• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 77 pages
Resume

Samenvatting Economisch Recht '25 - '26 (lesnotities + syllabus docent + soorten EX-vragen)

Document preview thumbnail
Aperçu 4 sur 77 pages

Geslaagd in eerste zit!! Deze samenvatting dekt alle leerstof en geziene leerstof in de lessen (lesnotities + syllabus docent + soorten EX-vragen) De lessen werden gedoceerd door W. De Bruyn De syllabus werd opgesteld door de docent (Wim De Bruyn) zelf en werd hierin verwerkt.

Aperçu du contenu

Sem 1


ECONOMISCH RECHT

DEEL 1 – FUNDAMENTEN
ECONOMISCH RECHT

1. HOOFDSTUK 1 – BRONNEN VAN HET ECONOMISCH RECHT
A. Hiërarchie der rechtsnormen
moet inzicht hebben in oorsprong van de regels om economisch recht te begrijpen:
de rechtsbronnen
 in BE rechtssysteem zijn deze bronnen ≠ gelijkwaardig aan elkaar; er heerst een
strikte rangorde, ook wel hiërarchie der normen genoemd
betekent dat een lagere rechtsregel NOOIT in strijd mag zijn met hogere rechtsregel


de piramide van rechtsbronnen specifiek toegepast op economisch recht:
1) Internationaal en Europees recht
2) Grondwet
3) Wetboek van Economisch Recht
4) Regionale wetgeving – decreten en ordonnanties
5) Aanvullende bronnen – rechtspraak, rechtsleer en gewoonte

, i. Internationaal en Europees recht
aan top van de hiërarchie = internationale verdragen en recht van de EU
 voor economisch recht is invloed van Europa niet te onderschatten:
groot deel van onze nationale economische wetgeving = omzetting van Europese
besluitvorming
binnen Europees recht w cruciaal onderscheid gemaakt tss verordeningen en
richtlijnen
- Europese Verordening:
 directe werking
= regel is rechtstreeks van toepassing op Belgische ondernemer dat
Belgische wetgever nog moet tussenkomen
vb. GDPR-wetgeving (AVG) inzake gegevensbescherming
- Europese Richtlijnen:
= leggen bep. doel vast dat lidstaten moeten bereiken, maar laten nationale
wetgever vrij in keuze van vorm en middelen om doel in nationale wetgeving
om te zetten
 veel regels rond consumentenbescherming en marktpraktijken vinden
hun oorsprong in dergelijke richtlijnen


ii. De Grondwet
onder internationale niveau bevindt Belgische Grondwet zich
- regelt staatsstructuren en fundamentele rechten
- bevat absolute basis van economisch bestel:
vrijheid van ondernemen


vroeger: ‘vrijheid van handel en nijverheid’ (Decreet d’Allarde van 1791)
sinds recente grondwetsherziening is het expliciet opgenomen als vrijheid van
ondernemen
 dit grondrecht houdt in: dat iedere burger recht heeft om economische activiteit
naar keuze op te starten en uit te oefenen
elke beperking op deze vrijheid, vb. vestigingswetten of vergunningsplichten, moet
wettelijk geregeld zijn en proportioneel zijn t.o.v. algemeen belang
Gw. fungeert als toetssteen voor alle andere economische wetgeving; wet die de
economische vrijheid onredelijk inperkt, kan vernietigd worden door GwH




2

, iii. Het Wetboek van Economisch Recht (WER)


meest tastbare bron voor dagelijkse praktijk = federale wet
in verleden was economisch recht versnipperd over tientallen losse wetten, zoals Wet
op de Handelspraktijken of wetgeving rond intellectuele eigendom
sinds 2013: heeft wetgever een enorme codificatie-oefening doorgevoerd, resulterend in
WER
 opgedeeld uit verschillende ‘Boeken’, die elk specifiek thema behandelen:
- algemene definities (Boek I)
tot
- marktpraktijken en consumentenbescherming (Boek VI)
en
- insolventierecht (Boek XX)
WER = federale aangelegenheid = deze regels zijn in heel BE identiek


naast wetten zelf, w uitvoering ervan vaak gedelegeerd aan Koning of ministers
=> resulteert in Koninklijke Besluiten (KB) en Ministeriële Besluiten (MB)
deze besluiten regelen praktische details die te veranderlijk zijn om in wet te gieten,
zoals specifieke procedures voor het aanvragen v/e erkenning of technische details van
prijsaanduidingen


iv. Regionale wetgeving: decreten en ordonnanties


door verschillende staatshervormingen is BE = federale staat geworden waarbij heel
wat bevoegdheden zijn verschoven nr Gewesten en Gemeenschappen
hoewel economisch recht, vennootschapsrecht en consumentenrecht grotendeels
federaal zijn gebleven, hebben gewesten belangrijke bevoegdheden gekregen die de
economie rechtstreeks raken
 gebeurt via decreten (in Vlaanderen en Wallonië) & ordonnanties (in Brussel)


deze regelgeving staat hiërarchisch = federale wetten:
hebben zelfde rechtskracht, maar gelden enkel binnen grondgebied van gewest
belangrijk voorbeeld: vestigingswetten en vergunningsbeleid
regels omtrent toegang tot het beroep (bedrijfsbeheer) zijn in Vlaanderen afgeschaft per
decreet, terwijl in Brussel en Wallonië nog wel (deels) bestaan



3

, v. De aanvullende bronnen: rechtspraak, rechtsleer en gewoonte
ongeschreven bronnen
vallen we op terug, wnr geschreven wetgeving geen uitsluitsel biedt
 gewoonte speelt in economisch rechten specifiek in handelsverkeer tss
ondernemingen (B2B), grotere rol dan in andere rechtstakken
Handelsgebruiken kunnen bindend zijn wanneer ze:
- langdurig zijn,
- algemeen
- en met overtuiging dat ze verplicht zijn
rechter kan handelsgebruik inroepen om contractuele leemte op te vullen


rechtspraak (jurisprudentie)
= geheel van uitspraken van rechtbanken en hoven
i.t.t. Angelsaksische landen, heeft vonnis of arrest in BE geen precedentwerking,
maar in praktijk hebben uitspraken van hogere hoven zoals HvC of HvJ v/d EU een
enorm feitelijk gezag
lagere rechters zullen interpretaties vaak volgen om rechtszekerheid te bieden


rechtsleer (doctrine)
= omvat juridische literatuur geschreven door professoren, advocaten en magistraten in
tijdschriften en handboeken
hoewel rechtsleer op zichzelf geen bindende kracht heeft, is het een essentiële
inspiratiebron voor rechter bij het interpreteren van onduidelijke wetteksten
 rechtsleer systematiseert de chaos van wetten en vonnissen en beïnvloedt vaak
toekomstige wetgeving



2. HOOFDSTUK 2 – DE ONDERNEMINGSRECHTBANK
A. locatie en territoriale bevoegdheid
i. De geografische spreiding: rechtbanken en afdelingen
in BE: in totaal 9 ondernemingsrechtbanken, elk met eigen gerechtelijk arrondissement
 zijn strategisch verspreid over het land;
vaak met hoofdzetel in provinciehoofdstad en verschillende afdelingen die de
territoriale bevoegdheid binnen arrondissementen waarborgen
structuur van ondernemingsrechtbanken volgt indeling van gerechtelijk
arrondissementen en ontworpen om rechtspraak te centraliseren en te stroomlijnen


4

Table des matières

  1. 01 1. Hoofdstuk 1 – bronnen van het economisch recht 1
    1. A. Hiërarchie der rechtsnormen 1
    2. aan top van de hiërarchie = internationale verdragen en recht van de EU 2
    3.  voor economisch recht is invloed van Europa niet te onderschatten: 2
    4. groot deel van onze nationale economische wetgeving = omzetting van Europese besluitvorming 2
    5. binnen Europees recht w cruciaal onderscheid gemaakt tss verordeningen en richtlijnen 2
    6. Europese Verordening: 2
    7.  directe werking 2
    8. = regel is rechtstreeks van toepassing op Belgische ondernemer dat Belgische wetgever nog moet tussenkomen 2
    9. vb. GDPR-wetgeving (AVG) inzake gegevensbescherming 2
    10. Europese Richtlijnen: 2
    11. = leggen bep. doel vast dat lidstaten moeten bereiken, maar laten nationale wetgever vrij in keuze van vorm en middelen om doel in nationale wetgeving om te zetten 2
    12.  veel regels rond consumentenbescherming en marktpraktijken vinden hun oorsprong in dergelijke richtlijnen 2
    13. onder internationale niveau bevindt Belgische Grondwet zich 2
    14. regelt staatsstructuren en fundamentele rechten 2
    15. bevat absolute basis van economisch bestel: 2
    16. vrijheid van ondernemen 2
    17. vroeger: ‘vrijheid van handel en nijverheid’ (Decreet d’Allarde van 1791) 2
    18. sinds recente grondwetsherziening is het expliciet opgenomen als vrijheid van ondernemen 2
    19.  dit grondrecht houdt in: dat iedere burger recht heeft om economische activiteit naar keuze op te starten en uit te oefenen 2
    20. elke beperking op deze vrijheid, vb. vestigingswetten of vergunningsplichten, moet wettelijk geregeld zijn en proportioneel zijn t.o.v. algemeen belang 2
    21. Gw. fungeert als toetssteen voor alle andere economische wetgeving; wet die de economische vrijheid onredelijk inperkt, kan vernietigd worden door GwH 2
    22. meest tastbare bron voor dagelijkse praktijk = federale wet 3
    23. in verleden was economisch recht versnipperd over tientallen losse wetten, zoals Wet op de Handelspraktijken of wetgeving rond intellectuele eigendom 3
    24. sinds 2013: heeft wetgever een enorme codificatie-oefening doorgevoerd, resulterend in WER 3
    25.  opgedeeld uit verschillende ‘Boeken’, die elk specifiek thema behandelen: 3
    26. algemene definities (Boek I) 3
    27. tot 3
    28. marktpraktijken en consumentenbescherming (Boek VI) 3
    29. en 3
    30. insolventierecht (Boek XX) 3
    31. WER = federale aangelegenheid = deze regels zijn in heel BE identiek 3
    32. naast wetten zelf, w uitvoering ervan vaak gedelegeerd aan Koning of ministers 3
    33. => resulteert in Koninklijke Besluiten (KB) en Ministeriële Besluiten (MB) 3
    34. deze besluiten regelen praktische details die te veranderlijk zijn om in wet te gieten, zoals specifieke procedures voor het aanvragen v/e erkenning of technische details van prijsaanduidingen 3
    35. door verschillende staatshervormingen is BE = federale staat geworden waarbij heel wat bevoegdheden zijn verschoven nr Gewesten en Gemeenschappen 3
    36. hoewel economisch recht, vennootschapsrecht en consumentenrecht grotendeels federaal zijn gebleven, hebben gewesten belangrijke bevoegdheden gekregen die de economie rechtstreeks raken 3
    37.  gebeurt via decreten (in Vlaanderen en Wallonië) & ordonnanties (in Brussel) 3
    38. deze regelgeving staat hiërarchisch = federale wetten: 3
    39. hebben zelfde rechtskracht, maar gelden enkel binnen grondgebied van gewest 3
    40. belangrijk voorbeeld: vestigingswetten en vergunningsbeleid 3
    41. regels omtrent toegang tot het beroep (bedrijfsbeheer) zijn in Vlaanderen afgeschaft per decreet, terwijl in Brussel en Wallonië nog wel (deels) bestaan 3
    42. ongeschreven bronnen 4
    43. vallen we op terug, wnr geschreven wetgeving geen uitsluitsel biedt 4
    44.  gewoonte speelt in economisch rechten specifiek in handelsverkeer tss ondernemingen (B2B), grotere rol dan in andere rechtstakken 4
    45. Handelsgebruiken kunnen bindend zijn wanneer ze: 4
    46. langdurig zijn, 4
    47. algemeen 4
    48. en met overtuiging dat ze verplicht zijn 4
    49. rechter kan handelsgebruik inroepen om contractuele leemte op te vullen 4
    50. rechtspraak (jurisprudentie) 4
    51. = geheel van uitspraken van rechtbanken en hoven 4
    52. i.t.t. Angelsaksische landen, heeft vonnis of arrest in BE geen precedentwerking, 4
    53. maar in praktijk hebben uitspraken van hogere hoven zoals HvC of HvJ v/d EU een enorm feitelijk gezag 4
    54. lagere rechters zullen interpretaties vaak volgen om rechtszekerheid te bieden 4
    55. rechtsleer (doctrine) 4
    56. = omvat juridische literatuur geschreven door professoren, advocaten en magistraten in tijdschriften en handboeken 4
    57. hoewel rechtsleer op zichzelf geen bindende kracht heeft, is het een essentiële inspiratiebron voor rechter bij het interpreteren van onduidelijke wetteksten 4
    58.  rechtsleer systematiseert de chaos van wetten en vonnissen en beïnvloedt vaak toekomstige wetgeving 4
  2. 02 2. hoofdstuk 2 – de ondernemingsrechtbank 4
    1. A. locatie en territoriale bevoegdheid 4
    2. in BE: in totaal 9 ondernemingsrechtbanken, elk met eigen gerechtelijk arrondissement 4
    3.  zijn strategisch verspreid over het land; 4
    4. vaak met hoofdzetel in provinciehoofdstad en verschillende afdelingen die de territoriale bevoegdheid binnen arrondissementen waarborgen 4
    5. structuur van ondernemingsrechtbanken volgt indeling van gerechtelijk arrondissementen en ontworpen om rechtspraak te centraliseren en te stroomlijnen 4
    6. volgende tabel = overzicht van de 9 ondernemingsrechtbanken en hun afdelingen: 5
    7. Hoofdrechtbank 5
    8. Gerechtelijk Arrondissement 5
    9. Afdelingen 5
    10. Antwerpen 5
    11. Antwerpen 5
    12. Antwerpen, Mechelen, Turnhout 5
    13. Antwerpen 5
    14. Limburg 5
    15. Hasselt, Tongeren 5
    16. Brussel 5
    17. Brussel 5
    18. (Nederlandstalig en Franstalig) 5
    19. Gent 5
    20. Oost-Vlaanderen 5
    21. Gent, Dendermonde, Oudenaarde 5
    22. Gent 5
    23. West-Vlaanderen 5
    24. Brugge, Ieper, Kortrijk, Oostende, Veurne 5
    25. Eupen 5
    26. Eupen 5
    27. Eupen 5
    28. Luik 5
    29. Luik 5
    30. Luik, Hoei, Verviers 5
    31. Luik 5
    32. Namen 5
    33. Namen, Dinant 5
    34. Luik 5
    35. Luxemburg 5
    36. Aarlen, Marche-en-Famenne, Neufchâteau 5
    37. Henegouwen 5
    38. Henegouwen 5
    39. Bergen, Charleroi, Doornik 5
    40. Waals-Brabant 5
    41. Waals-Brabant 5
    42. Nijvel 5
    43. B. Samenstelling en organisatie van de rechtbank 6
    44. unieke samenstelling van ondernemingsrechtbank = reflectie van gespecialiseerde karakter 6
    45. rechtbank = team van magistraten, lekenrechters en griffiers, die elk cruciale rol spelen in waarborgen van efficiënte en deskundige rechtspraak 6
    46. C. Materiële bevoegdheid van ondernemingsrechtbank 7
    47. bevoegdheden van ondernemingsrechtbank zijn gestructureerd in verschillende categorieën, wat gedetailleerd en genuanceerd begrip van haar rol vereist 7
    48. Bevoegdheid 8
    49. Juridische Grondslag 8
    50. Voorbeelden 8
    51. Algemene Bevoegdheid 8
    52. Art. 573 Ger. W., Art. I.1 WER 8
    53. Geschillen tussen ondernemingen; 8
    54. Vordering van particulier tegen een onderneming 8
    55. Bijzondere Bevoegdheid 8
    56. Art. 574 Ger. W. 8
    57. Geschillen inzake vennootschappen, verenigingen of stichtingen; 8
    58. Intellectuele eigendomsrechten; 8
    59. Marktpraktijken 8
    60. Uitsluitende Bevoegdheid 8
    61. Diverse wetsartikelen inzake insolventie 8
    62. Faillisementsprocedures; 8
    63. Gerechtelijke reorganisatie 8
    64. Bevoegdheid voorzitter 8
    65. Diverse wetsartikelen 8
    66. Vordering tot staking (verbod op marktpraktijken); 8
    67. Toezicht op financiële sector 8
    68. D. De procesgang in hoofdlijnen 9
  3. 03 3. hoofdstuk 3 – basisvereisten voor ondernemers 10
    1. A. Inleiding 10
    2. B. basisvereisten bij het starten van een onderneming 10
    3. niet enkel praktische noodzaak, maar vloeit voort uit verplichting om transparant te zijn over financiële transacties 10
    4.  relatie met de bank w sterk beïnvloed door de Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van witwassen van geld en financiering van terrorisme 10
    5. o.b.v. deze wet zijn banken verplicht strenge identificatie- en waakzaamheidsplicht uit te voeren = ‘Know Your Customer’-procedure 10
    6. art. VI.2 WER verbiedt ondernemingen om cashbetalingen van +/- 3000 euro of meer te ontvangen ; benadrukt het belang van traceerbare bankrekening 10
    7. inschrijving in KBO = directe uitvoering van Boek III WER 10
    8. specifiek bepaalt art. III.15 WER dat elke onderneming zich moet inschrijven in KBO alvorens haar activiteiten aan te vatten 10
    9.  wetgever wil hiermee garanderen dat elke economische entiteit uniek identificeerbaar is 10
    10. niet naleven van deze verplichting zomaar administratieve vergetelheid: 10
    11. is inbreuk op economisch recht; kan leiden tot strafrechtelijke sancties en nietigheid van rechtsvordering 10
    12. vb.: als niet-ingeschreven ondernemer klant voor rechter daagt wegens wanbetaling, kan rechter vordering onontvankelijk verklaren louter o.b.v. ontbreken van correcte KBO-inschrijving 10
    13.  wet vereist dat ondernemingsnummer w vermeld op alle akten, facturen, aankondigingen en andere stukken die uitgaan v/d onderneming, artikel III.23 WER 10
    14. verplichting om btw-nummer aan te vragen, staat in Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (W.BTW) 11
    15. centrale artikel: art. 4 W.BTW 11
    16.  definieert wie als belastingplichtige beschouwd wordt; 11
    17. “eenieder die in uitoefening van economische activiteit geregeld en zelfstandig handelingen verricht” 11
    18. voldoen aan deze definitie? art. 50 W.BTW treedt in werking, stelt dat belastingplichtige zich moet laten identificeren bij btw-administratie alvorens enige belastbare handeling te stellen 11
    19. voor kleine ondernemingsregeling (vrijstelling van btw) beroept men zich op artikel 56bis W.BTW, dat voorwaarden en omzetgrenzen (nu: 25 000 euro) vastlegt waaronder men van deze vereenvoudigde regeling kan genieten 11
    20. aansluiting bij sociaal verzekeringsfonds = dwingende verplichting 11
    21.  vloeit voort uit KB nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van sociaal statuur der zelfstandigen 11
    22. Art. 1 van dit besluit definieert de zelfstandige als ieder NP die beroepsbezigheid uitoefent zonder door arbeidsovereenkomst of statuut verbonden te zijn 11
    23.  vormt de hoeksteen van het sociaal statuut 11
    24. KB nr. 38 bepaalt in daaropvolgende artikelen dat: 11
    25. niet-naleven van deze wetgeving kan leiden tot administratieve boetes en verhogingen van de bijdragen, zoals in art. 44 van zelfde besluit 11
    26. juridisch landschap is versnipperd door staatshervormingen 11
    27. algemene verplichting om over nodige beroepsbekwaamheid te beschikken (voor zover nog van toepassing in Brussel en Wallonië) en regels rond vestiging van bedrijven waren oorspronkelijk federaal, maar vallen nu onder regionale decreten 11
    28. in Vlaanderen: geen beroepsbekwaamheid meer vereist, noch kennis bedrijfsbeheer alvorens iemand onderneming kan starten 11
    29. bestaan regionale verschillen 12
    30. voor voedselveiligheid is wetgeving federaal en Europees geharmoniseerd 12
  4. 04 4. hoofdstuk 4 – bewijsrecht in ondernemingszaken 12
    1. A. inleiding: het nieuwe bewijsrecht 12
    2. B. het principe van het vrij bewijs 12
    3. C. de bijzondere bewijsmiddelen uit het ondernemingsrecht: boekhouding en factuur 13
    4. één van meest specifieke aspecten van ondernemingsbewijsrecht 13
    5. = rol van boekhouding 13
    6. boekhouding is in essentie = eenzijdige verklaring van ondernemer zelf 13
    7.  volgens algemene regels van bewijsrecht kan niemand zich een titel verschaffen ten behoeve van zichzelf 13
    8. in ondernemingszaken w op dit principe een uitzondering gemaakt vanwege strikte wettelijke regels waaraan boekhouding moet voldoen 13
    9.  moeten hierbij onderscheid maken tss: 13
    10. boekhouding als bewijs tegen onderneming 13
    11. en 13
    12. boekhouding als bewijs in voordeel van onderneming 13
    13. boekhouder levert bewijs op tegen ondernemer die ze houdt 13
    14.  vastgesteld in art. 8.11, §2 BW ; w beschouwd als buitengerechtelijke bekentenis 13
    15. als ondernemer een schuld inschrijft in zijn passiva, kan hij later moeilijk ontkennen dat deze schuld bestaat ; 13
    16. tegenpartij mag boekhouding echter niet splitsen -> mag niet enkel voordelige posten eruit lichten en nadelige negeren die in dezelfde boeking vervat zitten 13
    17. situatie waarin onderneming haar eigen boekhouding wil gebruiken als bewijs in haar eigen voordeel tegen andere onderneming = complexer 14
    18. art. 8.11, §3 BW laat dit toe, onder strikte voorwaarden!! 14
    19. 1) boekhoudingen moeten van beide partijen met elkaar overeenstemmen 14
    20. als onderneming A in haar boeken staan heeft dat zij goederen heeft geleverd aan onderneming B en in boeken van B staat die aankoop ook geregistreerd, dan vormt dit sluitend bewijs 14
    21. 2) boekhouding moet ‘regelmatig’ zijn 14
    22. = moet gevoerd zijn in overeenstemming met de regels van WER 14
    23. boekhouding die gaten vertoont of niet chronologisch is bijgehouden, verliest haar bewijskracht 14
    24. rechter oordeelt soeverein over bewijswaarde 14
    25. indien onderneming A (vordering) niet overeenstemt met die van onderneming B (geen schuld), dan neutraliseren de boekhoudingen elkaar en moet de rechter terugvallen op andere bewijsmiddelen 14
    26. LET OP: 14
    27. boekhouding kan nooit als bewijs in eigen voordeel dienen tegen een niet-onderneming (consument), maar kan daar hoogstens dienen als feitelijk vermoeden 14
    28. in dagelijkse handelspraktijk is de factuur meest cruciale bewijsstuk 14
    29. D. samenloop van bewijsmiddelen 16
  5. 05 5. hoofdstuk 1 – commerciële tussenpersonen 16
    1. A. inleiding 16
    2. B. de handelsagentuurovereenkomst 16
    3. C. de concessieovereenkomst 17
    4. wezenlijke andere figuur = concessiehouder of exclusieve distributeur 17
    5. i.t.t. agent: 17
    6. koopt concessiehouder producten aan van leverancier om vervolgens in eigen naam en voor eigen rekening door te verkopen 17
    7. concessiehouder draagt dus ZELF economische risico van onverkochte voorraad en wanbetalende klanten 18
    8.  wettelijke regeling: 18
    9. oorspronkelijk: wet van 27 juli 1961, 18
    10. nu: opgenomen in Boek X, titel 3 van WER 18
    11. wetgeving is specifiek van toepassing op concessies van verkoop die: 18
    12. exclusief zijn, 18
    13. quasi exclusief zijn 18
    14. of 18
    15. waarbij concessiehouder dusdanig zware verplichtingen krijgt opgelegd dat hij in positie van economische afhankelijkheid verkeert 18
    16.  beschermingsmechanisme focust bijna uitsluitend op beëindiging van overeenkomst 18
    17. volgens art. X.36 kan concessie van onbepaalde tijd, bij gebrek aan zware tekortkoming enkel w beëindigd met redelijke opzegtermijn of billijke vergoeding 18
    18. wat ‘redelijk’ is, w niet in wet in cijfers vastgesteld maar door rechtspraak bepaald o.b.v. criteria zoals: 18
    19. duur van samenwerking, 18
    20. bekendheid van merk 18
    21. en 18
    22. omvang van de investeringen 18
    23. indien concessiegever overeenkomst beëindigt zonder redelijke opzegging, is hij vervangende opzegvergoeding verschuldigd 18
    24.  concessiehouder kan o.b.v. art. X.38 aanspraak maken op bijkomende billijke vergoeding ; deze vergoeding dekt 3 elementen: 18
    25. 1) de aanzienlijke meerwaarde die is aangebracht qua klandizie en die bij de concessiegever blijft (cliënteelvergoeding) 18
    26. 2) kosten die de concessiehouder heeft gemaakt voor exploitatie en nog niet zijn afgeschreven 18
    27. 3) rouwkoop die de concessiehouder moet betalen aan zijn eigen personeel dat hij moet ontslaan door de beëindiging 18
    28.  deze wetgeving is van dwingend recht; contractuele clausules die de opzegtermijn vooraf beperken of recht op vergoeding uitsluiten, zijn nietig 18
    29. specifieke variant binnen concessieovereenkomsten = aankoopconcessie 19
    30. verkoopconcessie: 19
    31. draait om recht om te mogen verkopen in een gebied 19
    32. aankoopconcessie: 19
    33. plicht goederen af te nemen bij één specifieke leverancier 19
    34. meest prominente voorbeeld in BE is: brouwerijcontract 19
    35. vb. verbindt de uitbater van horecazaak, caféhouder, zich ertoe om zijn dranken exclusief bij bepaalde brouwerij of drankenhandelaar aan te kopen 19
    36.  vaak gekoppeld aan huurovereenkomst of bruikleenovereenkomst voor tapinstallaties en meubilair 19
    37. juridisch = complex: omdat verschillende takken van recht samenkomen 19
    38. mededingingsrecht is relevant 19
    39. omdat aankoopverplichting vrije markt kan verstoren, zijn dergelijke exclusiviteitsbedingen aan strenge Europese en nationale regels onderworpen 19
    40.  exclusieve afnameverplichting mag in regel niet langer duren dan 5 jaar, tenzij leverancier ook eigenaar is v/h pand (of zakelijk recht heeft), in welk geval duur gekoppeld kan zijn aan huurtermijn 19
    41. contractuele bescherming bij beëindiging 19
    42. = rechtspraak verdeeld over vraag of beschermende regels van Boek X, titel 3 WER (wet op de verkoopconcessies) ook gelden voor aankoopconcessies 19
    43.  heersende leer stelt dat dit enkel geval is indien: 19
    44. caféhouder dermate geïntegreerd is in verkoopnetwerk v/d brouwerij dat hij feitelijk in gelijkaardige positie verkeert als exclusieve distributeur 19
    45. niet het geval? dan valt brouwerijcontract onder algemene verbintenissenrecht 19
    46. is wel specifieke regelgeving die stelt dat caféhouder, ondanks exclusiviteit, recht moet behouden ‘vreemde’ dranken te verkopen indien brouwerij deze niet kan leveren of gaat om streekbieren, al is contractuele realiteit vaak strikter 19
    47. D. Frachising 19
    48. gebruik van commerciële naam en merken, 20
    49. overdracht van substantiële knowhow 20
    50. en 20
    51. continue commerciële en technische bijstand 20
    52. E. de makelaar 20
  6. 06 6. hoofdstuk 2 – de handelszaak 21
    1. A. inleiding: het begrip handelszaak 21
    2. B. De diverse bestanddelen van de handelszaak 22
    3. fysieke locatie waar handel w gedreven, vormt vaak ruggengraat van onderneming 22
    4. juridisch gezien strikt onderscheid maken tss: 22
    5. situatie waarin uitbater eigenaar is van het pand 22
    6. en 22
    7. situatie waarin hij huurder is 22
    8. wnr uitbater eigenaar is van onroerend goed, maakt pand in principe geen deel uit van handelszaak in enge zin MAAR kan wel gelijktijdig verkocht w 22
    9. bij verkoop van onroerend goed gelden strikte formaliteiten: 22
    10. eigendomsoverdracht moet tegenstelbaar gemaakt w aan derden door overschrijving op kantoor rechtszekerheid, vroegere hypotheekkantoor 22
    11.  deze openbaarmaking 22
    12. = essentieel om nieuwe eigenaar te beschermen tegen aanspraken van derden 22
    13. fiscaal gezien: is transactie onderworpen aan registratiebelasting 22
    14. in Vl Gewest bedraagt standaardtarief voor aankoop onroerende goederen anders dan enige eigen woning: 12 % 22
    15. => aanzienlijke kost waarmee overnemer in financieel plan rekening moet houden 22
    16. bij overgrote meerderheid is uitbater eigenaar, maar huurder van het pand 22
    17.  Wet inzake handelshuurovereenkomsten en specifieke regionale wetgeving 22
    18. wetgeving = dwingend recht en biedt zeer sterke bescherming aan huurder, omdat locatie vaak onlosmakelijk verbonden is met waarde van handelszaak 22
    19. wet van toepassing op kleinhandel en ambacht waarbij rechtstreeks contact met publiek 22
    20. naast onroerend kader, bestaat handelszaak uit geheel van roerende 23
    21. onderscheid tss: lichamelijke en onlichamelijke goederen 23
    22. C. vrijwaringsplicht 25
  7. 07 1. hoofdstuk 1 – faillissement 25
    1. A. begrip van het faillissement 25
    2. B. voorwaarden voor faillissement 26
    3. C. procedure voor de ondernemingsrechtbank 27
    4. D. organisatie van het faillissement 28
    5. E. verdachte periode 29
    6. F. Faillissementspauliana 29
    7. G. gevolgen van het faillissement 30
    8. H. actief en passief 31
    9. I. Afwikkeling 32
    10. J. Kwijtschelding 32
    11. een van belangrijkste innovaties in insolventierecht = focus op “tweede kans” 32
    12. voor NP (ondernemers) geldt principe van kwijtschelding van restschulden 32
    13. (art. XX.173 WER) 32
    14.  waar gefailleerde vroeger “verschoonbaar” verklaard moest w, 32
    15. is kwijtschelding nu de regel, tenzij belanghebbenden zich ertegen verzetten 32
    16. kwijtschelding houdt in dat SA na sluiting van faillissement bevrijd is van zijn schulden die in faillissement vielen, zodat met schone lei opnieuw kan beginnen 33
    17. !! uitzonderingen: 33
    18. onderhoudsgelden en schulden voortvloeiend uit misdrijven w niet kwijtgescholden 33
    19. SE of Openbaar Ministerie kunnen verzet aantekenen tegen kwijtschelding indien gefailleerde grove fouten heeft gemaakt die hebben bijgedragen aan faillissement 33
    20. belangrijk: bescherming van kosteloze borg 33
    21. indien hoofdschuldenaar kwijtschelding krijgt, kan borg hiervan onder bep. voorwaarden ook profiteren 33
    22. K. Faillissementsmisdrijven 33
    23. faillissement heeft ook strafrechtelijk luik 33
    24. Strafwetboek sanctioneert gedragingen die belangen van SE’s ernstig schaden 33
    25. bekendste misdrijf: bedrieglijk faillissement 33
    26. waarbij SA opzettelijk activa verduistert, 33
    27. passiva overdrijft of boeken vervalst om SE te benadelen 33
    28. daarnaast bestaat misdrijf van laattijdig faillissement, wat relevant kan zijn voor bestuurdersaansprakelijkheid (art. XX.225 WER) 33
    29. ook misbruik van vennootschapsgoederen w vaak in deze context vervolgd: gebruiken van activa van vennootschap voor privédoeleinden, wat vaak aanleiding is voor insolvabiliteit 33
    30.  strafrechtelijke veroordeling voor deze feiten kan niet alleen tot gevangenisstraffen of boetes leiden, maar vormt ook basis voor burgerrechtelijke veroordeling tot vergoeding van volledige passief van faillissement 33
  8. 08 2. hoofdstuk 2 – gerechtelijke reorganisatie 33
    1. A. Inleiding en historiek 33
    2. insolventierecht in BE heeft lange weg afgelegd van repressief systeem naar systeem dat gericht is op behoud van economische waarde 33
    3. historische evolutie toont: duidelijke mentaliteitswijziging bij wetgever: 33
    4. 1) Regentbesluit van 1946 33
    5. introduceerde procedure van gerechtelijk akkoord 34
    6. systeem was zwaar verouderd en werd in praktijk nauwelijks gebruikt omdat het te rigide was en te veel stigma droeg 34
    7. 2) in 1997 werd eerste poging tot modernisering ondernomen met Wet op het Gerechtelijk Akkoord (WGA) 34
    8. intenties waren goed, maar bleek dat wet in praktijk vaak ineffectief was; 34
    9. ondernemingen wachtten te lang om bescherming te vragen, waardoor “akkoord” vaak slechts voorkamer van faillissement werd 34
    10. 3) echte kentering met Wet betreffende de Continuïteit van de Ondernemingen (WCO) van 31 januari 2009 34
    11. wet introduceerde een fundamentele paradigmaverschuiving: 34
    12. DOEL was niet langer loutere bescherming van SE, maar redden van onderneming en werkgelegenheid 34
    13. wetgever verlaagde de toegangsdrempels aanzienlijk om ondernemers aan te moedigen vroeger in te grijpen 34
    14. 4) in 2017 werden deze regels, samen met faillissementsrecht, gecodificeerd in Boek XX van WER, getiteld “Insolventie van ondernemingen” 34
    15. 5) meest recente en ingrijpende wijziging is Wet van 7 juni 2023, die op 1 september 2023 in werking trad 34
    16. B. Grote lijnen van de procedure 34
    17. C. Procedure van gerechtelijke reorganisatie 36
  9. 09 1. hoofdstuk 1 – marktpraktijken 39
    1. A. Definitie van onderneming en consument 39
    2. toepassingsgebied van Boek VI WER w in eerste plaats afgebakend door hoedanigheid van betrokken partijen 40
    3. art. I.8, 39° definieert onderneming als “iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft” 40
    4.  definitie is bijzonder ruim en omvat niet alleen commerciële handelsvennootschappen, maar ook: 40
    5. vrije beroepen, overheden die goederen of diensten aanbieden en verenigingen zonder winstoogmerk die economische activiteiten ontplooien 40
    6. essentieel: duurzaamheid van de activiteit en economische karakter, wat betekent dat occasionele verkopen door particulieren buiten toepassingsgebied vallen 40
    7. tegenhanger van onderneming = consument, gedefinieerd in art. I.1, 2° als “iedere natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen”  betreft een strikt functionele definitie 40
    8. impliceert dat NP afwisselend als consument en als onderneming kan w beschouwd, afhankelijk van specifieke doel van rechtshandeling 40
    9. wnr gemengde overeenkomst w gesloten (waarbij goed voor zowel privé- als beroepsdoeleinden w gebruikt) = rechtspraak geneigd de consumentenbescherming enkel toe te passen indien beroepsmatige oogmerk zo beperkt is dat in totale context van overeenkomst overheerst 40
    10. RP kunnen zich per definitie nooit op consumentenbescherming beroepen, 40
    11. zelfs niet indien zij handelen buiten hun maatschappelijk doel, wat belangrijk onderscheid vormt met sommige andere rechtsstelsels 40
    12. B. Het begrip marktpraktijk en de bewijslast 40
    13. materiële toepassingsgebied w gevormd door begrip marktpraktijk 40
    14. art. I.8, 26° WER omschrijft dit als: 40
    15. elke handeling, omissie, gedraging, voorstelling of commerciële mededeling, incl. reclame en marketing, van onderneming die rechtstreeks verband houdt met verkoopbevordering, verkoop of levering van product aan consumenten 40
    16.  deze definitie bestrijkt volledige levenscyclus van commerciële relatie, 40
    17. van eerste reclameboodschap vóór contract t.e.m. de dienstverlening na verkoop en klachtenafhandeling 40
    18. bewijslast: Boek VI = belangrijke bepaling in voordeel van de consument 40
    19. bij geschillen omtrent naleving van informatieverplichtingen ligt bewijslast betreffende de verstrekking van informatie en juistheid ervan integraal bij onderneming 40
    20. C. Marktinformatie en prijsaanduiding 40
    21. D. Promoties en prijsverminderingen 41
    22. E. Consumentenovereenkomsten 44
    23. F. Oneerlijke marktpraktijken 46
    24. G. Handhaving en rechtsvorderingen 47
  10. 10 2. hoofdstuk 2 – belgisch en europees mededingingsrecht 48
    1. A. Belgisch mededingingsrecht 48
    2. mededingingsrecht vormt verkeersregels van vrije markteconomie 48
    3. waar contractenrecht de relatie tss individuele partijen regelt, waakt mededingingsrecht over structuur van markt zelf 48
    4. doel is tweeledig: 48
    5. in BE: relevante wetgeving is nagenoeg volledig geharmoniseerd met Europese recht, aangezien Belgische economie sterk verweven is met interne markt 48
    6. basisregels: terug te vinden in Boek IV WER ; rust op 3 pijlers: 48
    7. 1) verbod op mededingingsbeperkende afspraken (kartels) 48
    8. 2) verbod op misbruik van machtspositie 48
    9. en 48
    10. 3) preventieve controle op concentraties (fusies en overnames) 48
    11. B. Europees verbod van staatssteun 52
    12. mededinging kan soms nog ingrijpender worden verstoord door overheid wnr lidstaat besluit om specifieke onderneming of sector financieel te bevoordelen 52
  11. 11 3. hoofdstuk 3 – consumentenkrediet 53
    1. A. Inleiding en toepassingsgebied 53
    2. consumentenkrediet vormt een van meest gereguleerde onderdelen van eco recht 53
    3. wetgever vertrekt vanuit vaststelling dat consument, als economisch zwakkere partij, beschermd moet w tegen: 53
    4. overmatige schuldenlast en ondoordachte financiële beslissingen 54
    5. zie Boek VII WER ; toepassingsgebied van deze wetgeving w in art. VII.3 gedefinieerd 54
    6. regels zijn van toepassing op elke kredietovereenkomst, ongeacht benaming of vorm, waarbij kredietgever een krediet verleent of toezegt aan consument 54
    7. cruciaal hierbij: definities van art. VII.2 54
    8. consument = iedere NP die handelt voor doeleinden die buiten handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen 54
    9. lening aangegaan voor aankoop van privéwagen valt onder deze bescherming, terwijl dezelfde lening voor bestelwagen van eenmanszaak hierbuiten valt 54
    10. wet maakt onderscheid tss verschillende kredietvormen, waarvan lening op afbetaling en kredietopening bekendste zijn 54
    11. B. Reclame en precontractuele informatie 54
    12. bescherming consument begint ver voor ondertekening van contract, al in reclamefase 54
    13. art. VII.64 bepaalt dat elke reclame voor consumentenkrediet die melding maakt van rentevoet of cijfers over de kosten; standaardinformatie moet bevatten a.d.h.v. representatief voorbeeld 54
    14.  moet consument in staat stellen verschillende aanbiedingen objectief te vergelijken 54
    15. centrale begrip: jaarlijkse kostenpercentage (JKP) 54
    16. JKP drukt totale kosten van krediet uit als jaarlijks percentage van totale kredietbedrag 54
    17. omvat niet enkel debetrente, maar ook: 54
    18. dossierkosten, 54
    19. kosten voor verplichte verzekeringen en 54
    20. alle andere commissies 54
    21. art. VII.65 verbiedt misleidende reclame 54
    22.  streng verboden consument aan te sporen tot kredietneming door te suggereren dat lenen de financiële situatie verbetert of krediet geen kosten met zich meebrengt 54
    23. reclameboodschappen zoals “geld lenen kost ook geld” = verplicht 55
    24. wnr consument interesse toont, rust er op kredietgever een zware informatieplicht 55
    25. art. VII.70 moet kredietgever geruime tijd voor sluiten van overeenkomst het formulier ‘Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet’ (SECCI) overhandigen 55
    26.  gestandaardiseerde document bevat alle essentiële kenmerken van krediet, zoals: 55
    27. DOEL: transparantie; consument moet in één oogopslag de voorwaarden kunnen zien zonder kleine lettertjes van contract te moeten ontcijferen 55
    28. C. De onderzoeksplicht en de solvabiliteitstoets 55
    29. mss belangrijkste verplichting voor kredietgever = solvabiliteitstoets 55
    30. art. VII.77 verplicht kredietgever, vooraleer kredietovereenkomst w gesloten, de kredietwaardigheid van consument te beoordelen  beoordeling moet gebeuren o.b.v.: 55
    31. D. De totstandkoming en inhoud van de overeenkomst 55
    32. consumentenkredietcontract moet schriftelijk w opgesteld of op andere duurzame drager ; mondeling overeenkomst is nietig 55
    33. art. VII.78 bepaalt nauwgezet welke vermeldingen verplicht in contract moeten w opgenomen; 56
    34. E. Uitvoering en vervroegde terugbetaling 56
    35. tijdens looptijd van contract kan financiële situatie van consument wijzigen, waardoor hij krediet sneller wenst terug te betalen 56
    36. art. VII.96 garandeert recht van consument om zich op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk van zijn verplichtingen te kwijten 56
    37.  kredietgever mag dit niet weigeren 56
    38. MAAR heeft wel recht op billijke en objectief verantwoorde vergoeding voor kosten die rechtstreeks voortvloeien uit vervroegde terugbetaling 56
    39. wederbeleggingsvergoeding = wettelijk geplafonneerd 56
    40. indien periode tss vervroegde terugbetaling & overeengekomen einddatum van krediet: 56
    41. meer dan 1 jaar bedraagt, 56
    42. mag vergoeding max. 1% van vervroegd afgeloste kapitaal bedragen 56
    43. korter dan 1 jaar? dan bedraagt vergoeding max. 0,5% 56
    44. F. Wanbetaling en sancties 56
    45. niet elk krediet verloopt vlekkeloos 56
    46. wnr consument zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, treedt een specifiek regime in werking dat misbruik door kredietgever moet voorkomen 56
    47. art. VII.105 bepaalt dat kredietgever de overeenkomst enkel kan opzeggen of onmiddellijke betaling kan eisen indien: 57
    48. G. Kredietbemiddelaars 57
    49. veel kredieten w niet rechtstreeks bij bank afgesloten, maar via tussenpersoon, zoals autohandelaar of winkelketen die financiering aanbiedt 58
    50.  tussenpersoon = kredietbemiddelaars ; Boek VII legt ook strenge regels aan hen op 58
    51. art. VII.112 verbiedt kredietbemiddelaars om kosten rechtstreeks aan consument aan te rekenen voor hun bemiddeling; moeten vergoed w door kredietgever 58
    52. + op hen rust dezelfde informatieplicht als op kredietgever 58
    53. verkoper v/e auto die lening voorstelt, moet ook SECCI-formulier overhandigen en mag consument niet onder druk zetten een lening te tekenen als voorwaarde voor verkoop, 58
    54. tenzij het gaat om promotioneel aanbod dat voldoet aan wetgeving inzake koppelverkoop 58
    55. A. Wetgeving 58
    56. B. Toepassingsgebied 58
    57. wet is van toepassing op alle handelstransacties tss: 58
    58. ondernemingen (B2B) 58
    59. ondernemingen en overheidsinstanties (waarbij overheidsinstantie de SA is) 58
    60. handelstransactie = gedefinieerd als transactie tss voornoemde partijen die leidt tot leveren van goederen of verrichten van diensten tegen vergoeding (art. 3 WBH) 58
    61. belangrijke uitsluiting: transacties met particulieren (consumenten) vallen niet onder WBH 58
    62. C. Betalingstermijn 58
    63. indien partijen geen betalingstermijn zijn overeengekomen, geldt wettelijke betalingstermijn van 30 kalenderdagen (art. 4 §1 WBH) 59
    64. partijen mogen contractueel afwijken, maar geldt absolute max. betalingstermijn van 60 kalenderdagen (art. 4 §2 WBH) 59
    65.  langere termijn w voor niet geschreven gehouden 59
    66. termijn begint te lopen vanaf dag volgend op dag van ontvangst van factuur of gelijkwaardig verzoek tot betaling 59
    67. als factuur vóór goederen of diensten w ontvangen, begint termijn te lopen vanaf ontvangst van goederen of diensten 59
    68. periode voor verificatie of controle van geleverde goederen of diensten door SA = inbegrepen in betalingstermijn van 30 of max. 60 dagen ; tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen 59
    69. verificatieperiode mag in principe niet langer dan 30 kalenderdagen bedragen 59
    70. (art. 4 §3 WBH) 59
    71. D. Gevolgen van betalingsachterstand 59
    72. SE is van rechtswege (automatisch) en zonder ingebrekestelling gerechtigd op art. 5 en 6 WBH 59
    73. Verwijlintresten: 59
    74. interestvoet = referentie-interestvoet vermeerder met 8 procentpunten 59
    75.  referentievoet w elk semester vastgesteld en bekendgemaakt 59
    76. Forfaitaire schadeloosstelling: 59
    77. vast bedrag van €40 voor eigen invorderingskosten 59
    78. Redelijke schadeloosstelling: 59
    79. voor alle andere invorderingskosten die de SE maakt 59
    80.  omvat o.m. kosten van advocaat of incassobureau die €40 te boven gaat 59
    81. E. Gerechtelijke procedure 59
    82. indien SA weigert te betalen, moet SE in principe gewone gerechtelijke procedure bij bevoegde rechtbank (meestal ondernemingsrechtbank) starten om uitvoerbare titel (een vonnis) te verkrijgen 59
    83. daarbij w door Rechtbank van rechtsplegingsvergoeding (RPV) toegekend 59
    84. => de forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van advocaat van in gelijk gestelde partij (art. 1022 Ger. W.) 59
    85. bedrag staat los van invorderingskosten voorzien in WBH 59
    86. RPV w berekend o.b.v. gevorderde hoofdsom en w vastgelegd in KB, met basis-, minimum- en maximumbedrag 60
    87. F. Invordering van Onbetwiste Schuldvorderingen (IOS) 60
    88. voor onbetwiste schuldvorderingen in B2B-context die enkel betrekking hebben op geldsommen, is er vereenvoudigde administratieve procedure beschikbaar via gerechtsdeurwaarder; 60
    89. zogenaamde procedure tot Invordering van Onbetwiste Schuldvorderingen (IOS) 60
    90. verloopt als volgt: 60
    91. 1) SE geeft opdracht aan gerechtsdeurwaarder 60
    92. 2) gerechtsdeurwaarder stuurt aanmaning tot betaling naar SA, met antwoordtermijn van 1 maand 60
    93. 3) indien SA de schuld niet betwist binnen de termijn, stelt gerechtsdeurwaarder proces-verbaal van niet-betwisting op 60
    94. 4) rechter verleent de uitvoerbaarverklaring aan dit proces-verbaal ; heeft waarde van een vonnis 60
    95. procedure is aanzienlijk sneller en goedkoper dan volledige gerechtelijke procedure, maar vereist dat SA de schuld niet betwist 60
    96.  indien schuld betwist w, moet gerechtsdeurwaarder het dossier overmaken aan rechtbank voor gewone gerechtelijke procedure 60
  12. 12 4. inleiding 60
  13. 13 5. persoonlijke zekerheden 61
    1. A. Hoofdelijke medeschuldenaar 61
    2. B. overgedragen SA (delegatie)  NK 62
    3. C. Borgtocht 62
    4. D. Garantie 64
    5. bij garantieovereenkomst verbindt de derde (= de garant) zich jegens de SE in te staan voor nakoming v/d verbintenis door de SA 64
    6.  garant verbindt zich niet de primaire verbintenis v/d SA te volbrengen, maar enkel tot verplichting tot betaling v/e schadevergoeding indien de hoofdschuldenaar zijn verbintenis niet naleeft 64
    7. VERSCHIL met borgtocht: 64
    8. de niet bijkomstige en niet ondergeschikte aard v/d verbintenis v/d garant 64
    9. de excepties uit de hoofdovereenkomst kunnen NIET worden opgeworpen i/d garantieovereenkomst  wordt zoals bij de waardepapieren losgetrokken van de hoofdovereenkomst 64
    10.  komt de hoofdschuldenaar zijn verplichting niet na dan is de garant gehouden tot betaling v/e schadevergoeding 64
    11. garantieovereenkomst komt vooral voor in het internationale handelsverkeer onder de vorm van bankgarantie 64
    12. E. Patronaatsverklaring 64
    13. F. Delcredere  NK 65
    14. G. Insolventieverzekeraar 65
  14. 14 6. zakelijke zekerheden 65
    1. A. Inpandgeving 65
    2. B. Voorrechten 65

Infos sur le Document

Publié le
5 février 2026
Nombre de pages
77
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€6,46

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Seller avatar
Les scores de réputation sont basés sur le nombre de documents qu'un vendeur a vendus contre paiement ainsi que sur les avis qu'il a reçu pour ces documents. Il y a trois niveaux: Bronze, Argent et Or. Plus la réputation est bonne, plus vous pouvez faire confiance sur la qualité du travail des vendeurs.
raquelvdk
5,0
(3)
Vendu
30
Abonnés
0
Éléments
6
Dernière vente
4 jours de cela




Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions