• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 107 pages
Resume

Volledige samenvatting Juridische argumentatieleer - prof. Goossens

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 107 pages

In eerste zit erdoor met 14/20. Deze samenvatting bevat alles wat tijdens de colleges van professor Goossens is gezegd. De belangrijkste dingen zijn in het rood aangeduid wat handig is bij het herhalen.

Aperçu du contenu

I. Cognitieve achtergrond
H1: De mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten
 Cognitieve capaciteiten < evolutionaire wortels

 Adhv theorie drievuldig brein (triune brain) w evolutionaire wortels v ons denken
uitgelegd  volgens theorie bestaat menselijk brein uit drie lagen die elk evolutionair
stadium voorstellen

• Oudste laag ligt diepst: w gevormd reptielachtig brein stuurt de slechte
dierlijke impulsen: rigide, obsessief, compulsief en paranoïde gedrag  is
onderste deel v brein

• Tweede laag: w gevormd door oude zoogdierenbrein→ is betrokken bij emoties,
drijfveren en motivatie, kennisverwerving, tijdsbesef, geheugen, geur  is
middelste deel v brein

• Nieuwste laag: is recente zoogdierenbrein → bijzondere cognitieve functies, bv.
inventiviteit en abstract redeneervermogen bevinden zich in deze
hersenstructuren  is onderverdeeld in linker en rechterhelft van brein



 Opgepast: ‘triune brain’ is niet wetenschappelijk nauwkeurig

 Voordeel: biedt kader voor menselijke onredelijkheid

 Mensen en dieren verschillen niet alleen weinig qua cognitieve capaciteiten, op sommige
punten zijn dieren veel ‘verstandiger’

 Om verschil te duiden tss wat mensen daadwerkelijk doen en wat ze zouden doen als ze
zuiver rationele actoren waren maakt men onderscheid tss: Humans (echte mensen) vs.
Econs (wat wij graag denken dat wij zijn, zuiver rationale actoren)  denken dat we
econs zij maar = eig. humans

 Idee van mens als rationele actor is zeer invloedrijk (geweest) in het recht, bv.
contractenrecht(kan als 2 rationele actoren contract sluiten maar in realiteit zijn er
externe actoren die dit kunnen beïnvloeden)



 Gevolg van evolutionaire wortels van menselijk redeneren:

 We zijn als mensen manipuleerbaar door bv reclame (in economie spreekt men van
‘nudging’: mensen aanzetten om bepaalde dingen te doen, zonder dat ze zich hiervan
bewust zijn)  bv. vakje in winkelkar speciaal voor groenten zorgt ervoor dat je meer
groenten koopt



H2: Systeem 1 en Systeem 2-denken
 Om ons gedrag te verklaren, maken we onderscheid tussen Systeem 1 en Systeem 2-denken


1

,  Systeem 1 = snel, intuïtief denken

• Moet het zien als een automatische piloot: stuurt meeste van onze
handelingen(zo eigen gemaakt dat je ze automatisch uitvoert)

 Systeem 2 = traag, rationeel denken

• Is enkel bewust te activeren, vergt inspanningen

 Opgepast: Systeem 1 ≠ emotie; Systeem 2 ≠ rede

 Overgang van Systeem 2 naar Systeem 1

 Door het inslijten(gedrag bewust herhalen) wordt dat automatische manier om info te
verwerken, wat eerst zo veel moeite kost wordt op den duur een automatisme, gaat
zorgen dat denkprocessen van systeem 2 naar systeem 1 gaan

 Leidt soms tot: curse of knowledge: wanneer kennis vanzelfsprekend is (geworden), is
deze vaak ook moeilijker om over te dragen



 Onze cognitieve vaardigheden zijn al millennia ongewijzigd, maar de behoefte om complexe
redeneertaken uit te voeren is aanzienlijk toegenomen

 Opletten: Systeem 1 denken heeft de neiging om willekeurige informatie te verweven tot
één “coherent” verhaal zonder dat systeem 2 actief gaat nadenken of dat verhaal wel
klopt

• Bv. complottheorieën(eigen verhalen maken o.b.v. buikgevoel zonder te weten
hoe je die moeten verifiëren)

• Parallel met GenAI die hallucinaties maakt

 Bij kritisch nadenken gaan we Systeem 2 activeren

• JAL: training in herkennen en vermijden van redeneerfouten



H3. Het brein als verbandenleggende machine
 Systeem 1 legt spontaan verbanden tussen allerlei soorten informatie (concepten,
gebeurtenissen, stellingen …)

 Wij als mensen associëren kleur rood met gevaar omdat we dan denken aan vuur 
daarom zijn verbodsborden rood

 “Piet ging skiën. Hij brak een been.”  systeem 1 gaat automatisch in verband brengen
dat Piet een been brak door te skiën

 Samenhang (≠ logica of toeval)

• Voordeel: biedt coherent kader voor gewaarwordingen

• Nadeel: verbanden zijn regelmatig niet correct waardoor complottheorieën
ontstaan


2

, • Spreken van complottheorie “wanneer een gebeurtenis die als
bedreigend wordt ervaren, wordt toegeschreven aan een samenzwering
tussen individuen die hun (geheime) doel via niet-legitieme weg trachten
te bereiken”

• ‘5G maakt mensen vatbaar voor corona’

• ‘Donald Trump heeft de Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2020
eigenlijk gewonnen’

 Leidt tot conceptverruiming door verminderde blootstelling(worden minder met iets
bepaald blootgesteld waardoor ons idee over dat iets rekbaarder wordt): gekleurde
stippen voorleggen en vragen of die blauw zijn  onderzoek toont aan dat het antwoord
samenhangt met de stippen die mensen voordien zagen: wanneer die amper blauw
zagen, hebben ze neiging om paars als blauw te zien(idee v blauw verschuift)

• Ook bv. ‘gevaarlijk’  mensen hebben ervaring dat het leven gevaarlijk is
ondanks cijfers anders aantonen  is gevolg van conceptverruiming

 Systeem 2 daarentegen controleert verbanden op actieve wijze



 Vier centrale verbanden die ons systeem 1 automatisch toepast:



1. Voorwaardelijke verbanden (als… dan…)
 Bepaalde zin of uitspraak (‘propositie’) vormt voorwaarde voor andere propositie

- Als het 15u is, dan begint de les  als het 15 u is vormt voorwaarde voor dan begint de les


2. Via-verbanden (‘metonymieën’)
 !!! verschil tussen metonymie en metafoor

 Brein weet meteen dat er niet de letterlijke betekenis begrepen moet worden

 Hij heeft gisteren een paar glazen teveel gedronken  je drinkt niet letterlijk een glas, je weet
meteen dat het gaat over de inhoud van dat glas en niet over de letterlijke betekenis

 Brussel heeft weer een populaire maatregel genomen

 Het parlement hervat de werkzaamheden

 Het kantoor gaat op teambuilding

 Die da Vinci is tegenwoordig US $ 450 miljoen waard



 Via-verband leggen(een mentale shortcut) is wanneer je een ding of entiteit gebruikt
(vehikelentiteit) om mentale toegang te krijgen tot andere entiteit (doelentiteit) die er in onze
ervaring nauw mee verbonden is

 “Ik lees graag Shakespeare”: via ‘Shakespeare’ mentaal toegang tot ‘zijn werken’

3

,  “Brussel heeft dat weer beslist”: via ‘Brussel’ mentaal toegang tot ‘Europese Unie’

 Doen dit op verschillende manieren: gaan deel gebruiken wnr we het over geheel willen hebben;
gaan producent gebruiken wnr we het over product willen hebben; gaan instituut gebruiken wnr
we het over plaats willen hebben



 In deze cursus centraal: Deel/Geheel- en Oorzaak/Gevolg-metonymie

 Deel/Geheel?

 “Mijn fietsbel is stuk, dus is mijn fiets stuk” → haalt ‘deel’ (bel) en ‘geheel’
(fiets) door elkaar

 “Juristen drinken meer alcohol dan historici, dus drinkt jurist Jan meer dan
historicus Herman” → je gaat veralgemenen (wat geldt voor het geheel, geldt
niet per se voor een deel)

 Oorzaak/Gevolg?

 ‘Warme trui’  de trui zelf is niet warm, je krijgt het warm door trui

 “(1) Mensen op de bus hebben een paraplu mee; (2) het regent.” → gaat
richting van causaal verband omdraaien (1) is gevolg van (2), niet de oorzaak
ervan

 “De basketbalspelers op het veld zijn groter dan 1m95; conclusie: basketbal
spelen doet je groeien” → ‘basketbal spelen’ is niet de oorzaak van ‘groot zijn’
(eerder omgekeerd)



 Het ongerichte en associatieve karakter maakt dat het sterke cognitieve verbanden zijn

 Neiging om verbanden te leggen tussen dingen die niet gerelateerd zijn: apofenie bv. handlezen
of gokken(gaan geloven dat wanneer het balletje al 10 x op rood is gevallen, dat het weeral zal
gebeuren)

 Via-verbanden: op zich niet problematisch, maar mogelijk gevaarlijk



3. Causale verbanden
 Neiging om samenhangende gebeurtenissen in een relatie van oorzaak en gevolg tot elkaar te
plaatsen

 Correlatie = aangeven in welke mate variabelen verband met elkaar houden

o Positief: als ene variabele stijgt, andere ook

o Negatief: als ene variabele stijgt, dan daalt andere

 Correlatie ≠ Causaliteit: Causaal verband= oorzakelijk verband <-> correlatie = een verband

 Bv. correlatie tussen aantal mensen die verdrinkt door in zwembad te vallen en aantal films
waarin acteur meespeelt in zelfde jaar  is een verband maar geen oorzakelijk verband

4

Table des matières

  1. 01 I. Cognitieve achtergrond 1
    1. H1: De mens als dier met sterke cognitieve capaciteiten 1
    2. H2: Systeem 1 en Systeem 2-denken 1
    3. H3. Het brein als verbandenleggende machine 2
  2. 02 I. Bouwstenen van redeneringen 7
    1. H1. Basisbegrippen 7
    2. H2. Soorten voorwaarden 9
  3. 03 II. Soorten redeneringen 11
    1. H1. Deductief redeneren 12
    2. H2. Inductief redeneren 19
    3. H3. Abductief redeneren 20
  4. 04 IV. Structurele redeneerfouten 22
    1. H1. Enkele kernbegrippen 22
    2. H2. Enkele structurele redeneerfouten 23
    3. H3. Waarom maken we structurele redeneerfouten? 29
  5. 05 Deel II Argumenteren 30
  6. 06 I. Begripsomschrijving 30
    1. 1. Het begrip ‘argumenteren’ 31
    2. 2. De rol van voorwaardelijke uitspraken in argumentaties 32
    3. 3. De context waarin argumentaties en betogen plaatsvinden 33
  7. 07 II. Opbouw van argumentaties: het betoog 34
    1. 1. Inventio 36
    2. 2. Dispositio 36
    3. 3. Elocutio 40
    4. 4. Memoria 41
    5. 5. Pronuntiatio 41
  8. 08 III. Deugdelijk argumenteren 42
    1. H1. Wat is deugdelijk argumenteren? 42
    2. H2. Drie voorwaarden 46
    3. H3. Tien regels voor een productief verloop 46
  9. 09 IV. Argumentatieschema’s 50
    1. H1. Argumenten op basis van bijzondere geplaatstheid 51
    2. H2. Argumenten op basis van (inhoudelijke) deskundigheid 51
    3. H3. Argumenten op basis van de persoon 52
    4. H4. Argumenten op basis van gedeelde overtuiging 56
    5. H5. Argumenten op basis van gevolgen 57
    6. H6. Argumenten op basis van regelmaat 59
    7. H7. Argumenten op basis van gelijkenis 59
    8. H8. Argumenten op basis van verschil 62
    9. H9. Argumenten op basis van vertrouwen 64
    10. H10. Argument op basis van regels 64
    11. H11. Argumenten op basis van testresultaten 66
    12. H12. Argumenten op basis van gebrek aan informatie 66
  10. 10 V. Drogredenen 67
    1. H1. Bevestigende drogredenen 68
    2. H2. Weerleggende drogredenen 72
    3. H3. Ontwijkende drogredenen 73
  11. 11 Deel III. Juridisch argumenteren 75
    1. 1. Het betoog van de partijen 78
    2. 2. Het betoog van de rechter 80
    3. H3. Overtuigen en bewijzen: feiten in het recht 80
  12. 12 III. Twee visies op de bronnen van het recht 85
    1. H1. Proloog: 18de-eeuwse problemen 86
    2. H2. De bronnen van het recht als piramide 87
    3. H3. De opgang van de bronnen van het recht als netwerk 90
  13. 13 III. Juridische argumentatieschema’s 94
    1. H1. Juridische argumenten op basis van gezag 96
    2. H2. Juridische argumenten op basis van regels 97
    3. H3. Juridische argumenten op basis van systematische overwegingen 99
    4. H4. Juridische argumenten op basis van doelstellingen 104
    5. H5. Juridische argumenten op basis van waarden 105
    6. H6. Juridische argumenten op basis van gevolgen 105
    7. H7. Juridische argumenten op basis van intentie 106
    8. H8. Juridische argumenten op basis van testresultaten 106
    9. H9. Onderlinge verhouding 107

Livre connecté
 image
Frederik Peeraer Juridisch argumenteren
Éditeur: Inconnu ISBN: 9789463715447 Édition: 2

Infos sur le Document

Cours
Livre entier ?
Oui
Publié le
26 février 2026
Nombre de pages
107
Écrit en
2024/2025
Type
Resume
€9,56

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
Vendu
21
Abonnés
0
Éléments
20
Dernière vente
3 semaines de cela




Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions