1. inleiding
- marktvraag volgt uit individuele beslissingen van groot aantal consumenten
- de individuele vraagcurve bepaalt de marktvraag
- consument beslist over:
→ het aankopen van de optimale goederenbundel
→ de optimale inzet van schaarse middelen (beschikbaar budget)
- de micro economische theorie van de individuele vraag laat toe consumentengedrag
te verklaren en te voorspellen:
→ rol van voorkeuren/preferenties
→ (wijziging van het) inkomen
→ prijzen
→ overheidsrol
- micro-economische onderbouw van macro-economische
grootheden:
→ werken of vrije tijd? (bv. werkloosheids- en
pensioenvoorzieningen)
→ consumeren of sparen?
- veronderstelling: consumenten nemen rationele, overwogen beslissingen
2. Nut, marginaal nut en consumptiebeslissingen
Klassieke economen (18e en 19e eeuw): « Totaal nut » van een goed bepaalt de « waarde»
→ De «Waardeparadox »:
- sommige goederen hebben een lage marktwaarde en een hoog nut (lucht, water)-
- andere goederen hebben een hoge marktwaarde en een laag nut (diamanten)
Latere economen (de « marginalisten », 19e en 20e eeuw) benadrukken het «marginale
nut» = de toename in het totaal nut, verkregen ten gevolge van een bijkomende eenheid
consumptie van dit goed
→ Oplossing voor de waardeparadox: sommige goederen hebben een zeer groot
totaal nut maar haast geen marginaal nut: het is het marginaal nut dat de
waarde bepaalt
→ (Marginaal) nut wordt geacht « kardinaal » meetbaar te zijn zoals lengte of
gewicht
Gossen en Marshall
1e wet van Gossen: Het marginaal nut van een goed daalt naarmate de consumptie ervan
stijgt
bv. film voor de 3e keer zien
Alfred Marshall (1842-1924) legt grondslag van theorie van het consumentengedrag:
→ consumentenbeslissingen zijn resultaat van de confrontatie van
- preferenties: wat een consument wenst
- budgettaire mogelijkheden: prijzenniveau en beschikbaar inkomen
, → Marshall veronderstelt kardinaliteit (nut in cijfers kunnen uitdrukken) en
toonde aan
- hoe consumenten hun consumptie aanpassen bij variërende prijzen en beschikbaar
inkomen
- dat «een consument die zijn nut wil maximaliseren zijn bestedingen zodanig zal
alloceren dat de laatste eurocent die aan de verschillende goederen wordt besteed
overal eenzelfde marginaal nut oplevert»
= 2e Wet van Gossen
→ het nut is maximaal wanneer de consument 4 pizza’s combineert met
12 glazen frisdrank: het marginaal nut per euro is gelijk voor alle goederen
Een pizza meer of minder: een kwestie van kosten en baten
- Weegt Het extra nut van €1 extra voor een pizza op tegen het nutsverlies van €1
minder aan een frisdrank?
- Consument optimaliseert wanneer de marginale baten van een extra € voor een
pizza exact gelijk zijn aan de marginale kosten van een € minder van een frisdrank
- De marginale kosten van meer consumptie van een bepaald goed
= marginale opportuniteitskosten: de waarde van wat men moet opgeven in het beste
alternatief om meer van het goed te verkrijgen.
- «Marginale kosten van meer pizza = Marginale baten van het opgeven van de
frisdrank ten voordele van een extra eenheid pizza »
inzicht is relevant, maar nut is niet kardinaal meetbaar! (onbevredigend)
nut → ordinaal meetbaar: er wordt enkel veronderstelt dat consumenten
alternatieve goederenbundels kunnen rangschikken afh. van de voldoening die
ze eruit halen
moderne theorie: belang van betalingsbereidheid, uitgedrukt met begrip marginale
substitutiegraad
3. Preferenties, indifferentiecurven en nutsfuncties
3.1 Preferenties en indifferentiecurven
neo-klassieke micro-economie gaat uit van ordinaal nut en rationeel consumentengedrag:
4 veronderstellingen:
1. vergelijking en ordening van goederenbundels = volledigheid