Acemoglu:
- democratische systemen (1): Democratische systemen zijn superieur in het
oplossen van sociale problemen
- creative destruction (1): Alleen een democratisch systeem dat bescherming biedt
aan privaat eigendom helpt de belangrijkste drijver van economische groei aan de
gang. Die drijver is ‘creative destruction’ of innovatie. Landen die niet meer in staat
zijn om te innoveren zijn gedoemd.
- hervormen v autocratiën (6): met Robinson: Autocratieën hervormen alleen onder
druk, en enkel wanneer elites denken dat beperkte democratische concessies beter
zijn dan omvergeworpen worden.
- Sociale media & AI (9): met Johnson: Sociale media en AI kunnen democratie
uithollen (manipulatie, overheidscensuur, beïnvloeding van verkiezingen), maar ook
versterken wanneer ze worden ingezet voor transparantie, burgerparticipatie en
tegenmacht. Het zijn geen neutrale technologieën: hun democratische impact hangt
af van de keuzes die samenlevingen maken.
- democratisch deficit (9): Volgens hen ligt het probleem niet in “te weinig
democratie”, maar in systeemfalen: de politieke capaciteit van staten groeit niet mee
met de complexiteit van sociale problemen. Democratie werkt nog steeds beter dan
autocratie, maar er is een tekort aan tegenmacht, institutionele balans en effectieve
beleidsuitvoering.
Lasswell:
- politiek (2): Wie krijgt wat, wanneer & hoe
Weber:
- macht (3): Macht is het vermogen om anderen hun wil op te leggen, zelfs tegen hun
wil (en eventueel tegen hun belangen) in.
Dewachter:
- macht (3): de uitoefening van de mogelijkheid op basis van machtsbases leidt tot
een effect op gedrag
Habermas:
- machtsvrije samenleving (3): veel van de sociale problemen hebben te maken met
het foutlopen van de communicatie tussen mensen. Macht vervormt de
communicatie. Hij deelt de sociale realiteit in verschillende sferen: de economie, de
juridische wereld en de ‘leefwereld’.
, Forst:
- noumenale macht (3): Forst zegt dat macht zich ook in de hoofden afspeelt. Dat
noemt hij noumenaal. We moeten aandacht hebben voor de, wat hij noemt,
“discursieve onderbouwing”. Het gaat om ‘verantwoording van macht’, om
rechtvaardiging.
CW Mills:
- elitetheorie (3): een kleine elite heeft alle macht. Op basis van familiedynastiën en
het ‘grootkapitaal’.
Dahl:
- elitetheorie (3): In hun visie bestaan er in een democratische samenleving meerdere
elites: elites binnen vakbonden, rechterlijke elites, politieke elites, enzovoort. Volgens
hun opvatting kan de brede mening van de burgerij niet volledig door het volk
vertegenwoordigd worden.
Huyse:
- elitetheorie (3): met zijderveld: Deze elites leken niet zozeer afkomstig te zijn van
specifieke families, maar eerder uit specifieke ideologische contexten te komen.
Easton:
- elitetheorie (3): In een systeemtheoretisch perspectief op politiek fungeren elites als
poortwachters voor de behoeften en wensen van het volk. Ze moeten deze
verzuchtingen op een manier kanaliseren die het 'systeem' niet doet falen.
- probleem v/d elitetheorie (6): elitetheorie verklaart onvoldoende waarom sommige
systemen democratisch functioneren en andere autocratisch. Eastons systeemmodel
kan zowel op democratieën als autocratieën worden toegepast, waardoor het geen
onderscheidend criterium biedt. Het verklaart niet hoe macht geconcentreerd raakt of
hoe participatie wordt beperkt.
Lipset:
- breuklijnen (3): met Rokkan: Breuklijnen zijn meer dan slechts conflicten. Ze
vertegenwoordigen langdurige, geïnstitutionaliseerde vormen van conflict waarbij
grote delen van de bevolking betrokken zijn en waarvoor een politieke oplossing
gezocht wordt. Volgens Lipset en Rokkan zullen aan de uiteinden van deze
breuklijnen politieke partijen ontstaan. Deze partijen groeperen individuen die het
eens zijn over ten minste 1 standpunt op een van deze breuklijnen
- moderniseringstheorie (6): economische ontwikkeling leidt tot hogere scholing,
urbanisatie, een grotere middenklasse en meer politieke participatie. Deze sociale
veranderingen vergroten de kans op democratisering en stabiliteit van democratieën.
- democratische systemen (1): Democratische systemen zijn superieur in het
oplossen van sociale problemen
- creative destruction (1): Alleen een democratisch systeem dat bescherming biedt
aan privaat eigendom helpt de belangrijkste drijver van economische groei aan de
gang. Die drijver is ‘creative destruction’ of innovatie. Landen die niet meer in staat
zijn om te innoveren zijn gedoemd.
- hervormen v autocratiën (6): met Robinson: Autocratieën hervormen alleen onder
druk, en enkel wanneer elites denken dat beperkte democratische concessies beter
zijn dan omvergeworpen worden.
- Sociale media & AI (9): met Johnson: Sociale media en AI kunnen democratie
uithollen (manipulatie, overheidscensuur, beïnvloeding van verkiezingen), maar ook
versterken wanneer ze worden ingezet voor transparantie, burgerparticipatie en
tegenmacht. Het zijn geen neutrale technologieën: hun democratische impact hangt
af van de keuzes die samenlevingen maken.
- democratisch deficit (9): Volgens hen ligt het probleem niet in “te weinig
democratie”, maar in systeemfalen: de politieke capaciteit van staten groeit niet mee
met de complexiteit van sociale problemen. Democratie werkt nog steeds beter dan
autocratie, maar er is een tekort aan tegenmacht, institutionele balans en effectieve
beleidsuitvoering.
Lasswell:
- politiek (2): Wie krijgt wat, wanneer & hoe
Weber:
- macht (3): Macht is het vermogen om anderen hun wil op te leggen, zelfs tegen hun
wil (en eventueel tegen hun belangen) in.
Dewachter:
- macht (3): de uitoefening van de mogelijkheid op basis van machtsbases leidt tot
een effect op gedrag
Habermas:
- machtsvrije samenleving (3): veel van de sociale problemen hebben te maken met
het foutlopen van de communicatie tussen mensen. Macht vervormt de
communicatie. Hij deelt de sociale realiteit in verschillende sferen: de economie, de
juridische wereld en de ‘leefwereld’.
, Forst:
- noumenale macht (3): Forst zegt dat macht zich ook in de hoofden afspeelt. Dat
noemt hij noumenaal. We moeten aandacht hebben voor de, wat hij noemt,
“discursieve onderbouwing”. Het gaat om ‘verantwoording van macht’, om
rechtvaardiging.
CW Mills:
- elitetheorie (3): een kleine elite heeft alle macht. Op basis van familiedynastiën en
het ‘grootkapitaal’.
Dahl:
- elitetheorie (3): In hun visie bestaan er in een democratische samenleving meerdere
elites: elites binnen vakbonden, rechterlijke elites, politieke elites, enzovoort. Volgens
hun opvatting kan de brede mening van de burgerij niet volledig door het volk
vertegenwoordigd worden.
Huyse:
- elitetheorie (3): met zijderveld: Deze elites leken niet zozeer afkomstig te zijn van
specifieke families, maar eerder uit specifieke ideologische contexten te komen.
Easton:
- elitetheorie (3): In een systeemtheoretisch perspectief op politiek fungeren elites als
poortwachters voor de behoeften en wensen van het volk. Ze moeten deze
verzuchtingen op een manier kanaliseren die het 'systeem' niet doet falen.
- probleem v/d elitetheorie (6): elitetheorie verklaart onvoldoende waarom sommige
systemen democratisch functioneren en andere autocratisch. Eastons systeemmodel
kan zowel op democratieën als autocratieën worden toegepast, waardoor het geen
onderscheidend criterium biedt. Het verklaart niet hoe macht geconcentreerd raakt of
hoe participatie wordt beperkt.
Lipset:
- breuklijnen (3): met Rokkan: Breuklijnen zijn meer dan slechts conflicten. Ze
vertegenwoordigen langdurige, geïnstitutionaliseerde vormen van conflict waarbij
grote delen van de bevolking betrokken zijn en waarvoor een politieke oplossing
gezocht wordt. Volgens Lipset en Rokkan zullen aan de uiteinden van deze
breuklijnen politieke partijen ontstaan. Deze partijen groeperen individuen die het
eens zijn over ten minste 1 standpunt op een van deze breuklijnen
- moderniseringstheorie (6): economische ontwikkeling leidt tot hogere scholing,
urbanisatie, een grotere middenklasse en meer politieke participatie. Deze sociale
veranderingen vergroten de kans op democratisering en stabiliteit van democratieën.