Rédigé par des étudiants ayant réussi Disponible immédiatement après paiement Lire en ligne ou en PDF Mauvais document ? Échangez-le gratuitement 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 38 pages
Resume

Samenvatting Taal en Meertaligheid | Arteveldehogeschool | 2025/26

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 38 pages

Studienotities voor het vak Taal en Meertaligheid in de Educatieve Bachelor Lager Onderwijs aan Arteveldehogeschool. Het document behandelt taalcompetentie, de vijf taalvaardigheden (luisteren, spreken, lezen, schrijven, gesprekken voeren), taalbeschouwing, taalstructuur en Franse grammatica (valentie, woordvolgorde). Deze notities bieden duidelijk overzicht van kernconcepten en helpen je beter inzicht te krijgen in hoe taal in elkaar zit en hoe je dit kunt toepassen in het lager onderwijs.

Aperçu du contenu

Taal en meertaligheid
Module 1: taalbouwstenen in het Nederlands
Wat is taal?
Taalcompetentie
= het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om geschreven, gesproken
en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te gebruiken zodat:
1. Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt;
2. De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden;
3. De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld.
Taalcompetent zijn houdt de volgende zaken in:
 je bezit taalkennis over aspecten van taal (taalbeschouwing), meer bepaald over
taalgebruik/taalgedrag en over het taalsysteem (over teksten, zinnen, woorden ...);
 je bent taalvaardig, zowel in de mondelinge vaardigheden (luisteren, spreken) als in de
schriftelijke vaardigheden (lezen, schrijven);
 je bezit een duidelijke attitude waarbij je voortdurend schaaft aan je houding, emotie en
motivatie over taal.

Taal is de hele dag door aanwezig in het leven van de lagereschoolkinderen. Zowel
binnen als buiten de school gebruiken ze voortdurend taal:
 om te communiceren met vriendjes en vriendinnetjes
 om samen plannen te smeden
 om te leren
 om nieuwe kennis toe te passen
 om persoonlijke en gemeenschappelijke doelen te bereiken
 taal is een belangrijke sleutelcompetentie: cruciaal om volwaardig deel te
nemen aan de 21e -eeuwse samenleving
Alle sleutelcompetenties doen een beroep op taal:
 bewust omgaan met verandering
 complexe informatie verwerken
 kritisch en probleemoplossend denken
 zelfstandig beslissingen nemen
 creatief samenwerken
 communiceren in diverse contexten
 omgaan met nieuwe media en technologie
5 Vaardigheden van taal (taal kunnen):
 luisteren
 schrijven
 lezen
 spreken
 gesprekken voeren
Functies van taal
Conceptualiserende functie: Communicatieve functie:
Om het mogelijk te maken om met elkaar over iets te Mensen gebruiken taal om boodschappen aan
praten, is er ook al taal nodig: om dingen te elkaar over te brengen, om met elkaar in interactie
benoemen, om naar iets te verwijzen, om verbanden te gaan.
uit te drukken, om gedachten vorm te geven. We
gebruiken taal om voor onszelf vat te krijgen op de
werkelijkheid. De conceptualiserende functie van taal
zorgt ervoor dat taal en denken zo nauw met elkaar
verweven zijn.
Expressieve functie: Sociale functie:
Mensen gebruiken taal ook om zichzelf op een Taal kan heel kenmerkend zijn voor een persoon en
creatieve manier te uiten. de sociale groepen waartoe die behoort.
Eigenschappen van taal:
 Taal produceert betekenis
 Taal is arbitrair (meestal)
 Het aantal klanken van een taal is gelimiteerd


1

,  (menselijke) taal kan ideeën/personen/voorwerpen buiten de huidige tijd en
ruimte benoemen of ernaar verwijzen
 Taal is generatief: letters, woorden kunnen een ongelimiteerd aantal zinnen
genereren

taalbeschouwing
Waarom inzetten op taalbeschouwing?
Taalbeschouwing heeft drie belangrijke doelen:
 inzicht krijgen in hoe het Nederlands in elkaar zit
 Taal kunnen= taalvaardigheid ( lezen, schrijven, spreken, luisteren)
 Taal weten: taalbeschouwing ( begrijpen hoe ze in elkaar zit, waaruit ze
bestaat, hoe we ze gebruiken en waarom) inzicht voor nodig
 Inzicht in het taalsysteem ( ontdekken de structuur van zinnen en teksten,
bestuderen de manier waarop, en de reden waarom.
bv: bijvoeglijke naamwoorden, vraagzinnen
 Nadenken over het eigen taalgebruik en dat van anderen.
 denken en reflecteren over taal helpt leerlingen om de taal steeds beter te
beheersen.
 Ze leren zichzelf ‘in het oog te houden’ wanneer ze taal gebruiken
(taalsturing)
 De algemene culturele kennis vergroten
 Taal ‘vat’ de werkelijkheid.

 taal bepaalt hoe we communiceren en is het product van de culturele
omgeving waarin we opgroeien en leven
 afhankelijk van de tijd en de plaats kan taal er dus anders uitzien, omdat ze
is afgestemd op hoe mensen denken en leven
 in de middeleeuwen = een bril was zwarte magie, nu = een
hulpmiddel om beter te kunnen zien
 stelt ons in staat om grip te krijgen op de (talige) wereld om ons heen. We
kunnen voorwerpen en handelingen benoemen, en daartussen ook
verbanden leggen
 Metataal: een taal om over taal te spreken -> helpt kennis en inzichten in
taal te expliciteren en dus taalbewust te worden

Hoe taalvaardiger we zijn, hoe beter we over taal kunnen nadenken. En omgekeerd: hoe
meer we over taal weten, hoe taalvaardiger we kunnen worden.
De talige en culturele identiteiten van de leerlingen integreren in de klas:
 de wereld waarop we grip willen krijgen, is niet eentalig, maar meertalig. Het is
onze taak om leerlingen kennis te laten maken met andere talen en culturen

Bouwstenen van taal

taalsysteem Taalgebruik en taalgedrag
 Klanken (fonologie) Nadenken over eigen taalgebruik: bewust
 Woorden (morfologie) bepaalde spreek-, luister-, lees- en schrijf-
 Woordgroepen en zinnen strategieën inzetten en daarop reflecteren en
 Teksten nadenken over taalgebruik van anderen.
 Spellingvormen Nadenken over taalgedrag: wie zegt/schrijft
 Betekenissen (semantiek) iets? Wat? Aan wie? Waarover? Met welke
 Woordenschat (lexicologie bedoeling? Hoe? In welke context? Via welke weg/
middelen? Met welk effect?  9 vragen vh
communictaiemodel
 verschillen en gelijkenissen tussen talen en taalvariëteiten

2

, = TAALBESCHOUWING
Communicatiemodel:




Beschouwen van woorden




Zelfstanding naamwoord (zn)
Genus: mannelijk (de), vrouwelijk (de) of onzijdig (het)
Mogelijk voorafgegaan door lidwoord:
 de-woord = mannelijk of vrouwelijk
 het-woord = onzijdig
Meeste zn: enkelvoud, meervoud en verkleinwoord

Samenstelling en afleiding



Bijvoeglijk naamwoord (bn)
 Duiden een eigenschap aan van een ander zelfstandig gebruikt woord. Meestal
verbuiging mogelijk: de grote kast
 Attributief gebruik: een rode bloem
 Predicatief gebruik: De bloem is rood (bn bij kww ‘zijn’)
 Zelfstandig gebruik: de rode bloemen en de gele
Trappen van vergelijking: stellende, vergrotende, overtreffende trap
Deelwoorden als BN:
 Voltooid deelwoord: de gegrilde tonijn
 Tegenwoordig (of onvoltooid deelwoord): de zingende kinderen

Lidwoord (lw)
Bepaald: de (mannelijke of vrouwelijke woorden) of het (onzijdige woorden).
Onbepaald: een
Ontkennend: geen (bij Frans  onbepaald voornaamwoord (pronom indéfini)

3

,  Staat ALTIJD voor een ZN

Ze had het gisteren op televisie gezien.
 In deze zin is ‘het’ een persoonlijk voornaamwoord!

Werkwoord (ww)
 Drukt actie of toestand uit
 Je kan een ww vervoegen
 Infinitief/ stam/ uitgang/ persoonsvorm/ imperatief (gebiedende
wijs)/ persoon en getal
 Werkwoordstijd: Verleden, tegenwoordige of toekomende tijd
 Met of zonder klankverandering in de VT
Soorten werkwoorden:
 Zelfstandig werkwoord  Ze schildert graag.
 Hulpwerkwoord  Ze zal morgen schilderen.
 Koppelwerkwoord (betekenis is ‘zijn’): ZWoBBeLS  De brief is romantisch.
 Zijn-worden-o-blijven-blijken-e-lijken-schijnen
 Wederkerend werkwoord: zich vervelen
 Samengesteld werkwoord:
o Scheidbaar: weggaan  ze gaat weg
o Niet- scheidbaar: stofzuigen  de poetsman stofzuigt

Voornaamwoord (vnm)
Persoonlijk voornaamwoord (onderwerp of voorwerp): ik - mij, jij - jou, hij - hem, wij, -
ons,…
Wederkerend voornaamwoord: ik was me, hij wast zich, jullie wassen je, …
Wederkerig voornaamwoord: We maken elkaar niets wijs.
Bezittelijk voornaamwoord: mijn, jouw, haar, ons, het mijne, het jouwe, …
Aanwijzend voornaamwoord: die, deze, dat, dit, diegene, dezelfde, …
Vragend voornaamwoord: wie, wat, waar, welke, hoe, hoeveel, …
Uitroepend voornaamwoord: Wat een grappig filmpje!
Betrekkelijk voornaamwoord: die, dat, wie, wat + bijzin (betr. vnw verwijst naar
antecedent)
Onbepaald voornaamwoord: men, iemand, niemand, iets, elke, …

Voorzetsel (vz)
Voorzetsel: naar, van, bij, door, met, naast, op, …
Voorzetseluitdrukking: met behulp van, in tegenstelling tot, omwille van, …
Achterzetsel: De fietser reed deze straat in.

Telwoord (telw)
Hoofdtelwoord: één, twee, honderd, …
Rangtelwoord: eerste, vierde, dertiende, duizendste, …

Voegwoord (vw)
Nevenschikkend: en, of, maar, want, dus, noch…noch…, …
Onderschikkend:
- Als het mooi weer wordt, maken we een fietstocht.
- Ze zei dat ze het niet geloofde.
- Ze nam de jas die aan de kapstok hing.
- nadat, hoewel, door, om (te), omdat, terwijl, …


Bijwoord (bw)
In lagere school: ‘verbindingswoord’  Meestal onveranderlijk

 Bij een werkwoord: ‘Hij speelt prachtig blokfluit.


4

Infos sur le Document

Publié le
19 mai 2026
Nombre de pages
38
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€11,16

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
mayavinck
2,0
(1)
Vendu
3
Abonnés
0
Éléments
6
Dernière vente
1 semaine de cela

Avis d'acheteurs vérifiés




Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions