Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 127 pages
Resume

Fiscale Hogeschool Brussel (2026): Uitgebreide Samenvatting Europees en Internationaal Fiscaal Recht (met voorbeeldoefeningen)

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 127 pages

Deze uitgebreide samenvatting van Internationaal en Europees Fiscaal Recht behandelt de volledige leerstof op een overzichtelijke en examengerichte manier. De belangrijkste begrippen, stappenplannen, verdragsregels, EU-rechtelijke principes en fiscale casussen worden helder uitgelegd met aandacht voor wat professoren benadrukken als examenrelevant. Ideaal voor studenten die snel structuur willen krijgen in de cursus en efficiënt willen studeren voor het examen.

Aperçu du contenu

Samenvatting Europees en Internationaal
Fiscaal Recht
Hoofdstuk 1 - Algemene principes van internationaal fiscaal
recht
Bart Peeters


LEESWIJZER / EXAMENFOCUS
Dit hoofdstuk levert de basismethodiek voor de rest van het vak. De prof benadrukt dat je deze eerste twee colleges best al grondig
studeert vóór de thematische lessen. De centrale reflex is: altijd eerst intern recht, daarna pas het verdrag. Wie meteen naar het verdrag
springt, mist aangifteplichten, voorheffingen en aanknopingspunten.




0. Kernschema van het hoofdstuk

• Fiscaal recht is territoriaal en soeverein: elke staat bepaalt zelf wie hij belast, waarop en hoe.
• België kan enkel belasten bij een aanknopingspunt: personeel aanknopingspunt of materieel aanknopingspunt.
• Internationaal fiscaal recht is dus geen “wereldwetboek”: het blijft in eerste instantie nationaal recht, gecorrigeerd door
verdragen, Europees recht en internationale afspraken.
• Dubbelbelastingverdragen beperken het interne recht: zij creëren normaal geen belasting, maar reduceren of verdelen
bestaande nationale heffingsbevoegdheid.
• Verdragen werken met abstracte rollen: woonstaat en bronstaat. Per casus moet je bepalen welke staat welke rol vervult.
• Dubbele belasting wordt meestal weggewerkt door de woonstaat: via vrijstelling of verrekening.



1. Bronnenmateriaal en functie van het OESO-model

1.1. Bronnen voor België
• WIB 1992: het interne Belgische vertrekpunt. Zonder interne belastbaarheid moet je niet naar een verdrag om Belgische
belasting te beperken.
• Belgische dubbelbelastingverdragen: meer dan 100 bilaterale verdragen. Zij hebben voorrang op intern recht en kunnen de
Belgische heffingsbevoegdheid beperken.
• Multilateraal Instrument (MLI): “superverdrag” waarmee bestaande verdragen kunnen worden gewijzigd zonder elk verdrag
opnieuw volledig te onderhandelen. In België aangenomen bij wet van 7 april 2019; inwerkingtreding verschilt per verdrag.
• OESO-commentaar bij het OESO-Modelverdrag: essentieel als interpretatief en didactisch kader, maar niet zelf de bindende
rechtsbron in een concrete zaak.
• BEPS-rapporten: Base Erosion and Profit Shifting, gericht tegen grondslaguitholling en winstverschuiving. Dit gaat niet
noodzakelijk over fraude, maar vaak over legale belastingontwijking/planning die als maatschappelijk onwenselijk wordt gezien.

BELANGRIJK
Het OESO-Modelverdrag is slechts een model. In de praktijk telt het concrete verdrag. Het model helpt vooral om verdragen snel te lezen,
omdat veel verdragen dezelfde basisstructuur volgen.



1.2. Waarom OESO-model en commentaar zo belangrijk zijn
• Landen beginnen verdragsbesprekingen niet telkens vanaf nul: de problemen zijn vaak vergelijkbaar.
• Het OESO-model biedt een standaardstructuur: art. 1 toepassingsgebied, art. 4 inwonerschap, art. 6-21 inkomenscategorieën,
art. 23 vermijding dubbele belasting, enz.
• Het commentaar geeft toelichting bij de artikelen, maar de bindende tekst blijft het verdrag dat Belgiëmet de andere staat heeft
gesloten.



Europees en Internationaal Fiscaal Recht - Hoofdstuk 1 pag. 1

, • Het model is dynamisch: aanpassingen volgden onder meer in 1977, 1996, 2000, 2004, 2008, 2010, 2014,2017 en 2025.

1.3. Buitenlandse wetgeving en internationale organisaties
• Bij een internationale casus moet je soms ook buitenlands intern recht controleren. De Belgische analyse volstaat niet om te
weten of Nederland, Frankrijk, Spanje, enz. zelf belast.
• In praktijk schakelen kantoren daarom lokale correspondenten in: de internationale structuur kan je zelf analyseren, maar
concreet buitenlands intern recht vergt vaak lokale expertise.
• Internationale organisaties zoals OESO, IBFD, IFA, EATLP en de Weense school produceren rapporten, landenrapporten en
algemene rapporten die helpen bij rechtsvergelijking en interpretatie.



2. Wat is internationaal fiscaal recht?

Internationaal fiscaal recht is het geheel van regels over de vestiging en invordering van belastingen waarbij minstens één
extraterritoriaal element speelt. Denk aan een Belgische atleet die prijzengeld in het buitenland behaalt, een Nederlandse
supermarktketen met Belgische vestigingen, roerende inkomsten via buitenlandse structuren, of multinationals die winsten
verschuiven.

2.1. Drie basisvragen
• Wie is de belastingplichtige? = personeel toepassingsgebied.
• Waarop wordt de belastingplichtige belast? = materieel toepassingsgebied.
• Hoe wordt de belasting geïnd? = fiscale procedure.

EXAMEN - ABSOLUTE BASISMETHODE
Werk in twee stappen: 1. Intern recht: bestaat er volgens Belgisch intern recht een personele of materiële aanknoping en welke
aangifte/voorheffing geldt? 2. Verdragsrecht: beperkt een dubbelbelastingverdrag daarna die interne heffingsbevoegdheid? Deze volgorde
is volgens de docent cruciaal; wie meteen verdragsrechtelijk redeneert, verliest belangrijke punten.



2.2. Fiscale soevereiniteit
• Elke staat kiest zelf zijn aanknopingspunten. België bepaalt dus zelf wie rijksinwoner is, wat Belgische inkomsten zijn en hoe
belasting wordt geïnd.
• Een andere staat kan tegelijk eigen aanknopingspunten gebruiken. Daardoor kan één inkomen door meerdere staten als
belastbaar worden beschouwd.
• Internationaal fiscaal recht probeert die cumulaties te ordenen, maar vertrekt steeds vanuit autonome nationale fiscale stelsels.

Voorbeeld uit de les - sporter op Olympische Spelen
Een Belgische atleet behaalt prijzengeld in Italië/Japan. België kan belasten als de atleet Belgisch rijksinwoner is: personeel
aanknopingspunt → wereldwijde taxatie. De staat waar de prestatie plaatsvindt kan óók belasten als zijn intern recht sportinkomsten op
zijn grondgebied belast: materieel aanknopingspunt.
Als bijvoorbeeld een Duitse organisator betaalt, kan Duitsland op basis van zijn eigen intern recht eventueel nog een derde materieel
aanknopingspunt creëren. De aanknopingsregels zijn dus nationaal recht.


Voorbeeld uit de les - Albert Heijn
Albert Heijn is een Nederlandse onderneming. België kan Belgische winsten belasten als er Belgische dochtervennootschappen zijn: dat zijn
aparte Belgische vennootschappen met een personeel aanknopingspunt. Als er enkel filialen/afdelingen zijn, kan België belasten in de mate
dat de winsten toerekenbaar zijn aan een Belgische vaste inrichting: materieel aanknopingspunt.




3. Aanknopingspunten in het Belgisch intern recht

3.1. Personeel aanknopingspunt
Een personeel aanknopingspunt betekent dat het belastingsubject zelf met België is verbonden. Gevolg: wereldwijde taxatie,
zonder dat elk inkomensbestanddeel afzonderlijk met België verbonden moet zijn.
• Natuurlijke personen: rijksinwoner in de zin van art. 2, §1, 1° WIB 92. In praktijk is inschrijving in het Rijksregister een belangrijk
bewijsvermoeden, maar de feitelijke fiscale woonplaats en zetel van fortuin blijven relevant.


Europees en Internationaal Fiscaal Recht - Hoofdstuk 1 pag. 2

, • Vennootschappen: binnenlandse vennootschap in de zin van art. 2, §1, 5°, b-c WIB 92. Fiscaal blijft België focussen op de
werkelijke zetel/voornaamste inrichting, niet louter op de statutaire zetel.
• Gevolg: art. 5 WIB 92 (PB) en art. 185 WIB 92 (VennB) leiden tot belasting op wereldwijde inkomsten.

BELANGRIJK
Inwonerschap is autonoom nationaal recht. Het feit dat iemand inwoner is van Nederland sluit niet automatisch uit dat België hem óók als
inwoner beschouwt. Bij verdragen wordt dat pas opgelost via tie-breakers van art. 4 OESO-model, en enkel voor de verdragstoepassing.



3.2. Buitenlandse varianten
• De Verenigde Staten kunnen aanknopen bij “residents and nationals”: nationaliteit kan dus ook een personeel aanknopingspunt
zijn.
• Sommige landen hanteren territoriale stelsels of remittance-based taxation. De slides vermelden ondermeer Franse
vennootschappen, Portugal en de vroegere UK non-domiciled-regeling.

3.3. Voorbeelden bij vennootschappen
• Belgische IT’ers met een Luxemburgse Kommanditgesellschaft: Luxemburg kan fiscaal transparant behandelen, maar België kan
de rechtspersoonlijkheid respecteren en kijken waar de voornaamste inrichting ligt. Ligt die feitelijk in België, dan volgt Belgische
vennootschapsbelasting.
• Transportfirma’s vanuit Slowakije: als planning, dagelijks beheer en bestuur feitelijk vanuit België gebeuren, kan België een
binnenlandse vennootschap aannemen ondanks buitenlandse rechtsvorm.

3.4. Materieel aanknopingspunt
Een materieel aanknopingspunt is nodig wanneer het subject niet in België is gevestigd, maar het inkomen zelf een band met
België heeft. De kernbepaling is art. 228 WIB 92: niet-inwoners worden belast op in België behaalde of verkregen inkomsten.
• Art. 228, §1 WIB 92 formuleert algemeen: “in België behaalde of verkregen inkomsten”.
• Art. 228, §2 WIB 92 geeft per inkomenscategorie concrete aanknopingsregels.
• Het woord “belastbaar” betekent enkel dat België volgens het aanknopingspunt mag heffen; daarna moetje nog nagaan hoe en
of effectief wordt belast.

EXAMEN - WOORDGEBRUIK
Belastbaar is niet hetzelfde als effectief belast. Eerst zoek je het aanknopingspunt. Pas daarna kijk je naar taxatie, vrijstelling, voorheffing,
aangifte en eventuele verdragsbeperking.




4. Materiële aanknopingspunten in de BNI

4.1. Onroerende inkomsten
• Criterium: plaats van ligging van het onroerend goed. België belast inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen.
• Ambassades: een ambassadegebouw blijft Belgisch grondgebied. Voor onroerende inkomsten kan eenvrijstelling bij
wederkerigheid gelden (art. 231, §1, 1° WIB 92), maar personeel dat in de ambassade werkt, werkt in België.
• Taxatie: voor niet-inwoners-natuurlijke personen wordt aangesloten bij art. 232, 1° en 235, 1° WIB 92.
• Praktisch: bij onroerend inkomen beneden 2.500 EUR is geen verplichte aangifte vereist (art. 232, lid 2WIB 92). Dat betekent niet
dat er geen belasting is: de onroerende voorheffing werkt bevrijdend (art. 248 WIB 92).
Voorbeeld - Mr. Zoetemelk
Mr. Zoetemelk, inwoner van Nederland, heeft: (1) een vakantiehuisje in de Ardennen dat hij uitsluitend zelf gebruikt, (2) een vakantiehuisje
in de Ardennen dat hij ook af en toe verhuurt, en (3) een pand in Brussel dat hij verhuurt aan zijn eigen vennootschap.
Analyse: geen personeel aanknopingspunt in België. Wel een materieel aanknopingspunt voor Belgische onroerende goederen. Daarna
moet je per goed kijken naar het KI, de grens van 2.500 EUR, eventuele verhuur, bemeubelde verhuur en de vraag of beroepsinkomsten
worden gerealiseerd.
Bij bemeubelde verhuur kan naast onroerend inkomen ook roerend inkomen spelen. Bij verhuur aan de eigen vennootschap moet je
nagaan of beroepsmatige regels of herkwalificaties aan bod komen.




Europees en Internationaal Fiscaal Recht - Hoofdstuk 1 pag. 3

, 4.2. Roerende inkomsten
• Criterium: in de slides samengevat als woonplaats/vestiging van de schuldenaar. België belast roerende inkomsten die in België
worden behaald of verkregen.
• “Behaald”: de link zit bij de plaats waar de uitkering ten laste komt van een Belgische belastingplichtige of Belgische inrichting.
• Voorheffing: belasting volgens de regels van roerende voorheffing (art. 261 e.v. WIB 92). In beginsel houdt de schuldenaar in; in
bijzondere gevallen moet de verkrijger zelf doorstorten.
• Bevrijdend karakter: roerende voorheffing werkt in beginsel bevrijdend voor de niet-inwoner (art. 248 WIB92).
• EU-recht: moeder-dochterrichtlijn, interest- en royaltyrichtlijn en rechtspraak kunnen de interne regelingbijsturen.

Roerende inkomsten - twee nuances uit de slides
Interesten betaald door een Nederlandse vennootschap aan een Liechtensteinse stichting kunnen toch in België belastbaar zijn als zij
worden aangerekend op een Belgische inrichting. De geldstroom zelf loopt dan Nederland → Liechtenstein, maar de fiscale last ligt in
België.
Interesten betaald door een Nederlands filiaal van een Belgische bank aan een Nederlander zijn theoretisch Belgisch aanknoopbaar, maar
art. 230, 1° WIB 92 voorziet een vrijstelling indien zij ten laste komen van een buitenlandse inrichting.



4.3. Bezoldigingen
• Bezoldigingen gaan over natuurlijke personen. Een vennootschap behaalt geen bezoldiging, maar winst.
• Art. 228, §2, 6° WIB 92: bezoldigingen ten laste van een Belgische schuldenaar zijn belastbaar in België.
• Uitzondering art. 230, 3°, a WIB 92: geen Belgische aanknoping als de werkzaamheid in het buitenland wordt uitgeoefend én de
bezoldiging wordt aangerekend op een buitenlandse vaste inrichting.
• Art. 228, §2, 7° WIB 92: Belgische aanknoping wegens in België uitgeoefende werkzaamheid gedurende meer dan 183 dagen. De
prof benadrukt: kijk naar een periode van 365 dagen/12 maanden, niet noodzakelijk een kalenderjaar.
• Art. 228, §2, 8° WIB 92: sporters en podiumkunstenaars zijn bijzonder: activiteit in België kan reedsaanknoping geven.
• Invordering: bedrijfsvoorheffing, maar normaal niet bevrijdend. Er moet dus vaak nog aangifte worden ingediend, behalve voor
bepaalde uitzonderingen zoals seizoenarbeiders.

Voorbeelden bij Franse werknemer
Franse werknemer van een Belgische vennootschap maakt in Frankrijk reclame voor de Belgische vennootschap zonder vaste inrichting in
Frankrijk: Belgische aanknoping via Belgische schuldenaar.
Franse werknemer werkt in Frankrijk voor een vaste inrichting van de Belgische onderneming: geen Belgische aanknoping indien de
bezoldiging ten laste is van de buitenlandse vaste inrichting.
Franse werknemer werkt een volledig jaar in België voor een Franse firma zonder Belgische vestiging: Belgische aanknoping via fysieke
werkzaamheid >183 dagen.



4.4. Art. 228, §3 WIB 92: vangnetbepaling
De oude §3 werd te ruim bevonden: bijna elke dienst aan een Belgische schuldenaar kon theoretisch Belgisch aanknoopbaar
worden. Sinds de wet van 18 december 2016 is de bepaling ingeperkt.
• Doel: inkomsten die niet onder §1 of §2 vallen, maar die voor Belgische belastingplichtigen belastbaar zouden zijn, toch viseren
wanneer er een Belgische link bestaat.
• Huidige focus: winsten en baten uit diensten geleverd aan een rijksinwoner, vennootschapsbelastingplichtige, RPB-rechtspersoon
of Belgische inrichting.
• Belangrijke beperking: de dienstverrichter moet rechtstreeks of onrechtstreeks in een band van wederzijdse afhankelijkheid
staan met de Belgische schuldenaar. Een gewone taxirit of toevallige dienst volstaat dus niet.
• Internationale grens: België past de bepaling toe indien het verdrag België belasting toestaat, of bij ontbreken van verdrag indien
de belastingplichtige niet bewijst dat de inkomsten daadwerkelijk worden belast in zijn woonstaat.
• Invordering: bedrijfsvoorheffing van 29% op de inkomsten na forfaitaire kostenaftrek van 50%. Economisch is dat 14,5% op het
brutobedrag.

BELANGRIJK VOOR KOSTEN
De forfaitaire kostenaftrek van 50% kan ongunstig zijn als de werkelijke kosten hoger liggen. Daarom bestaat de optie om toch aangifte in te
dienen (art. 248, §3 WIB 92). Dit sluit aan bij EU-rechtspraak over discriminatie van niet-inwoners.




Europees en Internationaal Fiscaal Recht - Hoofdstuk 1 pag. 4

Table des matières

  1. 01 0. Kernschema van het hoofdstuk 1
  2. 02 1. Bronnenmateriaal en functie van het OESO-model 1
    1. 1.1. Bronnen voor België 1
    2. 1.2. Waarom OESO-model en commentaar zo belangrijk zijn 1
    3. 1.3. Buitenlandse wetgeving en internationale organisaties 2
    4. 2.1. Drie basisvragen 2
    5. 2.2. Fiscale soevereiniteit 2
  3. 03 3. Aanknopingspunten in het Belgisch intern recht 2
    1. 3.1. Personeel aanknopingspunt 2
    2. 3.2. Buitenlandse varianten 3
    3. 3.3. Voorbeelden bij vennootschappen 3
    4. 3.4. Materieel aanknopingspunt 3
  4. 04 4. Materiële aanknopingspunten in de BNI 3
    1. 4.1. Onroerende inkomsten 3
    2. 4.2. Roerende inkomsten 4
    3. 4.3. Bezoldigingen 4
    4. 4.4. Art. 228, §3 WIB 92: vangnetbepaling 4
  5. 05 6. Herhalingsvoorbeelden: intern recht eerst 5
    1. 1. Lucas - Antwerpen / Amsterdam 5
    2. 2. Jean-Louis - Franse transportfirma 5
    3. 3. Legal & Co Ltd. - Britse advocatenvennootschap 5
    4. 4. Zwitserse medische scanner 5
  6. 06 7. Waarom correcties nodig zijn 5
  7. 07 8. Aanpassingen in intern recht 6
    1. 8.1. Buitenlandse belastingen als aftrekbare kost - “netto aan de grens” 6
    2. 8.2. Halvering van Belgische belasting op buitenlandse inkomsten in PB 6
    3. 8.3. Forfaitair gedeelte buitenlandse belasting 6
  8. 08 9. Bilaterale dubbelbelastingverdragen 6
    1. 9.2. Totstandkoming en OESO-Model 6
  9. 09 10. Toepassing: Mr. Versmissen en de Costa Brava 7
    1. Casus 7
    2. Stap 1 - Intern recht 7
    3. Stap 2 - Verdrag België-Spanje 7
  10. 10 11. Algemene werking van verdragen 7
    1. 11.1. Verdrag redeneert abstract 7
    2. 11.2. Drie soorten cumulaties 7
    3. 11.3. Verdragsanalyse in stappen 7
    4. 11.4. Interpretatie 8
  11. 11 12. Vrijstellingsmethode en verrekeningsmethode 8
    1. 12.1. Twee hoofdmethoden 8
    2. 12.2. Belgische methode 8
    3. 12.3. Progressievoorbehoud - techniek 8
    4. 12.4. Voorbeeld Vandeput - PB versus BV 9
    5. 12.5. Afzonderlijk belastbare inkomsten en art. 171, 8° WIB 92 9
  12. 12 13. Onderworpenheidsvereiste, opcentiemen en roerende inkomsten 9
    1. 13.1. “Belastbaar”, “belast” en “werkelijk belast” 9
    2. 13.2. Verdrag België-Spanje - voorbeeldtekst 10
    3. 13.3. Gemeentelijke/provinciale opcentiemen 10
    4. 13.4. Verrekeningsmethode voor roerende inkomsten 10
  13. 13 14. Onderling overleg en resterende conflicten 10
    1. 14.1. Waarom verdragen niet alles oplossen 10
    2. 14.2. Voorbeeld 1 - kwalificatieconflict interest/dividend 10
    3. 14.3. Voorbeeld 2 - classificatieconflict entiteit/partnership 11
  14. 14 15. Indirecte belastingen: dezelfde reflex, andere bronnen 11
    1. 15.1. Successierechten 11
    2. 15.2. BTW 12
  15. 15 16. Samenvattend stappenplan voor examencasus 12
  16. 16 0. Kernschema van het hoofdstuk 13
  17. 17 1. Examenstof en afbakening 13
  18. 18 2. Institutioneel kader: van EEG naar EU 13
    1. 2.1. Ontstaan en evolutie 13
    2. 2.2. Lissabon, euro, Brexit en geopolitieke context 14
  19. 19 3. Primair en secundair Europees recht 14
    1. 3.1. Primair Europees recht = negatieve integratie 14
    2. 3.2. Secundair Europees recht = positieve integratie 14
  20. 20 4. Effectiviteit van EU-recht: voorrang en directe werking 14
    1. 4.1. Voorrang - Costa/ENEL 15
    2. 4.2. Directe werking - Van Gend en Loos 15
    3. 4.3. Gevolgen: conforme interpretatie en buiten toepassing laten 15
  21. 21 5. Costanzo-doctrine in fiscaliteit: Cobelfret en DBI 15
    1. 5.1. Cobelfret: DBI-aftrek en moeder-dochterrichtlijn 15
    2. 5.2. Fout in de wetgeving: fusies en splitsingen 16
  22. 22 6. Terugvordering van met EU-recht strijdige belastingen 16
    1. 6.1. Procedurele autonomie, maar niet onbeperkt 16
    2. 6.2. BT Pension Scheme Case 16
  23. 23 7. EU-bevoegdheden in fiscaal domein 16
    1. Eigen middelen en voorstellen uit de slide 16
    2. 7.2. Douane, indirecte en directe belastingen 17
    3. 7.3. Evolutie directe belastingen 17
    4. 7.4. Unanimiteit, subsidiariteit en evenredigheid 17
  24. 24 8. Unietrouw, grondrechten en instellingen 17
    1. 8.1. Unietrouw en Handvest 17
    2. 8.2. EU-instellingen in fiscaliteit 17
  25. 25 9. Controle op naleving: Commissie en nationale rechters 18
    1. 9.1. Inbreukprocedure door de Commissie 18
    2. 9.2. Nationale rechters en prejudiciële vragen 18
  26. 26 10. Non-discriminatie en verdragsvrijheden 18
    1. 10.1. Toepasselijke vrijheden 18
    2. 10.2. Directe en indirecte discriminatie 18
    3. 10.3. Redeneerschema van het Hof van Justitie 19
  27. 27 11. Rechtspraak over inwoners, niet-inwoners en persoonlijke voordelen 19
    1. 11.1. Zaak Schumacker 19
    2. 11.2. Zaak Gerritse 19
    3. 11.3. Zaak De Groot 19
  28. 28 12. Misbruik en EU-recht 20
    1. 12.1. Cadbury Schweppes 20
    2. 12.2. Danish cases 20
    3. 12.3. Nordcurrent 20
  29. 29 13. Toegelaten hinder: dispariteiten 20
    1. Kerckhaert-Morres / Damseaux 20
  30. 30 14. EU-agenda inzake vennootschapsbelasting 20
    1. 14.1. ATAD 20
    2. 14.2. BEFIT 21
  31. 31 15. Richtlijn minimumbelasting - Pillar 2 21
    1. 15.1. Toepassing en mechaniek 21
    2. 15.2. Drie regels 21
  32. 32 16. FASTER-richtlijn 22
  33. 33 17. Formeel fiscaal Unierecht 22
    1. 17.1. DAC - administratieve samenwerking 22
    2. 17.2. DAC-overzicht 22
    3. 17.3. Arbitragerichtlijn 22
    4. 17.4. Invorderingsrichtlijn 23
  34. 34 18. Staatssteunregels vanuit fiscaal perspectief 23
    1. Excess profit rulings - cijfers uit de slide 23
    2. 18.2. Bronnen 23
    3. 18.3. Definitie: vier cumulatieve voorwaarden 24
    4. 18.4. Selectiviteit: drie-stappenanalyse 24
    5. 18.5. Bestaande vs. nieuwe steun 24
    6. 18.6. Verenigbare vs. onrechtmatige steun 24
    7. 18.7. Procedure bij de Commissie 24
  35. 35 19. Staatssteun en fiscale rulings: Fiat, Amazon, Apple 25
    1. 19.1. Fiat Chrysler en Amazon 25
    2. 19.2. Apple 25
    3. 19.3. Gedragscode schadelijke fiscale concurrentie 25
  36. 36 20. Stappenplannen voor examencasus 25
    1. 20.1. EU-rechtelijke betwisting van nationale belasting 25
    2. 20.2. Verdragsvrijheden en discriminatie 25
    3. 20.3. Staatssteunrisico 26
  37. 37 0. Kernschema van het hoofdstuk 27
    1. VI of dochtervennootschap 27
  38. 38 2. Relevante wetgeving 27
    1. 2.1. Vertrekpunt in het WIB 92 27
    2. 2.2. Boekhouding en kosten van de VI 28
    3. 2.3. Toepassing van dubbelbelastingverdragen 28
  39. 39 3. Vaste inrichting: drie categorieën 28
  40. 40 4. Materiële vaste inrichting 28
    1. DEFINITIE OP DE SLIDE 28
  41. 41 5. Thuiswerk als vaste inrichting 29
    1. 5.1. Belgisch-Nederlandse overeenkomst van 23 november 2023 29
    2. 5.2. OESO-commentaar 2025 29
  42. 42 6. Art. 5(2) en art. 5(3): voorbeelden en bouwwerken 29
    1. 6.1. Voorbeelden van art. 5(2) OESO-Modelverdrag 30
    2. DREMPELS OP DE SLIDE 30
  43. 43 7. Negatieve bepaling en anti-fragmentatieregel 30
    1. 7.1. Negatieve bepaling van art. 5(4) 30
    2. 7.2. Voorwaarden 30
    3. 7.3. Anti-fragmentatieregel 31
  44. 44 8. Personele vaste inrichting 31
    1. OUDE DEFINITIE OP DE SLIDE 31
  45. 45 9. Commissionairstructuren: Zimmer, Dell en de nieuwe definitie 31
    1. 9.1. Probleem: civil law vs common law 31
    2. 9.2. Zimmer Case - Conseil d’Etat 31 maart 2010 31
    3. 9.3. Dell Case - Noors Hooggerechtshof 2 december 2011 32
    4. NIEUWE DEFINITIE OP DE SLIDE 32
  46. 46 10. Diensten vaste inrichting 32
    1. DREMPELS OP DE SLIDE 32
  47. 47 11. MLI en BEPS Actie 7 32
  48. 48 12. Voorbeelden vaste inrichting - examengericht 33
    1. EXAMENFOCUS 33
    2. 12.1. Voorbeeld 1 - Gent 16 januari 2018: Luxemburgse vleesverwerker 33
    3. 12.2. Voorbeeld 2 - Gent 6 december 2016: auto-expert met postbus 33
    4. 12.3. Voorbeeld 3 - Voorafgaande beslissing nr. 500.274 van 27 april 2006: typecursussen 33
    5. 12.4. Voorbeeld 4 - Gent 15 juni 2010: Franse verkopers op beurzen 33
  49. 49 13. Ondernemingswinsten en art. 7 OESO-Modelverdrag 34
    1. TE KENNEN PRINCIPE 34
  50. 50 14. Evolutie naar de Authorized OECD Approach (AOA) 34
    1. 14.1. Situatie vóór 2008 34
    2. 14.2. AOA vanaf 2008 en art. 7 vanaf 2010 34
  51. 51 15. AOA - twee stappen 35
    1. 15.1. Stap 1 - uitgeoefende functies 35
    2. 15.2. Stap 1 - gedragen risico’s 35
    3. 15.3. Stap 1 - gebruikte activa 35
  52. 52 16. AOA - kapitaal, vreemd vermogen en interne verrichtingen 35
    1. 16.1. Allocatie van vrij kapitaal 35
    2. 16.2. Allocatie van vreemd vermogen 36
    3. 16.3. Interne verrichtingen 36
  53. 53 17. Oud art. 7(3), nieuw art. 7 en stap 2 van de AOA 36
    1. 17.1. Beperkingen onder oud art. 7(3) 36
    2. NIEUWE ART. 7(2) OP DE SLIDE 36
  54. 54 18. Belastingtechnische verwerking: tweede bewerking 37
    1. 18.1. Opdeling volgens oorsprong 37
    2. 18.2. Verliescompensatie - Velasquez-doctrine 37
    3. 18.3. Definitieve bij verdrag vrijgestelde verliezen 37
  55. 55 19. Praktisch antwoordmodel voor een casus 37
    1. KERNZIN OM TE ONTHOUDEN 38
    2. LEESWIJZER / EXAMENFOCUS 39
  56. 56 0. Kernsynthese van het hoofdstuk 39
    1. Studieprioriteit 39
  57. 57 1. Algemeen kader: bronstaat, woonstaat en drie rechtslagen 39
    1. 1.1. Basisprobleem bij roerende inkomsten 40
    2. 1.2. Altijd drie lagen samen onderzoeken 40
  58. 58 2. Toepassingsgebied van verdragen: art. 1, en 4 40
    1. 2.1. Artikel 1: persons covered 40
    2. 2.2. Artikel 3: person en company 41
    3. 2.3. Artikel 4: resident en liable to tax 41
  59. 59 3. Liable to tax in praktijkvoorbeelden 41
    1. 3.2. Belgische NV investeert in fiscaal transparante US Corp 41
    2. 3.3. Territorialiteitsregimes - Land X / Hong Kong 42
    3. 3.4. Artikel 106 §5 KB/WIB en de Chinese moedervennootschap 42
    4. 3.5. Beleggingsvennootschappen - art. 185bis WIB 42
  60. 60 4. Artikelen 10, 11 en 12 OESO-Modelverdrag 43
  61. 61 5. Dividenden - art. 10 OESO-Modelverdrag 43
    1. 5.1. Belgische en internationale basis 43
    2. 5.2. Gedeelde heffingsbevoegdheid 43
    3. 5.3. Cijfervoorbeelden van de slide 44
    4. 5.4. Nut van het verdrag 44
  62. 62 6. Uiteindelijk gerechtigde en treaty shopping 44
    1. 6.1. Functie van het begrip 44
    2. 6.2. Treaty shopping - cijfervoorbeelden integraal uit de slide 44
    3. 6.3. Dubbele terugvordering van RV 45
  63. 63 7. EU-rechtelijke aspecten en Kerckhaert-Morres 45
    1. 7.1. Kern van de Kerckhaert-Morres-rechtspraak 45
    2. 7.2. Cijfervoorbeeld KLM/KBC 45
  64. 64 8. Belgische vrijstellingen voor dividenden - art. 106 KB/WIB 46
    1. 8.1. Waarom art. 106 vaak belangrijker is dan het verdrag 46
    2. 8.2. Art. 106 §2 KB/WIB - buitenlandse pensioenfondsen 46
    3. 8.3. Art. 106 §4 KB/WIB - antimisbruik bij doorstorting 46
    4. 8.4. Art. 106 §5 KB/WIB - moeder-dochter / uitbreiding door België 46
  65. 65 9. Interesten - art. 11 en art. 107 KB/WIB 47
    1. 9.1. Basis 47
    2. 9.2. Interest-Royaltyrichtlijn - omzetting in art. 107 §6 KB/WIB 47
  66. 66 10. Royalties - art. 12 OESO-Modelverdrag en art. 111 KB/WIB 47
    1. 10.1. Huidig OESO-model 47
    2. 10.2. Definitie en belang van oude verdragen 47
  67. 67 11. Double dip en hybride mismatches 48
  68. 68 12. Internationale uitwisseling van fiscale informatie 48
    1. 12.1. Van bankgeheim naar uitwisseling 48
    2. 12.2. FATCA 49
    3. 12.3. CRS / DAC2 49
    4. 12.4. CRS - te rapporteren informatie 49
  69. 69 13. Casusaanpak voor het examen 49
    1. Laatste geheugensteun 50
  70. 70 0. Kernsynthese van het hoofdstuk 51
    1. Verband met de vorige hoofdstukken 51
  71. 71 1. Waarom transfer pricing relevant is 51
    1. 1.1. TP = operationalisatie van corporate strategy 52
    2. 1.2. Een wereld zonder duidelijke TP-analyse 52
    3. 1.3. Multinational = lopende band over grenzen heen 52
    4. 1.4. Media-voorbeeld bakkerij / receptuur 52
  72. 72 2. Transfer pricing in een ruimer kader 53
    1. 2.1. Externe druk op TP 53
    2. 2.2. Pillar 1, Pillar 2 en digital tax 53
    3. 3.1. Definitie en arm's length 53
    4. 3.2. Basisfilosofie: no pain, no gain 54
  73. 73 4. Delineation en functionele analyse 54
    1. 4.1. Delineation = finding the real deal 54
    2. 4.2. Factoren voor de vergelijkbaarheidsanalyse 54
    3. 4.3. Contract is startpunt, maar niet eindpunt 54
    4. 4.4. Functionele analyse: FAR 55
    5. 4.5. Risk control framework 55
    6. 4.6. Digital twins en dematerialisatie 55
  74. 74 5. Transfer pricing methodes 56
    1. 5.1. Overzicht van de vijf OESO-methodes 56
    2. 5.2. Resale price method - cijfervoorbeeld slide 56
    3. 5.3. Cost plus method - cijfervoorbeeld slide 56
    4. 5.4. TNMM - cijfervoorbeeld ROS 57
    5. 5.5. Arm's length range en interquartile range 57
    6. 5.6. Profit split 57
  75. 75 6. Documentatie 58
    1. 6.1. Drietrapsbenadering BEPS Action 13 58
    2. 6.2. OECD CbCR versus EU public CbCR 58
  76. 76 7. Bedrijfsmodellen en waardeketen 59
    1. 7.1. Analyse van de hele waardeketen 59
    2. 7.2. Productiemodellen 59
    3. 7.3. Distributiemodellen 60
    4. 7.4. Procurement, contract R&D;, CCA en IP-licenties 60
  77. 77 8. Bedrijfsherstructureringen 60
    1. 8.1. Definitie 60
    2. 8.3. Voorbeelden uit de notes 61
  78. 78 9. Immateriële activa en DEMPE 61
    1. 9.1. Definitie van intangible 61
    2. 9.2. Legal ownership en financiering volstaan niet 61
    3. 9.3. Royalty's en waardering 62
    4. 9.4. Waarderingstechnieken en ex ante informatie 62
  79. 79 10. Intragroepsdiensten en financiële transacties 62
    1. 10.1. Intragroepsdiensten 62
    2. 10.2. Passieve associatie versus echte dienst/intangible 63
    3. 10.3. Financiële transacties 63
  80. 80 11. Voorkomen en oplossen van geschillen 63
    1. 11.1. Waarom geschillen vaak ontstaan 63
    2. 11.2. Nationale en internationale mechanismen 63
    3. 11.3. MAP en arbitrage 64
  81. 81 12. Negen punten om te onthouden 64
  82. 82 13. Case study - SIG NV 64
    1. 13.1. Feiten en cijfers uit de slide 64
    2. 13.2. Standpunt fiscus en SIG 65
    3. 13.3. Analyse die je moet kunnen maken 65
    4. 13.4. Snelle aanpak bij een TP-casus 66
  83. 83 0. Kernsynthese van het hoofdstuk 67
    1. Verband met vorige hoofdstukken 68
  84. 84 1. Situering: internationale tewerkstelling 68
    1. 1.1. Drie luiken 68
    2. 1.2. Internationale tewerkstelling ≠ emigratie 68
  85. 85 2. Artikel 15 DBV - werknemers 68
    1. 2.1. Structuur van art. 15 68
    2. 2.2. Art. 15, §1 - algemene regel en pro rata 69
    3. 2.3. Fysieke aanwezigheid en bewijs 69
    4. 2.4. België-Luxemburg: 24/34-dagenregeling 69
    5. 2.5. COVID-akkoorden thuiswerk 70
  86. 86 3. Artikel 15, §2 - de 183-dagenregel 71
    1. 3.1. Cumulatieve voorwaarden 71
    2. 3.2. Voorwaarde 1: 183 dagen - verblijf versus activiteit 71
    3. 3.3. Voorwaarde 2: werkgever en economische benadering 72
    4. 3.4. Voorwaarde 3: vaste inrichting van de werkgever 72
    5. 3.5. BEPS, MLI en personele vaste inrichting 72
    6. 3.6. OESO-commentaar 2025 - cross-border remote work 73
  87. 87 4. Artikel 15, §3 - internationaal verkeer 73
  88. 88 5. Artikel 16 DBV - bestuurders en bedrijfsleiders 74
    1. 5.1. Basisregel 74
    2. 5.2. Paragraaf 2: executive versus non-executive 74
    3. 5.3. Rechtspraak art. 16 74
  89. 89 6. Artikel 17 DBV - artiesten en sportbeoefenaars 75
    1. 6.1. Basisregel 75
    2. 6.3. Art. 17, §2 - anti-avoidance 75
  90. 90 7. Werking van verdragen en vrijstelling in België 76
    1. 7.1. Altijd art. 23/22 DBV raadplegen 76
    2. 7.2. Drie formuleringen in verdragen 76
    3. 7.3. Voorbeelden uit verdragen 77
    4. 7.4. Landen zonder DBV 77
  91. 91 8. Bijzonder taxatieregime voor expats 77
    1. 8.1. Oude regeling bij circulaire 77
    2. 8.2. Nieuwe regeling bij wet 78
    3. 8.3. Belastingvoordelen nieuw regime 78
    4. 8.4. BBIB en BBIO 79
    5. 8.5. Voorbeeld loongrens aanvraag statuut - cijfers integraal 79
    6. 8.6. Procedure 80
  92. 92 9. Sociale zekerheid bij internationale tewerkstelling 80
    1. 9.1. Fiscaliteit en sociale zekerheid lopen niet samen 80
    2. 9.2. Basisprincipe en uitzonderingen 80
    3. 9.3. Vier vragen voor toepasselijk SZ-regime 80
    4. 9.4. Werken in twee of meer lidstaten 81
    5. 9.5. COVID en raamovereenkomst telewerk 81
  93. 93 10. Praktische aandachtspunten 82
  94. 94 11. Stappenplan bij een casus internationale tewerkstelling 82
    1. LEESWIJZER / EXAMENFOCUS 83
    2. 0. Kernsynthese van het hoofdstuk 83
    3. 1. Belgische internrechtelijke situering 83
    4. 2. Analysetechniek bij dubbelbelastingverdragen 86
    5. 3. Artikel 18 - algemene pensioenbepaling 86
    6. 4. Verdragsvoorbeelden onder art. 18 87
    7. 5. Artikel 19 - overheidspensioenen 88
    8. 6. Toewijzingsartikelen en voorkoming van dubbele belasting 89
    9. 7. Casus België-Luxemburg 89
    10. 8. Casus België-Frankrijk 90
    11. 9. Praktische checklist voor casussen 91
    12. LEESWIJZER / EXAMENFOCUS 92
    13. 0. Kernsynthese 92
    14. 1. Inleiding: fiscale en niet-fiscale aandachtspunten 92
    15. 2. Toepassing van het dubbelbelastingverdrag 93
    16. 3. Conflicts of qualification en verschillen in nationaal recht 95
    17. 4. Buitenlands onroerend goed in de personenbelasting 96
    18. 5. Buitenlands onroerend goed in de vennootschapsbelasting 97
    19. 6. Financiering van de vennootschap 99
    20. 7. Indirecte belasting: schenk- en erfbelasting 99
    21. 8. Voorbeeld Spanje (praktijkillustratie) 100
    22. 9. Praktische checklist voor advies 101
    23. LEESWIJZER / EXAMENFOCUS 103
    24. 0. Kernsynthese 103
    25. 1. Inleiding: BelCo, DutchCo en nationaliteit 104
    26. 2. Reorganisatievormen: doel, opties en methodiek 105
    27. 3. Optie 1: ontbinding en oprichting - discontinu scenario 106
    28. 4. Bronnen en fiscale fusierichtlijn 106
    29. 5. Uitwaartse zetelverplaatsing 108
    30. 6. Inwaartse zetelverplaatsing 112
    31. 7. Uitwaartse fusie 113
    32. 8. Inwaartse fusie 115
    33. 9. Praktische oplossingsmethode voor casussen 116
    34. 10. Formules en cijfers die je moet kunnen volgen 117
    35. 11. Mini-checklist: wat zeker niet vergeten 117
    36. LEESWIJZER / EXAMENFOCUS 118
    37. 0. Kernsynthese 118
    38. 1. Aanleiding: van fiscale planning naar “fair share” 118
    39. 2. Klassieke planningstechnieken en mismatches 119
    40. bestrijding 121
    41. 5. Formeel luik: transparantie en informatie-uitwisseling 121
    42. 6. Materieel luik: BEPS 122
    43. 7. Europese invulling 123
    44. 8. ATAD 1, CFC en ATAD 2 124
    45. 9. Initiatieven vanuit andere hoeken 125
    46. 10. Tegenwind: rechtsbescherming en grenzen aan antimisbruik 126
    47. 11. Besluit en examengerichte checklist 126

Infos sur le Document

Publié le
24 mai 2026
Nombre de pages
127
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€30,89

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
MariePeeters02
3,7
(3)
Vendu
30
Abonnés
1
Éléments
10
Dernière vente
4 semaines de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions