• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 217 pages
Resume

Samenvatting Neuropsychologie | UGent | 2025/26

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 217 pages

Deze samenvatting behandelt alle lessen van Neuropsychologie aan de Universiteit Gent. De inhoud omvat anatomische terminologie en oriëntatie, de bouwstenen neuronen en gliacellen, onderdelen van het CZS, elektrochemische communicatie, en een inleiding tot de cerebrale cortex. Ideaal voor het begrijpen van fundamentele neuroanatomische concepten en een snelle voorbereiding op toetsen.

Aperçu du contenu

Het Centrale Zenuwstelsel

Samenvatting Les 1 — Introduction to the nervous system

Inhoud

• 1. Terminologie en oriëntatie

• 2. Bouwstenen: neuronen en glia

• 3. Onderdelen van het centraal zenuwstelsel (CZS)

• 4. Neuronen van nabij — elektrochemische communicatie en
neurotransmitters

• 5. De cerebrale cortex van nabij

,1. Terminologie en oriëntatie

1.1 Anatomische richtingen

Om gebieden in het zenuwstelsel ondubbelzinnig te kunnen beschrijven
gebruiken we vaste anatomische richtingsbegrippen. Deze begrippen
worden zowel relatief (in verhouding tot iets anders) als absoluut (een
vast gebied benoemen) gebruikt.

• Anterieur / Posterieur — voor / achter. Synoniemen: rostraal
(richting de neus) en caudaal (richting de staart).

• Dorsaal / Ventraal — rug-zijde / buik-zijde. In het hoofd komt dit
overeen met superieur (boven) en inferieur (onder).

• Mediaal / Lateraal — naar het midden toe / naar de zijkant toe.

1.2 Van 3D naar 2D — anatomische sneden

Het brein is een 3D-structuur, maar voor studie en beeldvorming wordt het
in 2D-sneden bekeken. Er bestaan drie standaard sneden:

• Sagittale snede — verticale snede van voor naar achter, verdeelt
het brein in een linker- en rechterdeel. Sneden dichter bij het midden
zijn mediaal, verder weg lateraal.

• Coronale snede — verticale snede van oor tot oor, verdeelt het
brein in een anterieur (voor) en posterieur (achter) deel.

• Horizontale (transversale) snede — horizontale snede, verdeelt
in een superieur en inferieur deel.

1.3 Visualisatietechnieken: inflated brain en flatmaps

Het brein bevat veel sulci (groeven) waardoor activiteit in die diepere
plooien moeilijk te zien is op een gewone weergave. Daarom worden
visualisatietechnieken gebruikt om hersenactiviteit beter te kunnen
projecteren.

• Rendered brain — een natuurgetrouwe 3D-weergave van het
breinoppervlak.

• Inflated brain — het brein wordt als het ware 'opgeblazen' zodat de
sulci zichtbaar worden. Hierdoor kun je activiteit in de diepere
groeven beter waarnemen.

• Flatmaps — het opgeblazen brein wordt opengeknipt en plat
uitgevouwen tot één glad oppervlak. Voordeel: alle delen zijn tegelijk
zichtbaar (ook de mediale delen). Nadeel: minder intuïtief — je hebt
ervaring nodig om te zien wat zich waar bevindt.

,
, 2. Bouwstenen: neuronen en glia

De kleinste functionele eenheden van het zenuwstelsel zijn de neuronen
— hersencellen die signalen aan elkaar doorgeven. Daarnaast zijn er
ondersteunende cellen, de gliacellen.

2.1 Neuronen — Golgi vs Cajal

Aan het begin van de 20e eeuw bestond er een wetenschappelijk debat
over de structuur van het zenuwstelsel:

• Camillo Golgi geloofde in de reticulaire theorie: het zenuwstelsel is
één aaneengesloten netwerk.

• Santiago Ramón y Cajal toonde aan dat het zenuwstelsel uit
aparte, individuele neuronen bestaat — de basis van de huidige
neuron-doctrine.

Beiden ontvingen samen de Nobelprijs voor Geneeskunde in 1906.
Cajal kreeg uiteindelijk gelijk: neuronen zijn discrete cellen die met elkaar
communiceren via synapsen.

2.2 Bouw van een neuron

Neuronen zien er onderling gelijkaardig uit, maar verschillen in vorm
afhankelijk van hun locatie en functie in het brein. Een neuron bestaat in
essentie uit:

• Dendrieten — de input van het neuron; ze ontvangen signalen van
andere neuronen.

• Cellichaam (soma) — bevat de celkern.

• Axon — de output; geleidt het signaal weg van het neuron naar
andere cellen.

Vorm volgt functie:

• Sensorische neuronen — ontvangen veel input en geven die door;
ze hebben een aangepaste structuur om zo veel mogelijk informatie
op te vangen.

• Motorische neuronen — moeten een spier heel precies aansturen.
Hun axon heeft weinig vertakkingen (precieze output), maar ze
hebben een grote dendrietenboom omdat ze veel input nodig
hebben om de juiste beslissing te kunnen nemen.

Onthoud: Het zenuwstelsel is bijzonder efficiënt en elegant
georganiseerd: de vorm van elk neuron is afgestemd op zijn functie.

2.3 Gliacellen — de ondersteunende cellen

Table des matières

  1. 01 Inhoud 27
  2. 02 0. Overzicht en algemene principes 28
    1. 0.1 Twee soorten methoden — wat meten we? 28
    2. 0.2 Correlatie versus causaliteit 28
    3. 0.3 Spatiale en temporele resolutie 28
  3. 03 1. Structurele methoden 30
    1. 1.1 CT — Computerized Axial Tomography 30
    2. 1.2 MRI — Magnetic Resonance Imaging 30
    3. 1.3 DTI — Diffusion Tensor Imaging 31
    4. 1.4 Structurele maten correleren met gedrag 32
  4. 04 2. Functionele methoden — Elektrofysiologisch 33
    1. 2.0 De actiepotentiaal als basis 33
    2. 2.1 Single-cell recording 33
    3. 2.2 EEG — Elektro-encefalografie 35
    4. 2.3 ERP — Event-Related Potentials 35
    5. 2.4 Waarom is de spatiale resolutie van EEG zo slecht? 38
    6. 2.5 ECoG — Elektrocorticografie 38
    7. 2.6 MEG — Magnetoencefalografie 39
  5. 05 Functionele methoden — Metabolisch 40
    1. 2.7 PET — Positron Emissie Tomografie 40
    2. 2.8 fMRI — functionele Magnetic Resonance Imaging 41
    3. 2.9 De subtractiemethode in fMRI/PET 43
    4. 2.10 Block-designs versus event-gerelateerde designs 45
    5. 2.11 Bijzondere mogelijkheden van fMRI 45
    6. 2.12 Optical imaging / NIRS 46
  6. 06 3. Letselstudies en neurostimulatie 47
    1. 3.1 De lesie-methode — logica 47
    2. 3.2 De kracht van de dubbele dissociatie 47
    3. 3.3 Beperkingen van patiëntenonderzoek 48
    4. 3.4 Single-case versus groepsonderzoek 48
    5. 3.5 TMS — Transcraniale Magnetische Stimulatie 49
    6. 3.6 Transcraniale stroomstimulatie (tCS) 49
    7. 3.7 Neurostimulatie voor cognitieve verbetering 50
    8. 3.8 Intracraniale stimulatie — Deep Brain Stimulation (DBS) 51
  7. 07 4. Gedragsanalyse en populaties 51
    1. 4.1 Gedragsanalyse 51
    2. 4.2 Populaties 52
  8. 08 5. Vergelijkend overzicht — alle methodes op een rij 53
  9. 09 Kernprincipes om te onthouden 54
  10. 10 Inhoud 55
  11. 11 0. Inleiding — neuromythes en hemisferische lateralisatie 56
    1. 0.1 Neuromythes — populaire mythes over het brein 56
    2. 0.2 De 'left vs right brainer' mythe 56
  12. 12 1. Structurele verschillen tussen de hemisferen 57
    1. 1.1 Macroscopische asymmetrieën — 'petalia' 57
    2. 1.2 Asymmetrie in sulci en gyri 57
    3. 1.3 Asymmetrie in ziekteprocessen — Alzheimer 57
    4. 1.4 Verschillen in connectiviteit (Gotts et al., PNAS, 2013) 57
  13. 13 2. Functionele verschillen — methoden en bevindingen 59
    1. 2.1 Testen van geïsoleerde hemisferen 59
    2. 2.2 Patiënten met gelateraliseerd letsel 61
    3. 2.3 Onderzoek bij neurologisch intacte proefpersonen 62
  14. 14 3. Basisverschillen tussen de twee hemisferen 65
    1. 3.1 De spatiale-frequentie hypothese 65
    2. 3.2 Wat zijn lage en hoge spatiale frequenties? 65
    3. 3.3 Klassiek experiment — globale en lokale stimuli 65
  15. 15 4. Samenwerking tussen de twee hemisferen 67
    1. 4.1 Communicatie tussen de hemisferen 67
    2. 4.2 Voordeel van bilaterale verwerking — afhankelijk van moeilijkheid 67
    3. 4.3 Compensatorisch mechanisme bij ouderen 67
  16. 16 5. Conclusie — specialisatie, geen lateralisatie 68
    1. 5.1 Ondersteuning vanuit linkshandigheidsonderzoek 68
  17. 17 Overzichtstabel — methodes om hemisferische specialisatie te onderzoeken 69
  18. 18 Kernprincipes om te onthouden 70
  19. 19 Inhoud 72
  20. 20 1. Perifere motorcontrole 73
    1. 1.1 Laterale tract — bewegingen van ledematen 73
    2. 1.2 Mediale tract — beweging van de romp en houding 73
  21. 21 2. Hersenstructuren betrokken bij motorcontrole 74
    1. 2.1 Het cerebellum — vloeiendheid en timing 74
    2. 2.2 De basale ganglia — sequentiëren en leren van handelingen 76
    3. 2.3 Corticale gebieden — planning en uitvoering 78
  22. 22 3. Apraxie — corticale motoraandoeningen 81
    1. 3.1 Algemene kenmerken van apraxie 81
    2. 3.2 Twee hoofdvormen — ideatie versus uitvoering 81
    3. 3.3 Ander onderscheid — limb vs orale apraxie 81
    4. 3.4 Andere vormen — niet alle apraxie komt door schade aan motorgebieden 81
  23. 23 4. Brain-Computer Interfaces en neurale prothesen 83
    1. 4.1 De rolverdeling in motorische BCI 83
    2. 4.2 PRR cellen — Parietal Reach Region 83
    3. 4.3 De vier fasen van een BCI-systeem 84
    4. 4.4 Verdere ontwikkelingen 84
  24. 24 5. Overzichtstabel — corticale motorische gebieden 86
  25. 25 Overzicht — subcorticale motorische aandoeningen 87
  26. 26 Kernprincipes om te onthouden 87
  27. 27 Inhoud 89
  28. 28 0. Organisatie van de visuele cortex 90
    1. 0.1 Twee principes — specialisatie en herintegratie 90
    2. 0.2 Cytoarchitectonisch en functioneel onderscheiden gebieden 90
    3. 0.3 Functionele specialisatie van V1–V5 90
  29. 29 1. Twee visuele verwerkingsbanen 91
    1. 1.1 De anatomie — ventraal vs dorsaal 91
    2. 1.2 Eerste interpretatie — Wat vs Waar (Mishkin & Ungerleider, 1983) 91
    3. 1.3 Tweede interpretatie — Perceptie vs Actie (Milner & Goodale, 1992) 91
  30. 30 2. Het kernprobleem van objectherkenning 94
    1. 2.1 Visuele input is ondergedetermineerd — vier deelproblemen 94
  31. 31 3. Bevindingen — Single-cell recording 96
    1. 3.1 Toenemende complexiteit langs de ventrale baan 96
    2. 3.2 Het receptieve veld bepaalt de invariantie 96
    3. 3.3 Kleurgevoeligheid in de ventrale stroom 96
  32. 32 4. Bevindingen — fMRI en gespecialiseerde gebieden 98
    1. 4.1 Lateral Occipital Complex (LOC) — algemene objectherkenning 98
    2. 4.2 Fusiform Face Area (FFA) — gezichten 98
    3. 4.3 Parahippocampal Place Area (PPA) — plaatsen 98
    4. 4.4 Extrastriate Body Area (EBA) — lichaamsdelen 98
    5. 4.5 Visual Word Form Area (VWFA) — geschreven woorden 99
  33. 33 5. Bevindingen — patiëntenonderzoek 100
    1. 5.1 Stoornissen in elementaire visuele verwerking 100
    2. 5.2 Visuele agnosie — verstoorde objectherkenning 100
  34. 34 6. Gezichtsherkenning — een speciaal geval? 102
    1. 6.1 Evidentie uit single-cell recording 102
    2. 6.2 De grootmoederceltheorie en haar tegenargumenten 102
    3. 6.3 Sparse coding vs population coding 103
    4. 6.4 Prosopagnosie — selectieve gezichtsherkenningstoornis 103
    5. 6.5 Evidentie uit ERP-metingen — N200 103
    6. 6.6 FFA — gezichtsherkenning of visuele expertise? 104
    7. 6.7 Computer vs mens 104
  35. 35 7. Overzichtstabellen 105
    1. 7.1 De ventrale en dorsale baan vergeleken 105
    2. 7.2 Gespecialiseerde gebieden in de ventrale stroom (fMRI) 105
    3. 7.3 Visuele agnosieën vergeleken 106
  36. 36 Kernprincipes om te onthouden 106
  37. 37 Inhoud 108
  38. 38 0. Inleiding — wat is spatiale cognitie? 109
    1. 0.1 Algemene definitie 109
    2. 0.2 De kern van het probleem 109
  39. 39 1. De dorsale stroom — anatomie en celkenmerken 110
    1. 1.1 Input naar de posterieur pariëtale cortex 110
    2. 1.2 Output vanuit de posterieur pariëtale cortex 110
    3. 1.3 Kenmerken van cellen in de posterieur pariëtale cortex 110
  40. 40 2. Het coderen van 3 ruimtelijke dimensies 112
    1. 2.1 Boven / onder — de gemakkelijkste dimensie 112
    2. 2.2 Links / rechts — veel moeilijker 112
    3. 2.3 Diepte 112
  41. 41 3. Spatiale referentiekaders 114
    1. 3.1 Egocentrisch versus allocentrisch 114
    2. 3.2 Drie zones binnen het egocentrische kader 114
    3. 3.3 Categorische versus metrische spatiale relaties 114
  42. 42 4. Beweging 116
    1. 4.1 Specifieke regio's voor bewegingsperceptie 116
    2. 4.2 Rekening houden met de eigen beweging 116
    3. 4.3 Mentale rotatie 117
  43. 43 5. Ruimte en actie 118
    1. 5.1 Constructieve vaardigheden — creëren van spatiale relaties 118
    2. 5.2 Optische ataxie 118
    3. 5.3 Neurale mechanismen — de Parietal Reach Region (PRR) 118
    4. 5.4 Plasticiteit van receptieve velden bij gereedschapsgebruik (Iriki) 119
  44. 44 6. Spatiale navigatie 120
    1. 6.1 Twee navigatiestrategieën 120
    2. 6.2 Vier types van navigatieproblemen 120
    3. 6.3 Drie hersengebieden voor navigatie 121
  45. 45 7. Uitdagingen voor het ventraal-dorsaal onderscheid 123
    1. 7.1 Het probleem 123
    2. 7.2 Een alternatieve formulering 123
  46. 46 8. Overzichtstabellen 124
    1. 8.1 De drie ruimtelijke dimensies 124
    2. 8.2 Spatiale referentiekaders 124
    3. 8.3 Vier types navigatieproblemen 124
    4. 8.4 Drie navigatiegebieden 125
  47. 47 Kernprincipes om te onthouden 125
  48. 48 Inhoud 127
  49. 49 0. Wat ging vooraf — H.M. en de fundamentele inzichten 128
    1. 0.1 Henry Molaison (H.M.) — de beroemdste patiënt 128
    2. 0.2 Brenda Milner — pionier 128
    3. 0.3 De twee fundamentele inzichten uit dit onderzoek 128
  50. 50 1. Wat is geheugen? Modellen en taxonomie 129
    1. 1.1 Definities 129
    2. 1.2 Het standaardmodel — Atkinson & Shiffrin 129
    3. 1.3 Geheugen-taxonomie — de grote vertakkingen 129
  51. 51 2. De hippocampus en amnesie 130
    1. 2.1 Hippocampale schade veroorzaakt amnesie 130
    2. 2.2 Amnesie is een globaal probleem 130
    3. 2.3 Temporele omvang van amnesie 130
    4. 2.4 Andere oorzaken van amnesie 131
    5. 2.5 Wat blijft intact bij amnesie? 132
    6. 2.6 De rol van de hippocampus — leren van relaties 134
    7. 2.7 Place cells, grid cells en time cells 135
    8. 2.8 Conclusie — wat doet de hippocampus? 135
  52. 52 3. Niet-hippocampale geheugengebieden 136
    1. 3.1 Domein-specifieke corticale regio's 136
    2. 3.2 Semantisch geheugen — anterieur temporale cortex 136
    3. 3.3 Skill learning — domein-specifieke gebieden en basale ganglia 138
    4. 3.4 Angst — de amygdala 139
    5. 3.5 Werkgeheugen — prefrontale en posterieure cortex 140
  53. 53 4. Geheugenfasen — encoderen, consolidatie, ophalen 141
    1. 4.1 Waarom 'niet-herinneren'? Drie oorzaken 141
    2. 4.2 Encoderen 141
    3. 4.3 Consolidatie — versterken van geheugensporen 141
    4. 4.4 Ophalen 143
  54. 54 5. Klinische toepassing — Alzheimer en de praktijk 144
    1. 5.1 De twee dementiewetten van Huub Buijssen 144
    2. 5.2 Handvaten voor de praktijk 145
  55. 55 6. Overzichtstabellen 146
    1. 6.1 Geheugentaxonomie en hersengebieden 146
    2. 6.2 Wat is gestoord bij amnesie (H.M.) versus Parkinson/Huntington? 146
    3. 6.3 De drie geheugenfasen en hun substraten 147
    4. 6.4 De twee dementiewetten bij Alzheimer 147
  56. 56 Kernprincipes om te onthouden 147
  57. 57 Inhoud 149
  58. 58 1. Wat is aandacht? 150
    1. 1.1 De klassieke definitie — William James (1890) 150
    2. 1.2 Werkdefinitie 150
    3. 1.3 Vier categorieën van aandacht 150
  59. 59 2. Neuroanatomie van de vier categorieën 152
    1. 2.1 Alertheid en arousal — het RAS 152
    2. 2.2 Vigilantie en volgehouden aandacht 154
    3. 2.3 Selectieve aandacht 155
    4. 2.4 Verdeelde aandacht — fronto-pariëtaal netwerk 160
  60. 60 3. Selectieve aandachtscontrole op neuraal niveau 161
    1. 3.1 Een belangrijk onderscheid 161
    2. 3.2 Locaties van aandachtscontrole 161
    3. 3.3 Hoe gebeurt selectie? Drie mechanismen 161
  61. 61 4. Corticale netwerkmodellen — Corbetta & Schulman (2002, 2011) 163
    1. 4.1 Twee netwerken 163
    2. 4.2 Het ventraal netwerk als circuit breaker 163
  62. 62 5. Hemi-neglect — klinische aspecten 164
    1. 5.1 Klinisch beeld 164
    2. 5.2 Locatie van het letsel 164
    3. 5.3 Wat is neglect NIET? 166
    4. 5.4 Wat is neglect WEL? 166
    5. 5.5 Een heterogeen syndroom 166
    6. 5.6 Theorieën over hemi-neglect 167
    7. 5.7 Behandeling van hemi-neglect 168
  63. 63 6. Wat kunnen we leren van hemi-neglect? 169
    1. 6.1 De attentionele gradiënt 169
    2. 6.2 Verwerken van onopgemerkte stimuli — onbewuste verwerking 169
  64. 64 7. Overzichtstabellen 170
    1. 7.1 Vier categorieën van aandacht 170
    2. 7.2 Hersengebieden bij selectieve aandacht 170
    3. 7.3 Corbetta & Schulman model 171
    4. 7.4 ERP-componenten en aandacht 171
  65. 65 Kernprincipes om te onthouden 172
  66. 66 Inhoud 173
  67. 67 1. Ontwikkeling van de hersenen 174
    1. 1.1 De vijf processen van hersenontwikkeling 174
    2. 1.2 Voor de geboorte 175
    3. 1.3 Na de geboorte — synaptogenese, pruning, myelinisatie 176
    4. 1.4 Hersenontwikkeling in de adolescentie 178
    5. 1.5 Invloed van de omgeving — twee systemen 178
    6. 1.6 Sensitieve periodes 179
  68. 68 2. Ontwikkelingsproblemen 180
    1. 2.1 Intellectuele stoornis — algemeen 180
    2. 2.2 Syndroom van Down (Trisomie 21) 180
    3. 2.3 Fragile X-syndroom 180
    4. 2.4 FAS — Fetal Alcohol Syndrome / FASD 181
    5. 2.5 Dyslexie 182
    6. 2.6 Autisme 183
    7. 2.7 ADHD 184
  69. 69 3. Plasticiteit en herstel 185
    1. 3.1 Plasticiteit op volwassen leeftijd 185
    2. 3.2 Plasticiteit na hersenbeschadiging 185
    3. 3.3 Neurofysiologische response na een letsel 185
    4. 3.4 Herstelmechanismen 186
    5. 3.5 Eerste 3 maanden — de acute fase 187
    6. 3.6 Factoren die het herstel beïnvloeden 188
    7. 3.7 De rol van leeftijd 188
  70. 70 4. Normale veroudering 189
    1. 4.1 Cognitieve veranderingen 189
    2. 4.2 Hersenniveau — anatomisch 189
    3. 4.3 Hersenniveau — functioneel 190
    4. 4.4 Vertragen van veroudering 190
  71. 71 5. Overzichtstabellen 191
    1. 5.1 De vijf processen van hersenontwikkeling 191
    2. 5.2 Ontwikkelingsproblemen vergeleken 191
    3. 5.3 Plasticiteit en herstel — fasen en mechanismen 192
    4. 5.4 Veroudering — wat verandert, wat blijft? 193
  72. 72 Kernprincipes om te onthouden 193
  73. 73 Inhoud 195
  74. 74 0. Wat zijn executieve functies? 197
    1. 0.1 Definitie en kenmerken 197
    2. 0.2 Twee soorten gedrag — automatisch vs gecontroleerd 197
    3. 0.3 Zes deelfuncties — niet één maar meerdere 197
    4. 0.4 Executief dysfunctioneren — verhoogde afhankelijkheid van omgeving 198
  75. 75 1. De prefrontale cortex — waarom geschikt? 199
    1. 1.1 Twee structurele eigenschappen 199
    2. 1.2 De PFC en menselijke intelligentie 199
    3. 1.3 De subdelen van de PFC 199
  76. 76 2. De zes executieve functies 201
    1. 2.1 Initiëren van gedrag 201
    2. 2.2 Creëren en bijhouden van een doel/taak-set 203
    3. 2.3 In volgorde plaatsen en plannen 204
    4. 2.4 Veranderen van doel / strategie 205
    5. 2.5 Zelf-monitoring en evaluatie 206
    6. 2.6 Inhibitie 208
  77. 77 3. Hoger-orde denken 209
    1. 3.1 Abstract en conceptueel denken 209
    2. 3.2 Regels en inferenties 209
    3. 3.3 Reageren op nieuwigheden 211
    4. 3.4 Flexibel reageren — Reversal learning 211
  78. 78 4. Neurale mechanismen — hoe werkt de PFC? 212
    1. 4.1 Cognitieve controle door sturen van activatie 212
    2. 4.2 Bewijs uit single-cell recording (Wallis et al., 2001) 212
    3. 4.3 Flexibiliteit in de PFC (Freedman et al., 2001) 212
    4. 4.4 Een hiërarchische gradiënt van cognitieve controle 213
    5. 4.5 Van gecontroleerd naar automatisch — leren 213
  79. 79 5. Overzichtstabellen 214
    1. 5.1 De zes executieve functies 214
    2. 5.2 Hoger-orde denken — domeinen 214
    3. 5.3 Klassieke taken voor executieve functies 215
  80. 80 Kernprincipes om te onthouden 215

Infos sur le Document

Publié le
26 mai 2026
Nombre de pages
217
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€12,99

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
2
Abonnés
0
Éléments
4
Dernière vente
4 mois de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions