Hoofdstuk 3 — Het Zenuwstelsel en Antisociaal Gedrag
Biologische Antropologie – Boekdeel II
, A. Basisstructuur van het zenuwstelsel
Het neuron
Neuron: de hersencel — de basisbouwsteen van het zenuwstelsel. Neuronen communiceren met
elkaar via elektrochemische signalen. Er zijn miljarden neuronen in het menselijke brein, elk
verbonden met duizenden andere.
Celkern: het centrum van de neuron dat het DNA bevat en de activiteit van de cel stuurt.
Dendrieten: vertakkingen die uit het cellichaam groeien en signalen ONTvangen van andere
neuronen. Zoals antennes die informatie binnenhalen.
Axon: de lange uitloper van de neuron die signalen VERstuurt naar andere neuronen. Bedekt met
een myelineschede die de geleiding versnelt.
Synaps: de verbinding tussen twee neuronen — de kleine ruimte (synaptische kloof) waar
neurotransmitters worden vrijgegeven. Het presynaptisch neuron stuurt, het postsynaptisch neuron
ontvangt.
Presynaptisch neuron: het neuron dat het signaal VERSTUURT. Het geeft neurotransmitters vrij in
de synaptische kloof.
Postsynaptisch neuron: het neuron dat het signaal ONTVANGT. Het heeft receptoren waaraan de
neurotransmitters binden.
Neurondoctrine: het wetenschappelijk bewezen principe dat neuronen losse, afzonderlijke
eenheden zijn die via synapsen met elkaar communiceren. Bewezen door Santiago Ramón y Cajal.
Vóór hem dacht men dat hersencellen een aaneengesloten netwerk vormden (reticulumtheorie). De
neurondoctrine was een revolutie in de neurowetenschappen.
Structuur en functie
Structuur (van het brein): de anatomische opbouw: welke gebieden zijn aanwezig, hoe groot zijn ze,
hoe zijn ze verbonden? Bestudeerd via structurele MRI (sMRI).
Functie (van het brein): de werking van hersengebieden: hoe reageren ze op stimuli, welke activiteit
vertonen ze? Bestudeerd via functionele MRI (fMRI) of PET-scan.
Indeling van het zenuwstelsel
Centraal zenuwstelsel (CZS): bestaat uit de hersenen en het ruggenmerg. Verwerkt alle informatie
en stuurt gedrag aan. Het commandocentrum.
Perifeer zenuwstelsel (PZS): alle zenuwen buiten het brein en ruggenmerg. Verbindt het CZS met de
rest van het lichaam (spieren, organen, zintuigen). Onderverdeeld in het somatische en het
autonome zenuwstelsel.
Somatisch zenuwstelsel: onderdeel van het perifeer zenuwstelsel dat de vrijwillige bewegingen van
spieren controleert. Bewuste motoriek — bv. je arm optillen.
Autonoom zenuwstelsel (AZS): onderdeel van het perifeer zenuwstelsel dat de ONwillekeurige,
automatische functies regelt: hartslag, ademhaling, spijsvertering, bloeddruk. Onderverdeeld in
sympathisch en parasympathisch.
Sympathisch zenuwstelsel: activeert het lichaam bij gevaar of stress: verhoogt hartslag, versnelt
ademhaling, spieren spannen aan. Adrenaline en noradrenaline komen vrij. Voorbereiding op actie.