stamcellen
1. Stamceltherapie
Stamcellen bieden veelbelovende mogelijkheden voor regeneratieve
geneeskunde en therapieën voor diverse ziekten. Er zijn verschillende
soorten stamcellen die ingezet kunnen worden:
1.1. Therapie met endogene stamcellen
Definitie: Gebruik van stamcellen die al in het lichaam aanwezig
zijn.
Voordelen:
o Geen risico op immunologische afstoting.
o Kan beschadigd weefsel regenereren bij bijvoorbeeld
ruggenmergletsel.
Nadelen:
o Beperkt aantal volwassen stamcellen in het lichaam.
o Verminderde delingscapaciteit ten opzichte van embryonale
stamcellen.
1.2. Embryonale stamcellen (ES-cellen)
Kenmerken:
o Pluripotent: kunnen differentiëren in elk celtype.
o Hoge delingscapaciteit.
Uitdagingen:
o Ethische bezwaren rondom het gebruik van embryo's.
o Potentieel risico op tumorvorming (teratomen).
, 1.3. Geïnduceerde pluripotente stamcellen (iPS-cellen)
Proces:
o Volwassen cellen worden genetisch geherprogrammeerd tot
stamcellen.
o Factoren zoals Oct4, Sox2, Klf4 en c-Myc worden gebruikt.
Voordelen:
o Vermijden van ethische dilemma’s.
o Patiëntspecifieke therapieën mogelijk.
Nadelen:
o Mogelijke genetische instabiliteit.
o Risico op ongecontroleerde celdeling.
1.4. Epigenetische mechanismen tijdens de vroege
embryonale ontwikkeling
Epigenetica speelt een cruciale rol in celontwikkeling en differentiatie.
1.5. DNA-methylatie
Functie:
o Stilleggen van genexpressie.
o Reguleren van celidentiteit.
Mechanisme:
o Toevoeging van methylgroepen aan cytosine in CpG-eilanden.
o DNA-methyltransferasen (DNMT’s) spelen een sleutelrol.
1.6. Histonmodificaties
Belangrijke modificaties:
o Acetylering → verhoogde genexpressie.
o Methylering → kan genexpressie activeren of onderdrukken.