SAMENVATTING
GYNAECOLOGIE II
Vrelust, Ext.Fien (Edegem)
,INHOUDSOPGAVE
1.HERHALING BACHELOR .......................................................................................................................................................... 2
2. FOETALE GROEIRESTRICTIE, MACROSOMIE, POLY-, OLIGOHYDRAMNIOS, INTRAUTERIENE VRUCHTDOOD,
ZWANGERSCHAPSAFBREKING ................................................................................................................................................. 22
3. MEERLINGZWANGERSCHAPPEN .......................................................................................................................................... 36
4. PROBLEMEN TIJDENS ARBEID EN BEVALLING, KUNSTVERLOSSING EN SECTIO ..................................................................... 44
5A. HYPERTENSIE, CARDIOVASCULAIRE AANDOENINGEN EN ZWANGERSCHAP ....................................................................... 54
5B. HARTAANDOENINGEN IN DE ZWANGERSCHAP ................................................................................................................. 60
6. DIABETES, OBESITAS EN ZWANGERSCHAP ........................................................................................................................... 63
7. PRETERME ARBEID, PPROM EN POSTTERM, INDUCTIE ........................................................................................................ 74
8. INFECTIES TIJDENS ZWANGERSCHAP, TORCHES, PARVOVIRUS, INFLUENZA, HIV, LISTERIA, GBS, VACCINATIE, … ................. 84
9. BLOEDINGEN ..................................................................................................................................................................... 101
10. STOLLING EN ZWANGERSCHAP........................................................................................................................................ 111
11. BLOEDGROEPANTAGONISME, ANEMIE............................................................................................................................ 117
12. VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN: AANVULLINGEN EN UITBREIDING ............................................................................... 125
13. ENDOMETRIOSE, CHRONISCHE PELVIENE PIJN ................................................................................................................. 133
14. AANDOENINGEN VAN DE CERVIX .................................................................................................................................... 138
15. PATHOLOGIE UTERUS, TUBAE, OVARIA ........................................................................................................................... 144
16. ABNORMALE UTERIENE BLOEDINGEN ............................................................................................................................. 172
17. PELVIC ORGAN PROLAPSE ............................................................................................................................................... 184
18. SENOLOGIE ..................................................................................................................................................................... 197
19. ZORGCENTRUM NA SEKSUEEL GEWELD ........................................................................................................................... 223
1
,1.HERHALING BACHELOR
ZWANGERSCHAP EN BEVALLING IN EEN NOTENDOP
BEVRUCHTING
Ter hoogte van zaadcellen: capacitatie en acrosoomreactie
Bevruchte eicel = zygote
INNESTELING: IMPLANTATIE - NIDATIE
Implantatie rond dag 6 postconceptie, rond dag 21 van de vierweekse cyclus
TERMEN
ABORTA (A): Aantal miskramen (gedefinieerd als verlies van een zwangerschap tot een zwangerschapsduur van 19 weken en 6
dagen)
ABORTUS ARTE PROVOCATUS (A.A.P.) Verwijst naar het aantal zwangerschapsafbrekingen
AMENORROEDUUR: Tijd verlopen sinds de eerste dag van de laatste regels - wordt uitgedrukt in volledige weken Bij een
regelmatige cyclus van 28 dagen zijn zwangerschapsduur en amenorroeduur identiek, bij een cyclus van meer of minder dan 28
dagen zal dat niet het geval zijn
A TERME: Tussen 37-42 voldragen weken of tussen 259 tot minder dan 294 dagen
EMBRYO: De vrucht tot de achtste week na de bevruchting (vanaf 8 weken is de organogenese volledig)
FOETUS: De vrucht vanaf 9 weken na de bevruchting tot aan de geboorte
GRAVIDA OF GRAVIDITEIT (G): Duidt op het aantal zwangerschappen met inbegrip van de huidige
NULLIGRAVIDA: Is niet zwanger en is het nog nooit geweest
PRIMIGRAVIDA: Is voor de eerste keer zwanger
MULTIGRAVIDA: Vanaf de tweede zwangerschap
NEONAAT: Vanaf de geboorte tot en met dag 28
PARA OF PARITEIT (P): Verwijst naar het aantal bevallingen, gedefinieerd als een zwangerschapsduur vanaf 20 weken
NULLIPARA: Kan multigravida zijn
PRIMIPARA: Is eenmaal bevallen
MULTIPARA:Is ten minste tweemaal bevallen
Of de bevalling vaginaal of per sectionem gebeurde, beïnvloedt de pariteit niet. De getallen hebben betrekking op het aantal
zwangerschappen, niet op het aantal foetussen. Na één drieling die per sectionem geboren is, is men G1P1
POSTTERM OF SEROTIEN: 42 of meer weken (294 dagen)
PRETERM: Een zwangerschapsduur van minder dan 37 voldragen weken of 259 dagen
VERY PRETERM: Minder dan 32 weken of 224 dagen
EXTREEM PRETERM: Minder dan 28 weken of 196 dagen
VROEG NEONATAAL: De eerste week van de geboorte, men spreekt tijdens deze week van de pasgeborene
ZUIGELING: Vanaf de geboorte tot aan de eerste verjaardag
ZWANGERSCHAPSDUUR:Tijd verlopen sinds de conceptie + twee weken
2
, ZWANGERSCHAPSBEGELEIDING EN PRENATALE ZORG
Women centered care: informed consent & shared decision making
PRECONCEPTIONELE ZORG
Periconceptioneel: 14w voor tot 10w na de bevruchting
Preconceptioneel: maturatie gameten en epigenetische programmatie
- Gezonde levenswijze: geen alcohol, roken, gezonde voeding (Leefstijlroer: voeding, beweging, ontspanning, slaap,
middelen, verbinding)
- Risico’s woon-werk
- Preventief 400-600 𝜇𝑔 (0.4 MG) FOLIUMZUUR (voorkomt 50% neurale buisdefecten)
- Preconceptioneel: risico genetische aandoeningen mbv familiegeschiedenis, dragerschap AR aandoeningen
PRENATALE CONTROLE
- Zwangerschapsmap via Kind en Gezin
- Bloeddruk bij elk contact: zittend, correcte cuff, referentie: automatische BD-meting
- Psychosociale kwetsbaarheid opsporen (middelengebruik, verstandelijke beperking, psychiatrische problemen)
LABORATORIUMONDERZOEK
OBLIGAAT FACULTATIEF
Bloedgroep + irregulaire antistoffen Toxoplasmose
Hb en MCV, trombocyten Varicella IgG
Rubella IgG Hep C
Hepatitis B surface antilichamen HbA1c
Hiv Glucose
Syfilis NIPT
Urineonderzoek voor asymptomatische bacteriurie Foetale resusfactor op materneel bloed bij
resusnegatieve zwangeren
GEEN screening naar CMV of parvovirus
ECHOGRAFISCH ONDERZOEK
WEEK 4,5-5: Intra-uteriene zwangerschapsring zichtbaar (vruchtzak)
WEEK 6: Hartactiviteit
WEEK 11-12: Eerste echo
Doel: bevestigen intra-uteriene ZWS, bepaling termijn adhv kruin-
romplengte, evaluatie meerlingzws, hartactiviteit bevestigen, grove
anatomische exploratie, evaluatie nekplooi of andere softmarkers voor
aneuploïdie
3
GYNAECOLOGIE II
Vrelust, Ext.Fien (Edegem)
,INHOUDSOPGAVE
1.HERHALING BACHELOR .......................................................................................................................................................... 2
2. FOETALE GROEIRESTRICTIE, MACROSOMIE, POLY-, OLIGOHYDRAMNIOS, INTRAUTERIENE VRUCHTDOOD,
ZWANGERSCHAPSAFBREKING ................................................................................................................................................. 22
3. MEERLINGZWANGERSCHAPPEN .......................................................................................................................................... 36
4. PROBLEMEN TIJDENS ARBEID EN BEVALLING, KUNSTVERLOSSING EN SECTIO ..................................................................... 44
5A. HYPERTENSIE, CARDIOVASCULAIRE AANDOENINGEN EN ZWANGERSCHAP ....................................................................... 54
5B. HARTAANDOENINGEN IN DE ZWANGERSCHAP ................................................................................................................. 60
6. DIABETES, OBESITAS EN ZWANGERSCHAP ........................................................................................................................... 63
7. PRETERME ARBEID, PPROM EN POSTTERM, INDUCTIE ........................................................................................................ 74
8. INFECTIES TIJDENS ZWANGERSCHAP, TORCHES, PARVOVIRUS, INFLUENZA, HIV, LISTERIA, GBS, VACCINATIE, … ................. 84
9. BLOEDINGEN ..................................................................................................................................................................... 101
10. STOLLING EN ZWANGERSCHAP........................................................................................................................................ 111
11. BLOEDGROEPANTAGONISME, ANEMIE............................................................................................................................ 117
12. VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN: AANVULLINGEN EN UITBREIDING ............................................................................... 125
13. ENDOMETRIOSE, CHRONISCHE PELVIENE PIJN ................................................................................................................. 133
14. AANDOENINGEN VAN DE CERVIX .................................................................................................................................... 138
15. PATHOLOGIE UTERUS, TUBAE, OVARIA ........................................................................................................................... 144
16. ABNORMALE UTERIENE BLOEDINGEN ............................................................................................................................. 172
17. PELVIC ORGAN PROLAPSE ............................................................................................................................................... 184
18. SENOLOGIE ..................................................................................................................................................................... 197
19. ZORGCENTRUM NA SEKSUEEL GEWELD ........................................................................................................................... 223
1
,1.HERHALING BACHELOR
ZWANGERSCHAP EN BEVALLING IN EEN NOTENDOP
BEVRUCHTING
Ter hoogte van zaadcellen: capacitatie en acrosoomreactie
Bevruchte eicel = zygote
INNESTELING: IMPLANTATIE - NIDATIE
Implantatie rond dag 6 postconceptie, rond dag 21 van de vierweekse cyclus
TERMEN
ABORTA (A): Aantal miskramen (gedefinieerd als verlies van een zwangerschap tot een zwangerschapsduur van 19 weken en 6
dagen)
ABORTUS ARTE PROVOCATUS (A.A.P.) Verwijst naar het aantal zwangerschapsafbrekingen
AMENORROEDUUR: Tijd verlopen sinds de eerste dag van de laatste regels - wordt uitgedrukt in volledige weken Bij een
regelmatige cyclus van 28 dagen zijn zwangerschapsduur en amenorroeduur identiek, bij een cyclus van meer of minder dan 28
dagen zal dat niet het geval zijn
A TERME: Tussen 37-42 voldragen weken of tussen 259 tot minder dan 294 dagen
EMBRYO: De vrucht tot de achtste week na de bevruchting (vanaf 8 weken is de organogenese volledig)
FOETUS: De vrucht vanaf 9 weken na de bevruchting tot aan de geboorte
GRAVIDA OF GRAVIDITEIT (G): Duidt op het aantal zwangerschappen met inbegrip van de huidige
NULLIGRAVIDA: Is niet zwanger en is het nog nooit geweest
PRIMIGRAVIDA: Is voor de eerste keer zwanger
MULTIGRAVIDA: Vanaf de tweede zwangerschap
NEONAAT: Vanaf de geboorte tot en met dag 28
PARA OF PARITEIT (P): Verwijst naar het aantal bevallingen, gedefinieerd als een zwangerschapsduur vanaf 20 weken
NULLIPARA: Kan multigravida zijn
PRIMIPARA: Is eenmaal bevallen
MULTIPARA:Is ten minste tweemaal bevallen
Of de bevalling vaginaal of per sectionem gebeurde, beïnvloedt de pariteit niet. De getallen hebben betrekking op het aantal
zwangerschappen, niet op het aantal foetussen. Na één drieling die per sectionem geboren is, is men G1P1
POSTTERM OF SEROTIEN: 42 of meer weken (294 dagen)
PRETERM: Een zwangerschapsduur van minder dan 37 voldragen weken of 259 dagen
VERY PRETERM: Minder dan 32 weken of 224 dagen
EXTREEM PRETERM: Minder dan 28 weken of 196 dagen
VROEG NEONATAAL: De eerste week van de geboorte, men spreekt tijdens deze week van de pasgeborene
ZUIGELING: Vanaf de geboorte tot aan de eerste verjaardag
ZWANGERSCHAPSDUUR:Tijd verlopen sinds de conceptie + twee weken
2
, ZWANGERSCHAPSBEGELEIDING EN PRENATALE ZORG
Women centered care: informed consent & shared decision making
PRECONCEPTIONELE ZORG
Periconceptioneel: 14w voor tot 10w na de bevruchting
Preconceptioneel: maturatie gameten en epigenetische programmatie
- Gezonde levenswijze: geen alcohol, roken, gezonde voeding (Leefstijlroer: voeding, beweging, ontspanning, slaap,
middelen, verbinding)
- Risico’s woon-werk
- Preventief 400-600 𝜇𝑔 (0.4 MG) FOLIUMZUUR (voorkomt 50% neurale buisdefecten)
- Preconceptioneel: risico genetische aandoeningen mbv familiegeschiedenis, dragerschap AR aandoeningen
PRENATALE CONTROLE
- Zwangerschapsmap via Kind en Gezin
- Bloeddruk bij elk contact: zittend, correcte cuff, referentie: automatische BD-meting
- Psychosociale kwetsbaarheid opsporen (middelengebruik, verstandelijke beperking, psychiatrische problemen)
LABORATORIUMONDERZOEK
OBLIGAAT FACULTATIEF
Bloedgroep + irregulaire antistoffen Toxoplasmose
Hb en MCV, trombocyten Varicella IgG
Rubella IgG Hep C
Hepatitis B surface antilichamen HbA1c
Hiv Glucose
Syfilis NIPT
Urineonderzoek voor asymptomatische bacteriurie Foetale resusfactor op materneel bloed bij
resusnegatieve zwangeren
GEEN screening naar CMV of parvovirus
ECHOGRAFISCH ONDERZOEK
WEEK 4,5-5: Intra-uteriene zwangerschapsring zichtbaar (vruchtzak)
WEEK 6: Hartactiviteit
WEEK 11-12: Eerste echo
Doel: bevestigen intra-uteriene ZWS, bepaling termijn adhv kruin-
romplengte, evaluatie meerlingzws, hartactiviteit bevestigen, grove
anatomische exploratie, evaluatie nekplooi of andere softmarkers voor
aneuploïdie
3