• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 255 pages
Resume

Volledige samenvatting van het vak Personen en familierecht

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 255 pages

Deze samenvatting is volledig gebaseerd op het boek en bevat alle belangrijke informatie die nodig is om de leerstof goed te begrijpen. De kerninhoud werd zorgvuldig overgenomen en overzichtelijk verwerkt, zodat je snel en efficiënt kan studeren. Moeilijkere onderwerpen worden extra duidelijk uitgelegd, zodat je ook deze onderdelen beter onder de knie krijgt. Alles is per punt samengevat, wat zorgt voor een helder en gestructureerd overzicht. Daarnaast blijft de link met het boek behouden: je kan gemakkelijk teruggrijpen naar artikels of stukken om bepaalde zaken opnieuw te lezen of verder te verdiepen. Ideaal als hulpmiddel bij het studeren, herhalen of voorbereiden op toetsen en examens.

Aperçu du contenu

Het personen- en
familierecht
Hoofdstuk 2 Personen

Afdeling 1. Waarover gaat het?

Focus 1

37. De wetgever defineert het rechtsbegrip ‘personen’ niet -> de wet bevat
echter wel onrechtstreekse aanwijzingen die kunnen helpen om de inhoud ervan
te bepalen. Artikel 3.38 BW stelt dat personen zijn te onderscheiden van
voorwerpen en van dieren. Deze voorwerpen en dieren zijn dan ook weer van
elkaar te onderscheiden. Artikelen 1.3 en 3.35 BW onderscheiden dan weer de
natuurlijke persoon van een rechtspersoon. Beide soorten hebben
rechtspersoonlijkheid (= drager van rechten en plichten) volgens artikel 58 oud
BW.




38. In het dagelijks leven is een persoon gewoon een mens, maar in het recht
betekent “persoon” iets anders: een persoon is iemand (of iets) dat rechten en
plichten kan hebben.
Waar komt dit idee vandaan? Het begrip komt uit het Romeins recht, o.a. van
Gaius. Het woord “persona” betekende oorspronkelijk een toneelmasker. Dat
masker stond voor een rol die iemand speelt. In het recht betekent dat: je “speelt
een rol” waarin je rechten en plichten hebt.

Wat bedoelen ze met “rollen”? Iedereen kan in verschillende situaties een andere
“juridische rol” hebben:

• Als koper → je hebt recht op een product

• Als werknemer → je hebt recht op loon

• Als ouder → je hebt bepaalde plichten

Het recht kijkt dus naar welke rol je hebt in een bepaalde situatie. Een
rechtsgemeenschap is gewoon de samenleving waarin het recht geldt. Binnen die
samenleving bepaalt het recht:

• wie rechten krijgt

• wie verplichtingen heeft

,“Personen nemen deel aan de rechtsgemeenschap door een bundel van rechten
en verplichtingen…” Simpel gezegd: Een persoon = iemand met een pakket
(bundel) aan rechten en plichten. Dat pakket verschilt per situatie en per rol. Het
recht maakt onderscheid tussen:

• Personen → kunnen rechten/plichten hebben

• Dingen (voorwerpen, dieren) → kunnen dat niet zelf
Extra: vroeger vs. nu

• In de tijd van de Romeinen waren niet alle mensen gelijk (bijv. slaven
hadden geen rechten)

• Vandaag: in principe iedere mens is een rechtspersoon

39. Het begrip komt uit het Anthropocentrisch recht = het recht zet de mens
centraal. Het recht is gemaakt door mensen, voor mensen. Alleen mensen en wat
zij maken tellen mee. Wie zijn “personen” volgens dit idee? Er zijn 2 soorten:

1. Natuurlijke personen → echte mensen

2. Rechtspersonen → organisaties (bv. bedrijven)

Alleen zij kunnen rechten en verplichtingen hebben.

Wat is “objectief recht” Dat zijn de regels van het recht (zoals wetten). Die regels
geven mensen en organisaties: rechten en plichten.

Zie het als: de spelregels van de samenleving. Dit systeem is niet meer genoeg.
Nu telt alleen de mens, maar andere dingen (zoals natuur, dieren, …) hebben ook
belangen. Een nieuwe manier van denken is nodig, ook niet-mensen zouden
kunnen meetellen in het recht. Hun belangen moeten mee afgewogen worden.
Niet alleen kijken naar wat nuttig is voor mensen, maar ook naar de eigen
waarde (intrinsieke waardigheid) van andere dingen

40. Een natuurlijke persoon = een echt mens (van vlees en bloed). In het recht
zijn alle mensen natuurlijke personen en alleen mensen kunnen natuurlijke
personen zijn. Het recht kijkt niet naar jou als volledig mens, maar als een soort
“rol” (masker). Dat masker = jouw juridische positie. Bijvoorbeeld: student,
werknemer, ouder…

Persoonlijkheid: Het recht houdt rekening met jouw: lichaam, gedachten,
gevoelens, gedrag. Dit samen = je persoonlijkheid en daarvoor bestaan
persoonlijkheidsrechten (rechten die jou als mens beschermen). Het recht
belichaamt en bezielt de mens dus.

Fictieve entiteit: In het recht ben je een beetje een “abstracte figuur”

• Men kijkt vooral naar je juridische rol

• Niet naar je volledige mens-zijn

,Staat van de persoon: dat zijn je juridische kenmerken, zoals: leeftijd, burgerlijke
staat, familiebanden. Die bepalen welke rechten/plichten je hebt. Elke mens is
uniek, dus het recht moet mensen kunnen onderscheiden (individualiseren)

41. Een rechtspersoon = een niet-menselijke entiteit die toch rechten en plichten
kan hebben. Het is dus geen echte persoon, maar wordt door het recht als
persoon behandeld.

Voorbeelden: overheid, vennootschappen (bedrijven), verenigingen,
stichtingen.Deze zijn door mensen gemaakt. Het recht geeft aan deze entiteiten
rechtspersoonlijkheid = ze mogen: contracten sluiten, eigendom hebben,
aansprakelijk zijn.

Vergelijking met natuurlijke persoon

• Natuurlijke persoon → echte mens

• Rechtspersoon → “kunstmatige” persoon (gemaakt door mensen)

Het is denkbaar dat in de toekomst ook andere dingen (bv. dieren/natuur)
rechtspersoonlijkheid krijgen.

Focus 2

43. Het recht deelt alles in in categorieën: (basisonderscheid)

1. Personen → hebben rechten en plichten

2. Objecten (zaken) → dingen (bv. stoel, huis)

3. Dieren → sinds 2021 aparte categorie

Alles hoort in één categorie (niet meerdere tegelijk), iets is dus niet een persoon
en een dier of een voorwerp en een dier,… Al zeker niet alle 3 tegelijk.

Waarom zijn alleen personen “personen”? Omdat alleen zij:

• kunnen denken en voelen

• rechten en plichten kunnen dragen

• Mensen = echte wil

• Rechtspersonen = “fictieve wil” (door mensen bedacht)

Objecten en dieren hebben geen rechten en geen plichten. Ze zijn alleen het
voorwerp van rechten van personen. Bijv: jouw eigendom = jouw recht, anderen
moeten jouw recht respecteren (niet het object zelf). Het recht regelt eigenlijk
relaties tussen personen, dus:

• niet: jij ↔ je fiets

, • maar: jij ↔ andere mensen (die jouw fiets moeten respecteren)

Dit klassieke systeem staat onder druk. Nieuwe ideeën zeggen: ook dieren en
dingen hebben een soort rol/invloed (agency), ze hebben dus eigen belangen.
Daarom krijgen ze misschien ooit (gedeeltelijke) rechten.

Mogelijk in de toekomst:

• niet alles strikt persoon/object/dier

• sommige dingen kunnen gedeeltelijk persoon zijn

44. Artikel 7bis, §2 van de Belgische Grondwet zegt dat de Federale Staat, de
Gemeenschappen en de Gewesten ervoor moeten zorgen dat dieren als voelende
wezens beschermd en verzorgd worden. Artikel 3.39 van het Burgerlijk Wetboek
stelt dat dieren zowel gevoels- als biologische behoeften hebben. In Artikel 3.38
worden dieren ingedeeld als een derde rechtscategorie, naast personen en
zaken.

In de praktijk hebben deze regels beperkte gevolgen: artikel 7bis is vooral een
doelstelling, en dieren vallen verder onder de regels voor zaken, maar met
speciale bescherming voor dieren en behoud van de openbare orde. Symbolisch
zijn deze bepalingen echter belangrijk.

Juridisch moet gekeken worden naar het belang van het individuele dier, niet
naar de soort als geheel. Dit gaat over subjectieve bescherming van een dier
versus objectieve bescherming van de soort. Voorbeelden zijn wie een huisdier
krijgt bij een scheiding of of een dier als erfgenaam kan worden aangeduid.

Totdat de categorie “dier” duidelijk juridisch wordt omschreven, blijven de regels
voor zaken gelden. Die bieden al veel bescherming. Dierenbescherming is vooral
gericht op de belangen van mensen en gebeurt vaak via regels die lijken op
bescherming van afhankelijke personen. Dierenverenigingen kunnen als voogden
optreden wanneer de Wet op het Dierenwelzijn wordt overtreden.

Soms gaat dierenbescherming verder dan alleen instrumenteel gebruik: de
Vlaamse Codex Dierenwelzijn (art. 4) en de Dierenwelzijnswet Brussel (art. 1, §1)
erkennen dat dieren levende wezens zijn met gevoelens, eigen belangen en
waardigheid. Ze verdienen daarom speciale bescherming en zorg. Zo ontstaat,
naast menselijke waardigheid, ook een idee van dierenwaardigheid.

45. Sinds de adoptie van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) door de
Verenigde Naties in 2015 is er veel aandacht voor de objectieve juridische
bescherming van andere levensdragers dan dieren, zoals lucht, water, bodem,
planten en bomen. Objectieve bescherming kan ook gelden voor levensdragers
die individuen hebben toegeëigend; in dat geval vormt deze bescherming een
beperking van hun subjectieve rechten.

Specifieke levensdragers zouden echter ook juridische persoonlijkheid kunnen
verkrijgen, waarbij de verplichtingen van andere personen hun beschermde
belangen dienen.

Table des matières

  1. 01 178. Nationaliteit bepaalt eerst het recht van een persoon om een bepaald grondgebied binnen te gaan dat van zijn natiestaat er te verblijven zonder speciale toestemming en het weer te verlaten. Hierdoor kan ballingschap niet langer als straf worden opgelegd. Internationaal bestaan soms beperkingen op het verlaten van het land; in België zijn die uitzonderlijk. 43
  2. 02 179. De lidmaatschapsrechten en -plichten van Belgen gelden niet volledig voor alle vreemdelingen. 44
  3. 03 184. Evolutie 1 (Id)entiteiten boven de staat: Een eerste evolutie is dat natiestaten een deel van hun soevereiniteit hebben overgedragen aan supranationale niveaus, vooral de EU. 46
  4. 04 186. Evolutie 3: (Id)entiteiten naast de staat. Een derde evolutie is de toenemende rol van (id)entiteiten naast de Staat. 48
  5. 05 187. Evolutie 4: Private actoren 48
  6. 06 188. Zeven kenmerken van het Belgische nationaliteitsrecht (eenvoudig en alles aanhalen) 49
  7. 07 197. Verwerving van Belgische nationaliteit gebeurt door vrijwillige handeling van de persoon zelf (Art. 1, §1 WBN). 53
  8. 08 -Niet automatisch zoals bij toekenning. 53
  9. 09 -Alleen mogelijk voor 18 jaar en ouder → minderjarigen kunnen hierdoor niet op basis van huwelijk of kind Belg worden. 53
  10. 10 -Twee vormen: A. Als recht: door verklaring van nationaliteit om: 53
  11. 11 1.voor het eerst Belg te worden, 53
  12. 12 2.Belgische nationaliteit terug te krijgen, of 53
  13. 13 3.Belgische nationaliteit opnieuw te herkrijgen 53
  14. 14 B. Als gunst: via naturalisatie voor een verdienstelijke buitenlander of een apatride (stateloos persoon). 53
  15. 15 250. 1. Acten van bewaring (custody) 73
  16. 16 D. Bekwaamheid 122
  17. 17 F. Monogamie 124
  18. 18 §2. Vormvoorwaarden 128
  19. 19 575. Partneralimentatie na echtscheiding wordt in drie stappen berekend: 152
  20. 20 576. Bij stap 2 en 3 kijkt de rechtbank naar de inkomsten en middelen van beide partijen. Middelen kunnen bestaan uit: 152
  21. 21 577. Stap 1: De referentiestandaard, dezeheeft twee doelen: 152
  22. 22 578. Stap 2: Behoefte 152
  23. 23 579. Stap 3: Draagkracht 153
  24. 24 581. Partneralimentatie is een geldsom uit inkomen of kapitaal. (=vorm) 153
  25. 25 582. De rechtbank kan de alimentatie verhogen, verlagen of tijdelijk op 0 zetten bij nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen, zoals: 153
  26. 26 583. Niet alleen financiële omstandigheden kunnen aanleiding zijn voor wijziging. Ook misdragingen kunnen een reden zijn, bijvoorbeeld: 153
  27. 27 584. De partneralimentatie eindigt bij het verstrijken van de maximale termijn, die niet langer mag zijn dan de duur van het huwelijk. 153
  28. 28 1. Bloed (biologische band) 169
  29. 29 2. Melk (zorg/opvoeding) 169
  30. 30 3. Water (intentie/ouderschapsproject) 169
  31. 31 Voorbeeld van Richard Demel (Verklärte Nacht) 169
  32. 32 §3. De afstamming van rechtswege 188
  33. 33 702. Voor het vaststellen van afstamming op de moederlijke, vaderlijke en co-moederlijke lijn gebruikt de wetgever een verbindingspunt dat automatisch leidt tot afstamming bij de geboorte. Voor de moeder is dit het bevallen van het kind, ongeacht of zij getrouwd is. Voor de vader en de stiefmoeder is het stabiele huwelijk met de moeder het verbindingspunt. 188
  34. 34 703. Mater semper certa est, de moeder is altijd zeker; door de geboorte weet men wie de moeder is. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet de moederlijke afstamming alleen via de geboorte worden vastgesteld. Artikel 312 van het oude Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de persoon die in de geboorteakte staat vermeld, de moeder is bij wet. Dit geldt ongeacht het genetische verband. De geboorte moet worden aangegeven en geregistreerd; niet-naleving is strafbaar. Discreet of anoniem bevallen is nog niet geregeld. Behalve bij vondelingen is de moeder dus altijd zeker. Er wordt bij deze wettelijke vaststelling geen beoordeling gemaakt van het belang van het kind, anders dan bij erkenning of gerechtelijke vaststelling van moederschap. 189
  35. 35 704. Pater is est quem iustae nuptiae demonstrant, de vader is in principe degene die via een geldig huwelijk met de moeder is verbonden. Door de huwelijkse trouwplicht gaat men ervan uit dat de echtgenoot de biologische vader is, en hij wordt bij wet als vader beschouwd, ook als hij het kind niet heeft verwekt, omdat de intentie van het ouderschap hier ook een rol speelt. Dit vertaalt zich in de wettelijke presomptie van vaderschap van de echtgenoot van de moeder. Deze presomptie kan worden weerlegd. Hoewel in België tegenwoordig meer kinderen geboren worden uit ongehuwde moeders, blijft de wetgever vaak uitgaan van deze presomptie voor kinderen geboren binnen een huwelijk. Het erkennen van het vaderschap kan ook een symbolische bewuste keuze zijn, vergelijkbaar met een huwelijksbelofte. 189
  36. 36 705. Een kind geboren tijdens een huwelijk of kort na een scheiding of annulering heeft de echtgenoot van de moeder als vader binnen 300 dagen na beëindiging van het huwelijk door overlijden. Het vermoeden geldt vanaf het moment van het huwelijk, niet pas na een minimale duur van de zwangerschap. Als het vermoeden van toepassing is, wordt het vaderschap automatisch vastgelegd in de geboorteakte. Net zoals bij moederlijke afstamming wordt geen beoordeling gemaakt van het belang van het kind en verhindert ook verkrachting door de echtgenoot de wettelijke vaderschapspresumptie niet. 189
  37. 37 706. Het vermoeden van vaderschap geldt alleen voor de mannelijke echtgenoot. De vrouwelijke echtgenoot kan co-moeder worden. In theorie zou ook de vrouwelijke partner van de moeder als vader kunnen worden aangemerkt, maar dit strookt vaak niet met hun wensen vanwege de genderbetekenis van vaderschap en moederschap. 189
  38. 38 707. Het vermoeden van vaderschap geldt niet voor mannen met wie de moeder samenwoont zonder te trouwen. Dit kan de biologische vader zijn of iemand die het vaderschap wil aannemen, maar een automatische wettelijke vaststelling van het vaderschap is hier ongewenst. Het is proportioneel dat het vaderschap in deze gevallen niet bij wet wordt vastgesteld. 189
  39. 39 708. Het vermoeden geldt vooral voor de echtgenoot van de moeder bij de geboorte, en daarnaast voor de echtgenoot tijdens de wettelijke conceptieperiode. De presomptie geldt vanaf het huwelijk voor alle kinderen geboren tijdens dat huwelijk, zelfs uit een eerder huwelijk. Als de presomptie niet van toepassing is bij de nieuwe echtgenoot of succesvol wordt betwist, geldt hij voor de man die tijdens de conceptie met de moeder was getrouwd. Het vermoeden blijft tot 300 dagen na beëindiging door overlijden, scheiding of annulering gelden. Ontbinding en annulering van het huwelijk beïnvloeden de presomptie niet: annulering heeft retroactief enkel declaratieve werking. De MBV-wet maakt onder voorwaarden conceptie met gameten van de overleden echtgenoot mogelijk, maar dan kan de wettelijke presomptie van vaderschap niet worden toegepast; gerechtelijke vaststelling blijft wel mogelijk, hoewel zonder gevolgen voor het erfrecht. 190
  40. 40 709. Het vermoeden van vaderschap geldt uitsluitend bij stabiele huwelijken, omdat alleen dan aannemelijk is dat de echtgenoot het kind heeft verwekt of geaccepteerd. Volgens artikel 316–316bis van het oude Burgerlijk Wetboek zijn er situaties waarin geen sprake is van een stabiel huwelijk, zodat de echtgenoot waarschijnlijk het kind niet heeft verwekt of geaccepteerd. 190
  41. 41 710. Door analogie met de presumption van vaderschap wordt volgens artikel 325/2 van het oude Burgerlijk Wetboek een vrouw als co-moeder beschouwd als het kind tijdens het huwelijk of binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk wordt geboren. Dit betekent dat de vrouw van wie de eicel is gebruikt, niet automatisch tweede moeder wordt. 190
  42. 42 B. Betwisting 191
  43. 43 711. Een vordering tot betwisting van ouderschap kan worden ingesteld wanneer ouderschap onterecht bij wet is vastgesteld. Directe betwisting is in principe niet ontvankelijk als het kind reeds possession d’état heeft bij de betreffende ouder, omdat dit juridisch verworven status biedt. 191
  44. 44 712. Wanneer de betwisting slaagt, verdwijnt het ouderschap ex tunc, wat betekent dat de betwiste ouder nooit officieel ouder van het kind is geweest. 191
  45. 45 713. De vordering kan worden ingesteld door: 191
  46. 46 714. Een indirecte betwisting kan plaatsvinden wanneer iemand anders haar moederschap wil vaststellen via een gerechtelijke procedure. Dit geldt bijvoorbeeld bij substitutie van een kind, wanneer een kind verkeerd of vals is toegeschreven aan een vrouw in de geboorteakte. 191
  47. 47 716. De directe betwisting van vaderschap is mogelijk in een vordering tot betwisting van afstamming, waarbij de presumption van vaderschap in een specifiek geval wordt opgeheven omdat er geen basis is voor het vaderschap. Met andere woorden, iemand kan juridisch het vaderschap van de echtgenoot betwisten als duidelijk is dat hij niet de biologische vader is. 192
  48. 48 717. De vordering tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot kan alleen worden ingesteld door specifieke personen: 192
  49. 49 718. De start en duur van de verjaringstermijnen verschillen per type eiser, zoals vastgelegd in artikel 318 §2 van het oude Burgerlijk Wetboek. 192
  50. 50 719. Naast de status en de verjaringstermijn bestaat er een bijzondere reden waarom een vordering niet ontvankelijk kan zijn. Zo kan niemand het vaderschap van een echtgenoot betwisten als deze eerder heeft ingestemd met kunstmatige inseminatie van de moeder, of als de echtgenoot een andere handeling heeft verricht binnen een gedeeld ouderschapsproject, tenzij het kind daar niet het resultaat van kan zijn. De absolute aard van deze reden en de beperking tot een gedeeld ouderschapsproject tussen echtgenoten of tussen moeder en co-moeder is reeds betwist. 193
  51. 51 720. Een vordering wordt gegrond bevonden in de volgende gevallen: 193
  52. 52 721. Het vaderschap van de (voormalige) echtgenoot wordt impliciet betwist wanneer het moederschap wordt betwist. Als de betwisting van het moederschap slaagt, vervalt ook het vaderschap van de (voormalige) echtgenoot. 193
  53. 53 722. Net zoals bij vaderschap is directe betwisting van co-moederschap mogelijk in een vordering tot betwisting van afstamming, wanneer er geen basis bestaat voor co-moederschap. 193
  54. 54 723. De rechthebbenden voor een vordering tot betwisting van co-moederschap zijn: 193
  55. 55 724. De start en duur van de verjaringstermijnen voor de vordering tot betwisting van co-moederschap zijn vastgelegd in art. 325/3 §2 oud BW en worden naar analogie van art. 318 §2 toegepast: 194
  56. 56 725. De rechtbank verklaart de vordering gegrond, tenzij duidelijk is dat de (voormalige) echtgenoot voorafgaand aan de conceptie instemde met kunstmatige inseminatie of een andere reproductieve handeling binnen een gedeeld ouderschapsproject, tenzij het kind daar niet uit kan voortkomen. Ook hier geldt de twee-in-één-structuur: de gegrondheid van de betwisting hangt af van het latere vaststellen van het paterniteit of co-moederschap van de eiser. 194
  57. 57 726. Het co-moederschap van de (voormalige) echtgenoot wordt impliciet betwist door de betwisting van het moederschap. Als deze claim slaagt, vervalt ook het co-moederschap van de vrouw. 194
  58. 58 727. Als moederschap, vaderschap of co-moederschap niet automatisch is vastgesteld, kan erkenning als tweede mogelijkheid voor het vaststellen van afstamming in aanmerking komen. 194
  59. 59 728. Erkenning (la reconnaissance) is de handeling waarbij ouderschap wordt vastgesteld op basis van de verklaring van de persoon die het kind erkent, dat hij of zij de (co-)moeder of vader van het erkende kind is. Er bestaat discussie of een (niet-valse) erkenning een juridische handeling of een feitelijke handeling (confessie) is. Een valse erkenning wordt sowieso als juridische handeling gezien, omdat hiermee bewust juridische gevolgen worden gecreëerd zonder biologische basis. 195
  60. 60 729. Erkenning kan plaatsvinden: 195
  61. 61 730. Elke erkenning verloopt in drie fasen: 195
  62. 62 731. Niet alleen partnerschap, maar ook ouderschap kan rechten op verblijf en nationaliteit opleveren voor ouders en kinderen. Om schijnrelaties en geforceerde relaties tegen te gaan, verschuift het probleem van schijnfamilierelaties naar erkenning van kinderen. Wetgeving is gericht op de strijd tegen zogenaamde frauduleuze erkenningen (des reconnaissances frauduleuses), naar analogie van de strijd tegen schijnhuwelijken. 196
  63. 63 733. Indien de burgerlijke stand vermoedt dat een erkenning frauduleus is: 196
  64. 64 734. Erkenning mag plaatsvinden door: 197
  65. 65 736. Er kunnen maximaal twee ouders zijn, één per ouderrol, en maximaal twee kinderen. Dit geldt zowel voor successieve erkenningen als voor erkenning die volgt op wettelijke of gerechtelijke afstamming. Als meer dan één persoon een kind erkent als moeder, vader of co-moeder, geldt alleen de eerste erkenning totdat deze vernietigd wordt. Een kind kan dus niet twee moeders of twee vaders hebben. 198
  66. 66 737. Een volwassene of geëmancipeerde minderjarige moet instemmen met erkenning en heeft dus een veto-recht.Voor een beschermde volwassene kan erkenning plaatsvinden met de substituut toestemming van een beheerder. 198
  67. 67 738. Een persoon kan erkenning doen als moederschap nog niet is vastgesteld, dus er is geen geboorteakte of niemand staat als moeder vermeld. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een anonieme geboorte of een afgewezen kind. 198
  68. 68 740. Een man kan een kind erkennen als vaderschap of co-moederschap nog niet is vastgesteld. 198
  69. 69 741.Erkenning door een man die de moeder heeft verkracht tijdens de wettelijke conceptieperiode is niet toegestaan. 198
  70. 70 778. De adoptie moet gebaseerd zijn op legitieme gronden. Dit wordt meestal negatief geïnterpreteerd: adoptie mag niet in strijd zijn met de openbare orde of dwingende wetgeving, en het doel van de adoptie mag niet worden afgeleid van iets anders dan het welzijn van het kind. Een probleem ontstaat bijvoorbeeld wanneer het geven van een kind aan een gezin zwaarder weegt dan het creëren van een gezin voor het kind. 206
  71. 71 779. Er is aandacht voor het voorkomen van misbruik van adoptie voor verblijfs- of nationaliteitsvoordelen. Hoewel adoptie een voordeel kan bieden op dit vlak, mag dit nooit het enige motief zijn; anders kan de adoptie worden geweigerd. De bescherming van de oorspronkelijke ouders tegen gedwongen adoptie is eerder besproken, en de bestaande procedurele waarborgen worden als voldoende beschouwd om geweld of dwang tegen andere partijen te voorkomen. 206
  72. 72 780. Adoptie van een minderjarige mag alleen plaatsvinden in het beste belang van het kind (Art. 344-1 oud BW; Art. 21 Kinderrechtenverdrag), wat de primaire overweging moet zijn. Dit betreft een positieve interpretatie: adoptie mag alleen plaatsvinden wanneer dit bijdraagt aan de bescherming en ontwikkeling van het kind, en niet louter worden toegestaan tenzij er een conflict is met het belang van het kind. Het beste belang wordt afgeleid uit de fundamentele rechten van het kind volgens het internationale recht. 207
  73. 73 781. De rechter moet ook alle legitieme belangen meenemen bij het beslissen over adoptie. Hierbij worden de voordelen voor de adoptieve ouders en het kind afgewogen tegen nadelen voor andere betrokkenen, zoals de oorspronkelijke ouder wiens ouderlijk gezag wordt opgeschort of beëindigd bij tweede-ouder adoptie. Ook de erfgenamen van eerdere kinderen van de adoptieve ouder moeten worden meegenomen. Het feit dat deze kinderen mogelijk minder erven mag een adoptie echter niet verhinderen. 207
  74. 74 782. De wetgever probeert met adoptie een situatie te creëren die zoveel mogelijk lijkt op biologische afstamming. Historisch betekende dit dat alleen gehuwde koppels gezamenlijke adoptie konden aanvragen, en alleen echtgenoten stiefouderadoptie. Het vermogen om te adopteren is geleidelijk uitgebreid naar ongehuwde koppels, koppels van hetzelfde geslacht, gescheiden koppels en platonische relaties. Adoptie door een alleenstaande is altijd toegestaan geweest in België. 207
  75. 75 783. Gezamenlijke adoptie is in principe alleen mogelijk door een koppel, en tweede-ouder adoptie (stiefouder) ook. Art. 343, §1 oud BW definieert een koppel als gehuwden, wettelijk samenwonenden en feitelijk samenwonenden. Er gelden aanvullende voorwaarden: zo mogen partners tussen wie een absoluut huwelijksbeletsel bestaat nooit gezamenlijk adopteren. Feitelijk samenwonenden moeten minstens drie jaar permanent en affectief samenwonen; een vriendschap volstaat niet. Deze eisen zijn bedoeld om een stabiele gezinssituatie te waarborgen. 207
  76. 76 784.Uitzondering 1 – Voormalige partners, nijzondere uitzondering: een voormalige partner van een ouder kan een tweede-ouder adoptie aanvragen. Dit kan alleen als er al een gedeeld ouderproject was toen de partners samen waren, en als de voormalige partner een duurzame affectieve en materiële band met het kind onderhoudt. De familie- en adoptiewetgeving stelt dat een rechtbank, in het belang van het kind, het weigeren van toestemming door de oorspronkelijke ouder kan overrulen bij een gezamenlijk ouderlijk engagement. 207
  77. 77 785. Uitzondering 2 – Non-partners, de Grondwettelijke Raad heeft geoordeeld dat het absoluut verbod op tweede-ouder adoptie door een non-partner, zoals een oom of tante, ongrondwettelijk is. Deze uitspraken volgen dezelfde lijn als eerdere rechtspraak die bepaalde dat een absoluut verbod op incest in de afstammingswet ongrondwettelijk was. De wetgever mag geen blinde voorkeuren hanteren bij adoptie, net zoals bij afstamming. 208
  78. 78 786. Een persoon kan worden geadopteerd ongeacht zijn of haar huwelijkse staat. Partners van het te adopteren kind moeten, indien van toepassing, instemmen. 208
  79. 79 787. De wet verbiedt een dubbele band tussen adoptiefouder en kind: zowel door afstamming als door adoptie. Afstamming heeft prioriteit. 208
  80. 80 788. De wet geeft prioriteit aan stiefouderadoptie, dus adoptie door iemand die via huwelijk met de ouder van het kind verwant is. Tegelijk probeert de wet zogenaamde ‘incestueuze adopties’ te voorkomen, waarbij twee adoptiefouders een huwelijksbeletsel hebben, analoog aan de regels voor afstamming. Het Grondwettelijk Hof verklaarde een absoluut verbod op zulke adopties ongrondwettig. 209
  81. 81 789. Het is niet toegestaan dat een echtgenoot de ander adopteert. Dit zou huwelijksbeperkingen doorbreken, aangezien adoptiefouders en hun adoptiekinderen niet met elkaar mogen trouwen. Voor andere partnerrelaties geldt dit probleem niet, maar het blijft de vraag of dergelijke adopties nog op legitieme gronden plaatsvinden. 209
  82. 82 794. De adoptiefouder moet in leven zijn tot het moment van indiening van het adoptieverzoek. Als hij of zij overlijdt voordat de procedure is afgerond, kunnen de andere kandidaat-adoptiefouder of het te adopteren kind verzoeken om de procedure voort te zetten. 210
  83. 83 795. Het kind dat wordt geadopteerd moet in leven zijn tot de adoptiebeslissing definitief wordt. Een voortzetting van de procedure na het overlijden van het kind, bijvoorbeeld ten voordele van de adoptiefouder of de nakomelingen van het kind, is volgens de wet niet mogelijk, wat juridisch problematisch kan zijn. 210
  84. 84 818. De familierechtbank kan een gewone adoptie intrekken, maar alleen in uitzonderlijke omstandigheden en om zeer gewichtige redenen betreffende de adoptiefouder(s). 214
  85. 85 819. De familierechtbank moet adoptie herzien als er voldoende aanwijzingen zijn dat de adoptie tot stand kwam door ontvoering of handel in minderjarigen. 214
  86. 86 820. De uitzonderlijke gevallen waarin een nieuwe adoptie mogelijk is, zijn eerder besproken. 215
  87. 87 821. Overlijden van adoptiefouder 215
  88. 88 822. Na het overlijden van de adoptiefouder of na intrekking van de adoptie geldt in principe de voogdijregeling voor het geval er geen adoptiefouder of gezamenlijk gezag uitoefende ouder meer is. 215
  89. 89 901. Bepaalde gedragingen of het nalaten van gedragingen zijn strafbaar volgens het strafrecht. Personen zijn hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk, behalve in gevallen van verminderde verantwoordelijkheid. In principe is de strafrechtelijke meerderjarigheid 18 jaar. Overtredingen door minderjarigen vallen onder de regeling van jeugddelinquentie. 236
  90. 90 902. De behandeling van jeugddelinquentie omvat drie belangrijke aspecten: bescherming, sanctie, en herstel. Artikel 3 van de JDR legt de fundamentele principes vast waaraan deze behandeling moet voldoen, inclusief voldoende waarborgen voor de minderjarige. 237
  91. 91 903. Persoonlijke werkingssfeer 237
  92. 92 904. Broers en zussen hebben volgens het oude burgerlijk wetboek recht op niet-gescheiden plaatsing. 237
  93. 93 905. De behandeling van jeugddelinquentie start altijd bij het parket. Het parket beschikt over verschillende mogelijkheden: 237
  94. 94 906. Alleen het parket kan beslissen een zaak voor te leggen aan de jeugdrechter (voorbereidende procedure) en vervolgens aan de jeugdrechtbank (materiële procedure). Zij zijn bevoegd om een reactie op te leggen: 238
  95. 95 907. De voorbereidende procedure duurt in principe maximaal zes maanden, waarin al kan worden gewerkt aan een oplossing. 239
  96. 96 908. Wanneer de zaak op de merites (la procédure au fond) door de jeugdrechter wordt behandeld, geniet een restorative justice-aanpak de voorkeur. Als een dergelijke aanpak niet mogelijk is, kan de jeugdrechter een sanctie opleggen. De mogelijke sancties zijn, mogelijk cumulatief, gerangschikt in oplopende mate van ingrijpendheid en, indien van toepassing, onder toezicht van de SDJ. 240
  97. 97 909. De opgelegde sanctie gaat voor op beslissingen van de familierechtbank betreffende ouderlijk gezag. Deze beslissingen kunnen tijdens de duur van de sanctie opgeschort of aangepast worden door de jeugdrechtbank 241
  98. 98 910. De jeugdrechtbank kan een dader toevertrouwen aan een open jeugdpsychiatrische dienst, ongeacht de aard van het jeugddelict, indien: 241
    1. 911. Het Decreet Geïntegreerde Jeugdzorg harmoniseert het brede aanbod aan jeugdzorgdiensten. 241
    2. 912. Persoonlijke werkingssfeer 241
  99. 99 913. Sommige vormen van laagdrempelige jeugdzorg zijn direct toegankelijk, zoals de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) of de Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW). 242
  100. 100 914. In alarmerende situaties kan een beroep worden gedaan op gemandateerde voorzieningen. 242
  101. 101 916. De jeugdrechter of jeugdrechtbank kan maatregelen opleggen aan de minderjarige zelf, mogelijk ook aan de ouders of voogden, en aan andere personen die verantwoordelijk zijn voor de opvoeding. 243
  102. 102 917. Het verwantschap vormt de derde familierelatie die door het burgerlijk recht wordt geregeld, naast de relaties tussen partners en tussen ouders en kinderen. In eerdere hoofdstukken werd deze groep aangeduid als de “uitgebreide familie”(F famille élargie, E extended family). 245
  103. 103 923. Een vaak gebruikte term voor verwant door huwelijk is: beau-parent, parent-in-law, Schwieger(-vater) (bijv. “broer van de echtgenoot”). 246
  104. 104 925. In het niet-lineaire Belgische systeem kan de groep verwanten zeer uitgebreid zijn. Daarom introduceert het Burgerlijk Wetboek een ordening om de juridische afstand tussen verwanten te berekenen. 247
  105. 105 935. Onderhoud (maintenance) omvat het materiële aspect van de opvoeding en zorg voor familieleden. De wet bepaalt: 249
  106. 106 936. Twee belangrijke trends beïnvloeden de onderhoudsplicht vandaag: 249
  107. 107 937. Onderhoud kan ontstaan uit verschillende bronnen: 249
  108. 108 938. Het recht op onderhoud is geen universele juridische instelling, maar er kunnen wel algemene principes worden afgeleid: 250
  109. 109 939. Dwingend recht 250
  110. 110 940. De behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de financiële draagkracht van de onderhoudsplichtige bepalen: 250
  111. 111 941. Onvrijwilligheid en onwaardigheid 251
  112. 112 942. In geld of in natura 251
  113. 113 943. Rebus sic stantibus 252
  114. 114 944. Wederkerigheid 252
  115. 115 945. Persoonlijk karakter 252
  116. 116 946. Personen die recht hebben op onderhoud kunnen hun aanspraken soms binnen verschillende kringen van familieleden laten gelden. Dit roept de vraag op hoe de verdeling moet plaatsvinden als: 252
  117. 117 947. In het recht van partnerschappen bestaat er een onderhoudsrelatie tussen (ex-)partners door de gemeenschap van levendie zij vormen of hebben gevormd. 252
  118. 118 948. Na de (ex-)partner worden eerst de bloedverwanten aangesproken, en daarna de aanverwanten. 253
  119. 119 958. Een persoon kan aanspraak maken op onderhoud bij zijn bloedverwanten zodra de ouders afwezig zijn of wanneer hij volwassen is en zijn opleiding heeft afgerond. Hierbij geldt dat: 253
  120. 120 959. Tussen aanverwanten bestaan twee soorten onderhoudsrelaties: 254

Infos sur le Document

Publié le
20 avril 2026
Nombre de pages
255
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€10,96

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
3
Abonnés
0
Éléments
1
Dernière vente
4 mois de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions