkte aansprakelijkheid en afgescheiden
vermogen? Welke vennootschapsvormen bestaan er? Kan een lokale voetbalclub gratis haar kantine ter
beschikking stellen van haar leden (denk aan het winstverdelingsoogmerk en de verenigingsstructuur)?
Als vrienden samen een event organiseren, is er dan sprake van een (stilzwijgende) maatschap en wat
Pagina 9 van 63