FARMACOLOGI
E2
, Hoofdstuk 8: middelen die het autonome zenuwstelsel
beïnvloeden
1. Impulsoverdracht
Neuronen geleiden actiepotentialen vh ene neuron nr het andere tot het
eindorgaan bereikt wordt (vb: spier/ klier)
Prikkeloverdracht:
o Via synaps: presynaptische en postsynaptische neuron maken hier
contact
o Neurotransmitters (NT) worden geproduceerd en opgeslagen in
vesikels in het presynaptische neuron wordt vrijgegeven aan de
synaptische spleet wnr een actiepotentiaal (AP) het eindknopje
bereikt
o NT binden zich aan receptoren vh ontvangende neuron, bij
voldoende afgifte: signaal wordt doorgegeven nr postsynaptische cel
(exciterende NT)
2 soorten NT
o Exciterende NT: bevordert doorgifte vh signaal
o Inhiberende NT: remt doorgifte vh signaal
Prikkeloverdracht nr eindorgaan (vb: spier) leidt tot samentrekking of
ontspanning vd spiercellen
2 belangrijkste NT vh autonome zenuwstelsel (AZS): noradrenaline en
acetylcholine
1
,2. Autonoom zenuwstelsel
Perifeer zenuwstelsel (PZS): autonome (onwillekeurige) ZS + somatische
(willekeurige) ZS
AZS: regelt functies zoals RR, HF, AH, spijsvertering en stofwisseling (≠
controleerbaar)
Primaire kernen zitten in de hypothalamus, wat deel uitmaakt vh limbische
systeem en sterk dr emoties
wordt beïnvloed
AZS is opgedeeld in
(ortho)sympatische en
parasympatische ZS
o Vrijwel elk orgaan
wordt dr beide stelsels
geïnnerveerd
2.1. (Ortho)sympatisch zenuwstelsel
Wordt geactiveerd bij stress of fysieke inspanning ‘fight or flight’
Effecten: snellere hartslag, bronchodilatatie, meer bloed nr skeletspieren
en ↑ glucosevrijstelling
Organen die nt essentieel zijn vr stressreactie ontvangen ↓ bloed
= adrenerge systeem
o Belangrijkste neurotransmitter = noradrenaline
o Adrenerge receptoren = ⲁ en β receptoren
ⲁ1 arteriolen
β1 hart
β2 longen
o Alfa leidt tot vasoconstrictie, bèta leidt tot vasodilatatie
2.2. Parasympatisch zenuwstelsel
Bevordert herstel en rust (‘rest en digest’)
Effecten: tragere hartslag, ↓ AF, stimulering spijsverteringsstelsel en
glycogeenopbouw
Signaaloverdracht verloopt via de ganglia die dicht bij of in het orgaan zelf
liggen meer specifieke werking, mr dus ook ↑ bijwerkingen omdat ze op
meerdere eindorganen aangrijpen
= cholinerge systeem
2
, o Belangrijkste NT = acetylcholine
3. Indeling van de vegetatieve farmaca
Beïnvloeden het AZS
3
E2
, Hoofdstuk 8: middelen die het autonome zenuwstelsel
beïnvloeden
1. Impulsoverdracht
Neuronen geleiden actiepotentialen vh ene neuron nr het andere tot het
eindorgaan bereikt wordt (vb: spier/ klier)
Prikkeloverdracht:
o Via synaps: presynaptische en postsynaptische neuron maken hier
contact
o Neurotransmitters (NT) worden geproduceerd en opgeslagen in
vesikels in het presynaptische neuron wordt vrijgegeven aan de
synaptische spleet wnr een actiepotentiaal (AP) het eindknopje
bereikt
o NT binden zich aan receptoren vh ontvangende neuron, bij
voldoende afgifte: signaal wordt doorgegeven nr postsynaptische cel
(exciterende NT)
2 soorten NT
o Exciterende NT: bevordert doorgifte vh signaal
o Inhiberende NT: remt doorgifte vh signaal
Prikkeloverdracht nr eindorgaan (vb: spier) leidt tot samentrekking of
ontspanning vd spiercellen
2 belangrijkste NT vh autonome zenuwstelsel (AZS): noradrenaline en
acetylcholine
1
,2. Autonoom zenuwstelsel
Perifeer zenuwstelsel (PZS): autonome (onwillekeurige) ZS + somatische
(willekeurige) ZS
AZS: regelt functies zoals RR, HF, AH, spijsvertering en stofwisseling (≠
controleerbaar)
Primaire kernen zitten in de hypothalamus, wat deel uitmaakt vh limbische
systeem en sterk dr emoties
wordt beïnvloed
AZS is opgedeeld in
(ortho)sympatische en
parasympatische ZS
o Vrijwel elk orgaan
wordt dr beide stelsels
geïnnerveerd
2.1. (Ortho)sympatisch zenuwstelsel
Wordt geactiveerd bij stress of fysieke inspanning ‘fight or flight’
Effecten: snellere hartslag, bronchodilatatie, meer bloed nr skeletspieren
en ↑ glucosevrijstelling
Organen die nt essentieel zijn vr stressreactie ontvangen ↓ bloed
= adrenerge systeem
o Belangrijkste neurotransmitter = noradrenaline
o Adrenerge receptoren = ⲁ en β receptoren
ⲁ1 arteriolen
β1 hart
β2 longen
o Alfa leidt tot vasoconstrictie, bèta leidt tot vasodilatatie
2.2. Parasympatisch zenuwstelsel
Bevordert herstel en rust (‘rest en digest’)
Effecten: tragere hartslag, ↓ AF, stimulering spijsverteringsstelsel en
glycogeenopbouw
Signaaloverdracht verloopt via de ganglia die dicht bij of in het orgaan zelf
liggen meer specifieke werking, mr dus ook ↑ bijwerkingen omdat ze op
meerdere eindorganen aangrijpen
= cholinerge systeem
2
, o Belangrijkste NT = acetylcholine
3. Indeling van de vegetatieve farmaca
Beïnvloeden het AZS
3