Hoofdstuk 1: terreinverkenning
Historiek:
Toen Musa zijn eerste woordje zei, waren zijn ouders dolblij – én opgelucht. Ze hadden al een hele
tijd op dat moment zitten wachten.
De meeste kinderen van zijn leeftijd konden allang een aantal woordjes zeggen. Musa’s oma had
zijn ouders extra bezorgd gemaakt door te suggereren dat hij misschien een
ontwikkelingsachterstand had. Maar zodra Musa ging praten, lieten zijn ouders en grootouders hun
bezorgdheid varen en waren ze apetrots op hem.
~ voorwetenschappelijk denken
De zorgen van Musa’s ouders waren gebaseerd op hun opvattingen over hoe een normale
ontwikkeling zou moeten verlopen. We hebben allemaal vastomlijnde ideeën over de ontwikkeling
van kinderen en die gebruiken we om ons een mening te vormen of een bepaald gevoel te
ontwikkelen over het gedrag van een kind. Door onze eigen ervaringen richten we ons op bepaalde
soorten gedrag die in onze ogen belangrijk zijn. Bijvoorbeeld het moment waarop een kind zijn
eerste woordje zegt of de manier waarop een kind met anderen omgaat.
Net als Musa’s ouders, hebben ook ontwikkelingspsychologen hun eigen visies op de kindertijd.
Deze visies zijn echter (doel)bewuster en preciezer en omvatten een of meer theorieën en
voorspellingen over het verschijnsel waarop ze zich richten. Een theorie biedt een raamwerk
om de relaties tussen een op het oog ongeordende reeks feiten of principes te
begrijpen.
Onze persoonlijke theorieën zijn onder meer gebaseerd op onze ervaringen, volkswijsheden en op
wat we in de media horen en lezen. Vaak gaat het om willekeurige observaties die niet geverifieerd
zijn.
Onderzoekstheorieën zijn daarentegen formeler en gebaseerd op een systematische integratie van
eerdere bevindingen en theoretische veronderstellingen. Aan de hand van theorieën kunnen
psychologen eerdere observaties samenvatten en ordenen en nieuwe conclusies trekken, die
verdergaan dan alleen de bestaande observaties. Wetenschappelijke theorieën worden zorgvuldig
getoetst middels onderzoek, terwijl dat niet of nauwelijks gebeurt met persoonlijke theorieën.
Filosofen: nadenken over…
Babybiografieën: observeren van
Wetenschappelijke theorievorming
- Systematische observatie genetische psychologie ( focus op rijping)
- Nieuwe onderzoekstechnieken en statische methodes ontwikkelingspsychologie
Begrips- Ontwikkelingspsychologie:
Omschrijvin
g Bestudeert de manier waarop mensen opgroeien en veranderen, van de wieg tot de dood
3 G's: gedrag, gevoelens en gedachten
Levenslooppsychologie:
Ontwikkelen is een levenslang proces: omvat ook de ontwikkeling van volwassenen en ouderen. In elke fase
van het leven zijn er belangrijke veranderingen. Het is een descriptieve én een verklarende wetenschap
Meerwaarde Meerwaarde kennis levenslooppsychologie voor maatschappelijk assistenten?
voor MA’s Goed referentiekader ‘normale ontwikkeling’ waaraan we cliënten kunnen spiegelen
Inzicht in normale vs afwijkende ontwikkeling
Inzicht in problemen, … die leeftijdsgebonden zijn
Inleving en inzicht in leefwereld van cliënt
Hulpverleners richten zich in de praktijk vaak op doelgroepen met problemen, verstoringen en beperkingen.
1
, Het begrip ‘interindividuele variaties’ wordt geprefereerd boven het begrip ‘stoornissen’. Zo wordt gepoogd
het stigmatiseren van mensen/kinderen met een ander ontwikkelingsverloop of -tempo een halt toe te
roepen.
Ontwikkelin Periodes in het leven van de mens met zijn eigen kenmerkende gedragingen:
gs-fasen Prenatale fase
Baby (0 - 12 maanden)
Peuter (1- 3 jaar)
Kleuter ( 3 - 6 jaar)
Lagere schoolkind (6 - 12 jaar)
Adolescentie (12 - 20 jaar)
Volwassene ( 25 - 65 jaar)
Oudere (+ 65 jaar)
Is geen exacte wetenschap, leeftijden kunnen verschillen.
Vroeger had je 2 opdelingen, kind en volwassenen. Leerplicht tot 12-14 jaar dus daarna werd je volwassen
gezien en moest je steentje bijdragen door te werken. Vooral in arme landen.
Westerse geïndustrialiseerde samenleving, “weird landen” western, educated, industrialized, rich and
democratic”
Ontwikkelin Lichamelijk motorisch en/of zintuiglijk
gs- Cognitief verstandelijk (denken en geheugen) & taal
domeinen Persoonlijkheid identiteitsontwikkeling & ontwikkeling van de eigen wil
Sociaal omgang & acceptatie van anderen en sociaal gedrag
Emotioneel ontwikkeling van gevoelens van vertrouwen en veiligheid
Moreel ontwikkeling van normen en waarden
Spel- en tekenontwikkeling
Seksueel Gedrags-, lichaams- en lustbeleving, waardering van eigen lichaam
Horizontale samenhang -> ontwikkelingsgebieden binnen één leeftijdsfase staan in relatie tot elkaar
Verticale samenhang -> een samenhang van leeftijdsfasen binnen één ontwikkelingsdomein
Factoren die Discussie: nature (--) nurture
de Aanleg, aangeboren, erfelijke factoren (--) omgevings- en ervaringsinvloeden
ontwikkelin nativisten (--) empiristen (tabula rasa)
g sturen
Nature: biologisch georiënteerde visie: ontwikkeling is endogeen, een van binnenuit gestuurd
rijpingsproces
Nurture: omgevingsgeoriënteerde visie: ontwikkeling is exogeen, omgevingsinvloeden bepalen de
ontwikkeling
Empirisme= pedagogisch optimisme, de ontwikkeling wordt hoofdzakelijk bepaald door het milieu. BV:
opvoeding
Nativisme= de ontwikkeling wordt bepaald door de aanleg; de opvoeding kan de ontwikkeling niet
veranderen.
Rol van de erfelijkheid:
Erfelijkheid is het endogene rijpingsproces bepaalt de ontwikkeling. Enkel weten dat geboren met bepaalde
karakteristieken, beperkingen, schoonheid etc bepaald wordt door erfelijkheid
Impact van = milieu: exogene invloeden bepalen de ontwikkeling
de Biochemische invloeden
omgeving Beïnvloeding tijdens de kritische periodes
Psychosociale invloeden bijvoorbeeld opvoeding
2
,Ecologisch
systeemthe
orie
Volgens Urie Bronfenbrenner wordt de ontwikkeling van een mens beïnvloed door verschillende
systemen die met elkaar verbonden zijn:
Microsysteem
Dit is de directe leefomgeving van het kind, zoals familie, school en vrienden. Hier is er rechtstreeks
contact en wederzijdse invloed (tweerichtingsverkeer).
Mesosysteem
Dit gaat over de verbindingen tussen die directe omgevingen. Wat er in de ene context gebeurt,
beïnvloedt een andere (bv. ruzie op school → gedrag thuis).
Exosysteem
Dit zijn invloeden waar het kind zelf geen direct contact mee heeft, maar die wel impact hebben.
Bijvoorbeeld werk van ouders, opvoeding van ouders door hun eigen ouders, of maatschappelijke
structuren.
Macrosysteem
Dit omvat de bredere samenleving en cultuur: normen, waarden, politiek en religie. Deze bepalen hoe
iemand denkt en zich gedraagt (bv. opgroeien in een andere cultuur → ander gedrag).
Chronosysteem
Dit verwijst naar de invloed van tijd en veranderingen, zoals levensgebeurtenissen of maatschappelijke
evoluties (bv. economische crisis, veranderingen in werk en gezin).
=Alle systemen hangen samen en beïnvloeden elkaar. Een gebeurtenis op één niveau (bv. economische
crisis in het exosysteem) kan gevolgen hebben op alle andere niveaus (bv. stress thuis, armoede, impact op
het kind).
Interactie Erfelijkheid & milieu : onlosmakelijk met mekaar verbonden!
tussen Biologische factoren kunnen grenzen stellen aan de ontwikkeling bv IQ
erfelijkheid - Een bepaalde aanleg maakt je gevoeliger voor invloeden vanuit de omgeving bv verslaving
en milieu - De omgeving kan ook de erfelijkheid bepalen --) DNA wijzigingen (PFOS,…)
zelfbepaling = belangrijke 3e factor !
- persoonlijke vrijheid, eigen verantwoordelijkeheid
Zelfbepaling wordt ook gebruikt bij maatschappelijke discussies, denk maar aan het individueel schuldmodel
Bv. Grootmoeder en moeder heeft alcoholverslaving, jij bent dan ook erfelijk gevoelig voor die verslaving, jij
doet aan zelfbepaling dus ga je er extra voorzichtig mee om de erfelijkheid te doorbreken voor de volgende
generatie.
3
, Dus nature, nurture en zelfbepaling hangen samen.
Factoren die Bij de ontwikkeling van een mens zijn er naast de verschillende systemen van Urie
de Bronfenbrenner ook universele invloeden (wetmatigheden) te herkennen:
ontwikkelin
g sturen 1. Cohort
Een cohort is een groep mensen die in dezelfde periode en context geboren en opgegroeid zijn.
Hierdoor delen ze gelijkaardige ervaringen (bv. technologie, opvoeding, sociale normen).
Bijvoorbeeld: vroeger spontaan afspreken vs. nu via sociale media.
2. Normatieve determinanten
Dit zijn algemene invloeden die gelden voor een grote groep mensen (niet individueel).
Leeftijdsgebonden invloeden
Biologisch (bv. puberteit) of maatschappelijk bepaald (bv. pensioen)
Socioculturele invloeden
Cultuur, etniciteit, sociaal-economische status (SES)
Historische invloeden
Gebeurtenissen gebonden aan een tijdsperiode (bv. oorlog, economische crisis)
Dit zijn dus dingen die meerdere mensen van dezelfde generatie op een gelijkaardige manier beïnvloeden.
3. Niet-normatieve determinanten
Dit zijn unieke, persoonlijke gebeurtenissen die niet voor iedereen gelden.
Voorbeelden:
Overlijden van een dierbare
Echtscheiding
Migratie
Ziekte of trauma
Deze factoren maken ieders levenspad anders.
Kort inzicht (belangrijk voor examen)
Normatief = gedeeld door een groep
Niet-normatief = individueel en uniek
Cohort = bepaalt welke ervaringen typisch zijn voor jouw generatie
Hoofdstuk 2: algemene ontwikkelingstheorieën
Inleiding Het psychodynamisch perspectief: focus op innerlijke krachten:
Freud en de psychoseksuele ontwikkeling
(Perspectie Erikson en de psychosociale ontwikkeling
ven bij het
kijken naar Het behavioristisch perspectief: focus op waarneembaar gedrag
de Pavlov en de klassieke conditionering
ontwikkelin Skinner en de operante conditionering
g) Bandura en de sociaal-cognitieve leertheorie: leren door te imiteren
Het cognitief perspectief: kijken naar de oorsprong van ons begrip:
Piaget en de cognitieve ontwikkeling
De informatieverwerkingstheorie
Het systemisch perspectief: brede visies op ontwikkeling:
Bio-ecologisch model van Bronfenbrenner
De sociaal-culturele theorie van Vygotsky
Kohlberg en de morele ontwikkeling
Het evolutionair perspectief: wat onze voorouders bijdragen aan ons gedrag:
Bowlby en de hechtingstheorie
Freud Is een oostenrijkse neuroloog, beschrijft de menselijke psyche als opgebouwd uit drie lagen:
1. Bewuste
4