• Mauvais document ? Échangez-le gratuitement
  • Rédigé par des étudiants ayant réussi
  • Disponible immédiatement après paiement
  • Lire en ligne ou en PDF
Vendre
Où étudie-tu ?
La langue
Document preview thumbnail
Aperçu 3 sur 138 pages
Resume

Volledige samenvatting politicologie - Stefaan Walgrave

Document preview thumbnail
Aperçu 3 sur 138 pages

Dit document bevat een uitgebreide samenvatting van het vak Politicologie en behandelt de kernconcepten van politiek, staat en macht, politieke regimes, grondwetten, democratie en politieke vertegenwoordiging. Daarnaast worden breuklijnen, ideologieën (zoals liberalisme, socialisme, conservatisme, christendemocratie, ecologisme en rechts-populisme) en klassieke politieke denkers uitvoerig besproken. De samenvatting volgt de hoofdstukken van de cursus en is geschikt als studiemateriaal voor examens of als overzicht van de volledige leerstof. Uit deze samenvatting studeren is zeker voldoende, aangezien het zowel gebruik maakt van het boek, als van de slides en eventueel extra nota's en verduidelijkingen.

Aperçu du contenu

HOOFSTUK 1: INLEIDING

Belang van politiek
Politiek heeft invloed/ impact op alles wat er gebeurt

 Er is vaak conflict over hoeverre de politiek moet ingrijpen in privézaken
 Vb. Invoeren van autogordel in 1975 (eigen risico)
→ Altijd discussies over het opleggen van regels
→ Groot gevolg: geschat 30.000 doden minder (B en NL)
= Politiek heeft impact op ons leven
 Vb. Roken in auto met kinderen, eigen keuze of verboden
→ Discussie tussen links/ socialisten (veel bemoeienis, big gouvernement) en
rechts/liberalen (niet te veel bemoeienis, small gouvernement)

 Politiek toont de grenzen van ’maakbaarheid’ van de samenleving:
 Niet alles kan door beleid opgelost worden (economie, mentaliteit demografie...)
→ Vb. transmigrantencrisis, vluchtelingencrisis, radicalisering, corona,
energiecrisis
→ Politiek moet reageren, maar oplossingen botsen op maatschappelijke en
internationale beperkingen (zoals oorlog in andere landen, EU-regels,…)

 Nationale politiek verliest zijn greep (Luc Huyse)
 De wereld wordt steeds meer verbonden door globalisering, internationale handel,
migratie en de invloed van multinationals.
 Dit beperkt de zelfstandigheid van een land: het kan minder autonoom beslissen dan
vroeger, omdat veel macht en beslissingen op internationaal niveau liggen.

 Spanning tussen evolutie van de samenleving en de overheid
 De samenleving verandert voortdurend: nieuwe technologie, nieuwe normen,
nieuwe problemen, nieuwe generaties
→ Maar wetgeving, instellingen en beleid veranderen veel trager. Het duurt
lang om wetten te maken, akkoorden te sluiten of instellingen aan te passen
→ Daardoor ontstaat er een kloof tussen wat mensen verwachten en wat de
overheid op korte termijn kan doen
 De media versterken de spanning, omdat politiek constant zichtbaar is (tv, sociale media,
nieuws)
→ Daardoor verwachten burgers dat politici snel reageren en oplossingen
geven, terwijl dat in werkelijkheid vaak tijd vraagt.


Comparative politics
= Landen hun politiek vergelijken
België (Nederland) voortdurend gaan vergelijken met andere landen

 Voorbeeld: sterkte van rechts-populistische1 partijen (vgl. met Franstalig België)
→ Vlaamse vs. Franstalig politieke cultuur
→ Kiesstelsels, media, historische context

 België vs. Amerika:
1
Rechts-populistische partijen: zeggen dat ze opkomen voor het ‘gewone volk’ en gebruiken duidelijke,
simpele taal. Ze zijn vaak streng over migratie en leggen de nadruk op nationale identiteit

1

, → België: gefragmenteerd politiek stelsel 2➜ nood aan coalities3 ➜ minder polarisatie4
→ VS: tweepartijenstelsel 5➜ duidelijke polarisatie
→ Vergelijkende politiek toont hoe instellingen gedrag beïnvloeden


Politiek en politieke wetenschap
Politiek = alles wat met het sturen van de (een) samenleving te maken heeft

 Afspraken als mensen iets samen willen doen
 Grotere groep = meer afspraken = meer formele regels (dus officieel geregistreerd)
 Politiek kan op verschillende manieren gebeuren (via instellingen, onderhandelingen,
procedures,…)

 Etymologie: Πολιτικα (politika) = dat wat met de staat (polis) te maken heeft
 Aristoteles: zoön politikon= mens is een sociaal en politiek wezen
 Plato: Politeia= visie op de ideale samenleving

 Politiek impliceert ook conflict: verschillende belangen, waarden, prioriteiten botsen
→ Daarom zijn regels, procedures, en instellingen nodig om conflicten te kanaliseren

 Brede definitie: politiek is overal waar er regels bestaan
→ Ook in verenigingen, organisaties, bedrijven, verenigingen
→ Politieke socialisatie gebeurt ook daar (vb. scouts)




1. TERRITORIUM

Territoriale politiek betekent dat je er niet zomaar kan uitstappen.
Om eraan te ontsnappen, moet je verhuizen (vb. politiek van België geldt binnen dat grondgebied)
→ Vb. mensen in delen van Afghanistan/ Pakistan: niet zomaar ontsnappen aan gezag daar

2
Gefragmenteerd politiek stelsel: er zijn veel politieke partijen die allemaal maar een klein deel van de
stemmen krijgen. Hierdoor is het moeilijk om een stabiele regering te vormen, omdat partijen meer moeten
samenwerken om een meerderheid te krijgen
3
Coalitie: samenwerking tussen 2 of meer politieke partijen om samen een regering te vormen. Ze doen dit
omdat geen enkele partij genoeg stemmen heeft om te besturen
4
Polarisatie: mensen/ groepen komen steeds meer tov elkaar te staan. Ze hebben sterke, tegengestelde
meningen en luisteren minder naar elkaar
5
Tweepartijenstelsel: politiek systeem waarin vooral twee grote partijen de meeste macht hebben. Kleine
partijen hebben weinig kans om mee te beslissen
2

, = ‘no way out’

 Vragen:
- Welk soort samenleving wordt gestuurd?
- Geldt een territorium met bindende regels?
- Kan je eruit stappen of niet?

 Met territorium= verplichting om regels van dat gebied te volgen
→ Denk aan verkeersregels, belastingen, stemrecht

 ‘Staten’ hebben grondgebied en zijn soeverein
→ Staat= afgebakend gebied dat soeverein is
→ D.W.Z. dat er geen hogere macht boven hen binnen zijn eigen grenzen is
Vb. Russisch referenda in Oekraïne:
= R probeert daar invloed te krijgen, maar O zegt dit is ons soeverein gebied.
→ Staat bepaalt zelf wetten, regels en beleid
→ <-> katholieke kerk in de middeleeuwen:
- supranationale macht (boven de landgrenzen)
- kon wetten/ regels opleggen die mensen zelfs koningen moesten volgen

 Niet alleen staten hebben territorium/ grondgebied:
→ Europa lijkt op een staat: kan grondwetten opleggen aan lidstaten, maar landen
blijven soeverein (kunnen ook zeggen dat ze niet mee doen)
Vb. Brexit: uit EU omdat eigen hoogste gezag wilde behouden
→ Decentralisatie: deelstaten, provincies, gemeenten
→ Internationalisering: EU legt bindende regels op boven nationaal niveau
→ Soms botsen deze systemen, wie heeft er echt macht?


2. CULTUREEL

 Niet iedereen denkt hetzelfde over hoeveel macht overheid mag hebben: reikwijdte
= tot hoeverre mogen regels ingrijpen in ons leven = reikwijdte
 Opvattingen veranderen doorheen de tijd (van weinig naar veel overheidsingrijpen)
 19de eeuwse ‘nachtwakersstaat’
- Overheid deed bijna niets, wel ordehandhaving, defensie, belastingen
- Weinig inmenging in sociaal of eco leven, past bij klassiek liberaal denken
(=mensen moeten zichzelf redden)

 20ste eeuw: welvaartstaat
- De arbeidsbeweging eiste sociale bescherming voor arbeiders, zoals betere
lonen, veilig werk, pensioen, en werkloosheidsuitkering
- Later breidde dit uit naar andere thema’s: milieu, klimaat, diversiteit en
gezondheidszorg
- Idee: mensen met minder talent of geld, krijgen bescherming en steun van
de overheid
- Ook liberale partijen steunden later sommige sociale maatregelen, omdat
het stabiliteit en gelijkheid bevorderde

 Vandaag: explosie van politiek ingrijpen
- Overheid grijpt in op veel domeinen, dingen die vroeger privé waren, nu
3

Table des matières

  1. 01 Belang van politiek Politiek heeft invloed/ impact op alles wat er gebeurt 1
  2. 02 Comparative politics = Landen hun politiek vergelijken België (Nederland) voortdurend gaan vergelijken met andere landen 1
  3. 03 Politiek en politieke wetenschap 2
    1. Politiek = alles wat met het sturen van de (een) samenleving te maken heeft 2
    2. 1. TERRITORIUM 2
    3. 2. CULTUREEL 3
    4. 3. VORMEN 4
    5. Classificaties: 4
    6. Wat doet een politicoloog? 4
    7. Politieke wetenschap 5
    8. Intellectuele distantie: 6
    9. Wetenschappelijke methode: 6
    10. Politicologen proberen politieke verschijnselen systematisch te bestuderen, zodat hun onderzoek betrouwbaar en bruikbaar is 6
    11. Instrumenten van (politieke) wetenschap 7
    12. 1. Concepten 7
    13. 2. Modellen 7
    14. 3. Theorieën 7
  4. 04 HOOFDTUK 2: STAAT EN MACHT 8
    1. Bindende regels 8
    2. Grondwet = grondwet is de belangrijkste juridische document van een land, legt de basis vast voor: 9
    3. Grondwet is niet altijd neergeschreven: 12
    4. Poging tot EU-grondwet: doelstellingen Unie en basisrechten burgers 13
    5. Macht 13
    6. Macht aantonen en bewijzen is moeilijk 16
    7. Macht van overheid 17
    8. Ontstaan van de moderne natiestaat: De natiestaat ontstond niet ineens, maar groeide langzaam door vier grote evoluties 17
    9. Oorsprong van politiek en staat 17
    10. Aristoteles (democratisch optimist) 18
    11. Thomas Hobbes (democratisch pessimist) 19
  5. 05 HOOFDTUK 3: BREUKLIJNEN EN IDEOLOGIËN 20
    1. Politiek = conflict 20
    2. Wat zijn breuklijnen Breuklijnen: groeperingen van conflicten die telkens over hetzelfde fundamentele meningsverschil gaan 20
    3. Elementen van een breuklijn: 20
    4. Verzuiling = extreme vorm van een breuklijn 21
    5. De tegenstellingen worden zo georganiseerd dat er hele levensdomeinen opgesplitst zijn in aparte groepen (“zuilen”) 21
    6. Historische wortels breuklijnen Volgens de politicologie zijn er vier diepe historische wortels die de belangrijkste politieke breuklijnen hebben gevormd 21
    7. Gevolgen van breuklijnen 23
    8. Bevroren breuklijnen? = freezing hypothesis of persistentiestelling 24
    9. Idee dat breuklijnen die 100 jaar geleden belangrijk waren, lange tijd hetzelfde bleven 25
    10. Breuklijnen in België 26
    11. Doorkruisende breuklijnen (kcutting cleavages) 26
    12. Een nieuwe breuklijn Volgens politicologen (vooral Ronald Inglehart) ontstaat sinds de jaren 60 een nieuwe, zeer belangrijke tegenstelling 27
    13. Ideologie 28
    14. Liberalisme = ‘vrijheid is het hoogste goed en overheid moet vrijheid beschermen’ 29
    15. Conservatisme = pessimistisch mensbeeld 30
    16. Socialisme = gelijkheid en samenhorigheid 30
    17. Marxisme (historische oorsprong): 30
    18. Socialisme (hedendaagse ideologie): 30
    19. Christendemocratie =personalisme (mens als waardevolle persoon) 31
    20. Ecologisme = respect en verbondenheid met de natuur 31
    21. Rechts-populisme = ‘het volk’ tegenover ‘de elite’ 31
    22. Dunne vs. dikke definitie van democratie 33
    23. 1. Macht gaat uit van het volk = principe van volkssoevereiniteit: 33
    24. de staat krijgt haar macht van burgers, niet van religie, traditie of koning 34
    25. Hoe wordt die macht doorgegeven? 34
    26. Representatieve democratie : burgers stemmen op politici/ partijen die in hun naam beslissen 34
    27. Directe democratie: burgers beslissen zelf (vb. referenda) 34
    28. In de praktijk: 34
    29. Vrije verkiezingen: zijn noodzakelijk (competitief, meerdere partijen, eerlijk verloop) = we bedoelen dan ook dat IEDEREEN kan stemmen 34
    30. Algemeen stemrecht: iedereen moet kunnen stemmen (ongeacht geslacht, afkomst, rijkdom) 34
    31. Zonder verkiezingen en stemrecht is er geen democratie volgens elke definitie 34
    32. 2. Macht volgt regels = rechtstaat/ Rule of law 34
    33. De overheid moet zichzelf aan de wet houden 34
    34. Niet ‘de wil van de meerderheid’ beslist alles, maar procedures en regels begrenzen politiek gedrag en beschermen burgers tegen machtsmisbruik 34
    35. 3. Individuele vrijheidsrechten van burgers 35
    36. Variaties in democratie 37
    37. Maar democratieën verschillen sterk in goed ze functioneren: 37
    38. Werkt democratie beter? 38
    39. Minder hongersnood (Amartya Sen) 39
    40. In een democratie kan een regering zich geen hongersnood permitteren, want dan worden ze afgestraft door de kiezers (ze verliezen verkiezingen) 39
    41. Informatie is vrij, dus problemen komen aan het licht en oppositie kan druk zetten 39
    42. In dictaturen is er een censuur: 39
    43. Mensen weten soms niet dat er hongersnood is 39
    44. Regering heeft minder prikkels om het op te lossen 39
    45. Voorbeeld les: 39
    46. = veel minder hongersnood in democratie dan dictatuur 39
    47. India vs. China (= grootste niet-democratie ter wereld) 39
    48. In India kunnen politieke leiders sneller worden weggestemd als ze slecht presteren. Daardoor moeten ze meer moeite doen om problemen echt op te lossen 39
    49. In China is het voor leiders veel gemakkelijker om aan de macht te blijven, omdat er geen vrije verkiezingen zijn. Daardoor voelen ze minder druk om problemen op korte termijn aan te pakken 39
    50. Mandaat vs. vertrouwen? Er zijn twee modellen van hoe vertegenwoordigers hun job moeten doen: 40
    51. Mandaatmodel (delegate) =Politicus moet exact doen wat de kiezer wil 40
    52. Politicus= spreekbuis van het volk 40
    53. Voorbeelden: 40
    54. Deense regering mag in EU-dossiers weinig doen zonder toestemming van het parlement 40
    55. Regeringsonderhandelaars die de partijvoorzitter moeten bellen 40
    56. ‘Recall’: vertegenwoordigers terugroepen als ze afwijken 40
    57. Nadelen: 40
    58. Niet altijd duidelijk wat ‘de wil van het volk’ is 40
    59. Kan leiden tot populisme 40
    60. Weinig ruimte voor expertise 40
    61. Vertrouwensmodel (trustee) =Politicus krijgt autonomie om in alle wijsheid beslissingen te nemen 40
    62. Politicus= beslisser in het belang van het volk; zelfs als het volk dat niet altijd begrijpt 40
    63. Voorbeelden: 40
    64. Nederlandse grondwet 1814: verbod op ruggespraak (politici moet niet terug naar kiesdistrict voor instructies) 40
    65. Pausverkiezingen: kardinalen worden volledig afgesloten om onafhankelijk te beslissen 40
    66. Voordelen: 40
    67. Meer kwaliteit en stabiliteit 40
    68. Kritisch nadenken wordt beloond 40
    69. Geschikt voor complexe dossiers 40
    70. Politieke partijen en vertegenwoordiging 42
    71. Territoriale of inhoudelijke vertegenwoordiging 44
    72. In een democratie worden burgers vertegenwoordigd door politici. Maar wat vertegenwoordigen die politici precies? 44
    73. Er zijn 2 manieren om dat te bekijken 44
    74. Afspiegeling: moeten politici lijken op het volk? 45
    75. Directe democratie 45
    76. Referenda 46
    77. + Diversiteit 49
    78. Veranderde visie op participatie 50
    79. Positieve houding (na 1970): 50
    80. Ongelijke participatie 51
    81. Opleiding hoger > lager geschoolden 51
    82. Leeftijd 51
    83. Geslacht 51
    84. Dalende participatie 52
    85. Sommige vormen participatie dalen 52
    86. Vormen van participatie die stijgen 52
    87. Het is geen echte daling van participatie  eerder een verschuivingen (vooral bij jongeren) 52
    88. Sociale bewegingen en pressiegroepen 54
    89. Functie voor politiek = complexiteitsreductie Organisaties maken de samenleving eenvoudiger en overzichtelijker voor politici (2 vormen) 55
    90. Impact van het middenveld? 55
    91. Twee manieren van omgaan met middenveld 56
    92. Recentere evoluties 56
    93. Opkomst van nieuwe sociale bewegingen 56
    94. Opkomst van ‘nieuwe emotionele bewegingen’ 57
    95. Participatie en democratie 59
    96. Politieke cultuur 59
    97. The civic culture 60
    98. Kritiek op Almond en Verba 60
    99. Sociaal kapitaal 61
    100. Kritiek op Putnam 62
    101. Partijen zijn cruciaal in democratie 63
    102. Grote variatie in partijen en hun rol; 63
    103. Massapartij (begin 20e eeuw) 64
    104. De volkspartij of catch-all party 65
    105. Hoe verschilt een volkspartij t.o.v. massapartij 65
    106. Minder scherpe ideologie 65
    107. Geen strenge doctrine meer  programma wordt breder en minder ideologisch 65
    108. Ze willen aantrekkelijker zijn voor meer verschillende groepen tegelijk 65
    109. Meer centrale besluitvorming 65
    110. De top van de partij beslist meer 65
    111. Leden spelen een kleinere rol dan in de massapartij (massapartij= leden centraal, cath-all= top centraal) 65
    112. Verlaat de classe gardée 65
    113. Catch-all partijen richten zich niet meer op één doelgroep 65
    114. Ze willen iedereen aanspreken: jongeren en ouderen, arbeiders en middenklasse 65
    115. Ontzuiling  banden met brede waaier aan belangengroepen 65
    116. Waarom die veranderingen? 66
    117. De moderne kaderpartij of kartelpartij 67
    118. Waarom ‘kartelpartij’ 67
    119. Omdat partijen: sterk afhankelijk worden van de staat (subsidies, personeel, infrastructuur) 67
    120. Minder ingebed zijn in de samenleving, want leden verdwijnen 67
    121. Onderling samenwerken (vormen een ‘kartel’) om hun positie te beschermen tegen nieuwe partijen 67
    122. Partijen worden opnieuw top-down organisaties, eerder ‘van de staat’ dan ‘van de samenleving’ 67
    123. Drie aspecten of ‘gezichten’ van partij Partijen hebben volgens Katz & Mair 3 comoponenten 67
    124. Twee componenten zijn sterk gegroeid, één niet 67
    125. Gevolgen van de kartelpartij: 67
    126. Typologie op basis van ideologie 69
    127. Typologie op basis van organisatie 70
    128. Jaren 80: partijen die ‘anders’ wilden zijn Sommige partijen (vooral Groenen en nieuw-links) wilden breken met de hiërarchische structuur van klassieke massapartijen. Ze wilden het tegendeel van Michels ‘ijzeren wet van de oligarchie’: meer interne democratie, minder macht voor de top 70
    129. Maximale inspraak van leden 70
    130. Vrijwilligers en leden beslissen mee over cruciale zaken 70
    131. Zelfs ministerkeuzes worden niet door de partijtop gemaakt (zoals bij Groen  Petra de Sutter gekozen door leden ipv Calvo) 70
    132. Teamwerking in plaats van sterke leiders 70
    133. Geen klassieke ‘voorzitter’ maar vb. ‘politiek secretaris’ 70
    134. Rotatieprincipe 70
    135. Mandatarissen moeten na een beperkt aantal termijnen plaatsmaken 70
    136. Vermijdt machtsopbouw en professionalisering  maar je verliest ook expertise 70
    137. Groen houdt dit nog steeds (beperkt), PVDA eveneens 70
    138. Geen persoonlijke campagnes 70
    139. Uiting van anti-personalisering 70
    140. Congressen met alle leden 70
    141. Belangrijke beslissingen worden genomen in grote, open ledenvergaderingen 70
    142. MAAR: in praktijk werden deze partijen toch klassieker 70
    143. Regeringsdeelname vraagt snelle besluitvorming  100 mensen samenroepen: onwerkbaar 70
    144. Massamedia willen leidersfiguren  druk naar personalisering 70
    145. Expertise wordt opgebouwd door ervaring  rotatie ondermijnt dit Zelfs partijen die anti-hiërarchisch begonnen, verschuiven naar een meer klassieke, professionelere organisatie 70
    146. PVDA houdt nog sterk vast aan het principe dat: 70
    147. Macht bij de leden ligt 70
    148. Parlementsleden de stem van de werkende klasse moeten uitvoeren 70
    149. En niet te veel persoonlijke macht mogen krijgen 70
    150. Typologie op basis van strategie 71
    151. Partijsysteem 71
    152. Aantal partijen 72
    153. 1. Fragmentatie in België: 72
    154. België ≠ steeds gefragmenteerd geweest 72
    155. 2. Polarisatie van partijsysteem 73
    156. Affectieve polarisatie: wanneer waarop kiezers over elkaar oordelen (In VS) 73
    157. 3. Beweeglijkheid van partijsysteem 73
    158. Belang van verkiezingen 74
    159. Gevolg van dat belang = Omdat verkiezingen zo belangrijk zijn is er veel discussie over manier waarop verkiezingen georganiseerd worden, en welk kiesstelsel het meest democratische is 74
    160. 1. Wie mag er stemmen? 75
    161. Geschiedenis van het stemrecht in België: 75
    162. 2. Plicht, recht of registratie? 76
    163. 4. Verkiezingstechnieken: hoe stemmen in zetels omzetten? 78
    164. Twee basissystemen: proportioneel ↔ meerderheidskiesstelsel 78
    165. Uninominaal – relatieve meerderheid 78
    166. Plurinominaal – relatieve meerderheid 79
    167. Swing states: 79
    168. In sommige staten is één partij bijna altijd dominant 79
    169. Vb. Californië (meestal Democratisch) 79
    170. Vb. Texas (meestal republikeins) 79
    171. In swing states: wisselt de overwinning tussen partijn 79
    172. Vb. Pennsylvania, Michigan, Florida 79
    173. De verkiezingsstrijd draait vooral rond deze staten 79
    174. Absolute meerderheid 80
    175. Proportioneel kiesstelsel 80
    176. 2. Delerreeks 80
    177. 3. Kiesdrempel 81
    178. 5. Hoe worden verkozenen aangeduid? 81
    179. Gevolgen van kiessystemen 82
    180. Stemgedrag = belangrijke (zichtbare) subdiscipline van politieke wetenschap 83
    181. Drie klassieke benaderingen: (lange termijn) 83
    182. Scheiding der machten Waarom een scheiding der machten? 85
    183. Strakke vs. minder strakke scheiding van machten 87
    184. Parlementair systeem (zoals België) Minder strakke scheiding tussen wetgevende macht (parlement) en uitvoerende macht (parlement) 87
    185. Ze werken voortdurend samen 87
    186. Geen strikte scheiding: 87
    187. WM en UM zijn met elkaar verbonden 87
    188. Samenwerking is noodzakelijk: 87
    189. Vertrouwen schenken 87
    190. Eed afleggen 87
    191. Wetten samen ondertekenen 87
    192. Regering kan ontslag indienen/ parlement kan ontbonden worden 87
    193. Regering komt voort uit parlement 87
    194. Regering afhankelijk van parlement: 87
    195. Regering heeft steun van de meerderheid in het parlement nodig = om wetten goed te keuren en beleid uit te voeren (zonder= niet regeren) 87
    196. Ze moet voortdurend stemmingen winnen, vb. over de begroting 87
    197. Verliest ze één belangrijke stemming -> regeringscrisis of val v.d. regering = leidt soms tot ontslag v regering en nieuwe verkiezingen = zo wordt regering gedwongen om rekening te houden met wil v.h. parlement 87
    198. Regering moet dus blijven afstemmen met haar meerderheid (coalitiepartners) 87
    199. Controle door parlement: 87
    200. Parlement kan regering wegsturen -> motie van wantrouwen 87
    201. Regering moet verantwoording afleggen aan het parlement 87
    202. Regering kan niet geïnstalleerd worden zonder parlementaire vertrouwen 87
    203. Vlaamse regering legt eed af in Vlaamse parlement 87
    204. Federale regering legt eed af bij koning 87
    205. Samenwerking WM & UM 87
    206. Wetten worden samen ondertekend door koning/ president + minister 87
    207. Regering bepaalt groot deel van parlementsagenda 87
    208. Regering beslist mee over parlementaire werk 87
    209. Ontslag van regering en ontbinding van parlement gebeurt in het parlementair kader 87
    210. Kenmerk: 87
    211. Stabiel als meerderheid sterk is 87
    212. Maar vraagt permanente samenwerking tussen WM en UM 87
    213. Minder strakke scheiding -> meer flexibiliteit maar ook afhankelijkheid van politieke evenwichten 87
    214. Presidentieel systeem (zoals VS) Strikte scheiding tussen de drie machten: Wetgevende (congres), uitvoerende (president) en rechterlijke macht (Hooggerechtshof) werken volledig gescheiden 88
    215. Elk wordt apart verkozen en werkt autonoom 88
    216. Elk met hun eigen legitimiteit, bevoegdheden en verkiezingen 88
    217. Wel een strikte scheiding: 88
    218. WN en UM zijn niet met elkaar verbonden, ze functioneren volledig autonoom 88
    219. President en parlement worden afzonderlijk verkozen 88
    220. President moet geen verantwoording afleggen aan het parlement 88
    221. De president heeft geen meerderheid nodig in het parlement 88
    222. Parlement kan de president niet zomaar afzetten 88
    223. Alleen via impeachment, een extreem moeilijke en zeldzame procedure 88
    224. Gebeurde tegen Clinton 88
    225. 2x Trump (maar nooit veroordeeld, bleef president) 88
    226. Aparte verkiezingen: 88
    227. President wordt rechtstreeks verkozen door de bevolking 88
    228. Senaat+ Huis van Afgevaardigden worden apart verkozen 88
    229. Daardoor heeft de president geen garantie op steun van het parlement 88
    230. Vaak ontstaat een ‘divided governement’ = president vs. congres van andere partij 88
    231. Dit veroorzaakt blokkades en maakt regeren moeilijk 88
    232. Sterke autonomie van de president: 88
    233. De president kan beslissingen nemen zonder parlementaire steun 88
    234. MAAR: veel belangrijke beslissingen moeten door het Congres worden toegekeurd (vb. begroting) 88
    235. Nadeel: bij verschillende meerderheden (president= partij A, congres= partij B) 88
    236. Kan tot blokkades leiden, waardoor land bijna onbestuurbaar wordt 88
    237. Voorbeelden uit realiteit: 88
    238. Trump kon niets doen zonder steun van the House (parlement) 88
    239. Biden kon veel minder doen na het verliezen van zijn meerderheid in 2022 88
    240. Checks and balances: remmen en tegenwichten: 88
    241. Om machtsmisbruik te voorkomen, controleren de drie machten elkaar voortdurend: = elke macht kan beslissingen van de andere macht tegenhouden 88
    242. Hoe controleren de machten elkaar? 88
    243. WM -> UM (Congres controleert president) 88
    244. Congres moet instemmen met veel beslissingen (oa. Begroting) 88
    245. Congres kan veto van de president proberen te ‘overrulen’ 88
    246. Congres moet presidentiële benoemingen (zoals ministers en rechters) goedkeuren 88
    247. UM -> WM (President controleert congres) 88
    248. President heeft vetorecht tegen wetten 88
    249. President kan uitvoerende beslissingen nemen zonder wetgeving 88
    250. RM -> WM & UM (Hooggerechtshof controleert allebei) 88
    251. Kan wetten vernietigen (ongrondwettelijk verklaren) 88
    252. Heeft enorme macht -> zeker nu 6 van de 9 rechters conservatief zijn 88
    253. Rechters worden benoemd door: president en goedkeuring Senaat 88
    254. Sterk federaal systeem: 89
    255. VS is extreem federaal: veel macht ligt bij de deelstaten 89
    256. Elke deelstaat heeft: 89
    257. eigen grondwet 89
    258. eigen rechtbanken 89
    259. eigen bevoegdheden (vb. West Virginia) = deelstaten mogen dus ook zelf wetten maken over bepaalde onderwerpen = dus bevoegdheid: welk niveau v overheid ergens over mag beslissen 89
    260. Voorbeeld: abortus 89
    261. Hooggerechtshof schafte federaal recht af 89
    262. Sommige staten maakten het onmiddellijk illegaal: andere legaliseerden het net 89
    263. Keerzijde van de extreme scheiding 89
    264. Door zoveel remmen en tegenwerkingen moet alles via overleg 89
    265. Hierdoor is er veel tijdverlies en raakt het land soms verlamd 89
    266. Zowel president, Congres als staten kunnen elkaar tegenhouden 89
    267. Voorbeelden: 89
    268. Trump had steun van House nodig -> anders geen begroting 89
    269. Biden kon tijdens zijn eerste termijn weinig doen tot de midterms in 2022, toen hij zijn meerderheid verloor in het House 89
    270. Deelstaten kunnen beslissingen v.d. president blokkeren (vb. onderwijsbeleid) 89
    271. Extra info les: 89
    272. President lijkt ‘machtig’, maar is vaak relatief zwak door tegenwerking Congres 89
    273. Toch kan de president op momenten (zoals Trump) de eigen partij domineren zodat Congres meebuigt uit angst 89
    274. ‘Lame Duck’ presidentschap is mogelijk wanneer Congres volledig tegenwerkt 89
    275. Hooggerechtshof is enorm machtig, maar werkt tegenwoordig vaak in de richting van het Congres (conservatieve meerderheid) 89
    276. Aantal rechters staat niet in de grondwet -> in theorie kan dit uitgebreid worden 89
    277. Mengvorm: Frankrijk 89
    278. President rechtstreeks verkozen 89
    279. Maar regering afhankelijk van parlement 89
    280. Combinatie van parlementair + presidentieel systeem 89
    281. Meer macht dan Belgische premier, maar minder dan Amerikaanse president 89
    282. President heeft aanzienlijke macht, maar parlement kan invloed uitoefenen op beleid en regering 89
    283. Parlement en kamers 90
    284. Voordeel van bicameralisme 92
    285. 1. Representatie 93
    286. 2. Wetgeving 95
    287. 3. Deliberatie = debat en het overleg in het parlement, dus het praten, argumenteren en bespreken van wetsvoorstellen tussen meerderheid en oppositie 96
    288. 4. Controle Het parlement controleert de regering en kijkt of zij haar werk goed doet 97
    289. Controlerende rol van het parlement (België)? 98
    290. Parlement en regeringen 99
    291. Parlementair vs. presidentieel regime Kernvraag: Is regering (staatshoofd) afhankelijk van parlement? 100
    292. Macht en blokkade Machtsverdeling? 101
    293. De vorming van de regering 102
    294. Minderheidsregering vs. oversized coalitie 104
    295. De leden van de regering 105
    296. Rol hangt af van het type regering 105
    297. Twee soorten beslissingen: 105
    298. Beleid 106
    299. Beleidscyclus 107
    300. 1. Agendavorming 107
    301. Individueel probleem 107
    302. Sociaal probleem 107
    303. 2. Politieke actoren 108
    304. 2. Beleidsvoorbereiding 108
    305. 3. Besluitvorming = fase waarin knopen worden doorgehakt: keuze voor één alternatief 109
    306. Welk besluit 109
    307. Hoe beslissen (vanaf hier herbekijen) 110
    308. VP= veto player 110
    309. Winset 111
    310. Praktisch: 111
    311. 4. Beleidsuitvoering 111
    312. 5. Beleidsevaluatie 111
    313. ‘Stijlen’ van bestuur 112
    314. Meerderheids- vs. Consensusdemocratie 112
    315. Twee bestuursstijlen: 112
    316. Meerderheidsdemocratie: macht geconcentreerd bij de meerderheid 112
    317. Snel beslissen, duidelijke verantwoordelijkheid (vb. GB) 112
    318. Consensusdemocratie: macht gespreid over veel actoren (veto players) 112
    319. Trage besluitvorming, veel overleg (vb. België) 112
    320. 10 belangrijke verschillen 112
    321. Consesusdemocratie: 113
    322. Vaak mengvormen, geen zuivere types 113
    323. Typisch voor verdeelde samenlevingen (taal, ideologie, regio’s) 113
    324. Pacificatiedemocratie: elites zoeken compromis, vermijden winnaars of verliezers 113
    325. Veel pacten en akkoorden na conflict 113
    326. Lijphart: stelt dat consensusdemocratieën beter werken, omdat: 113
    327. Meer groepen betrokken zijn bij beslissingen 113
    328. Beleid breder gedragen is 113
    329. Minderheden beter beschermd worden 113
    330. Meer stabiliteit en sociale vrede ontstaat 113
    331. MAAR: consensusdemocratieën zijn wel kwetsbaar voor populisme, omdat: 113
    332. Voorbeeld van beleid: economisch beleid 113
    333. 1. Belastingen 113
    334. De overheid haalt geld op via belastingen 113
    335. Ze kan kiezen: welke belastingen, hoe hoog, en wie ze betaalt 113
    336. Te hoge belastingen  zwarte economie of kapitaalvlucht 113
    337. Belastingen hebben vaak ongelijkheidsgevolgen (vb. vliegtaks treft lage inkomens relatief harder) 113
    338. 2. Uitgaven 113
    339. De overheid geeft geld uit aan: sociale zekerheid, subsidies, investeringen 113
    340. Uitgavenpatroon verschilt sterk per land 113
    341. België geeft veel subsidies aan bedrijven 113
    342. 3. Wetten 113
    343. Einde van de beleidscyclus Na de beleidsbeslissing stopt politiek niet. Regels en wetten moeten uitgevoerd, gecontroleerd en afgedwongen worden 114
    344. Dat gebeurt door het overheidsapparaat 114
    345. De administratie 114
    346. 1. De bureaucratie 114
    347. Kenmerken van bureaucratie: 115
    348. Voordelen van bureaucratie 115
    349. Nadelen van bureaucratie 115
    350. 2. De taakverdeling in de administratie 115
    351. Administratie als spiegel van groeiende staat 115
    352. Variatie in administratie Administraties verschillen van elkaar op twee belangrijke manieren: 116
    353. 3. New public management (NPM) 116
    354. Een verandering in hoe de overheid wordt georganiseerd en bestuurd 116
    355. Ontstaat vanaf de jaren 1980-1990 116
    356. Doel: administratie efficiënter, flexibeler, en goedkoper maken 116
    357. Controle over de administratie 116
    358. Controle over de administratie: verschillende manieren De regering wil controle houden over de administratie. Dat kan op verschillende manieren 117
    359. Justitie 117
    360. Twee tradities in rol rechterlijke macht 118
    361. Scheiding der machten? 118
    362. Vaste benoeming voor onafhankelijkheid 118
    363. Verschil nationaal recht 119
    364. Belang internationaal recht neemt toe Ondanks zwakke afdwinging wordt internationaal recht steeds belangrijker 119
    365. Het leger 119
    366. Het leger is een onderdeel van de overheidsadministratie ter beschikking van het buitenlands beleid (defensie, internationale veiligheid) 119
    367. Gecontroleerd door regering en parlement: 119
    368. Militaire regimes Twee soorten 120
    369. Leger worden niet ingezet 120
    370. De politie 121
    371. Grote variatie tussen landen De organisatie van de politie verschilt sterk tussen staten 121
    372. Politiek en territorium 122
    373. Toch blijven veel staten intern verdeeld volgens oude, samenstellende delen 122
    374. Twee wegen tot decentrale (federale) staat 122
    375. Federatie of conferentie Drie types staten 123
    376. Federatie = een federatie is een staat met meerdere bestuursniveaus (vb. federaal, gewesten, gemeenschappen) die elk eigen bevoegdheden hebben 124
    377. Die niveaus zijn autonoom 124
    378. Ze beslissen zelf over hun bevoegdheden 124
    379. Ze staan niet hiërarchisch boven of onder elkaar 124
    380. Vb. België: hier geen hiërarchie van regels, een Vlaamse wetgeving is even belangrijk als federale wetgeving 124
    381. Artikel 35 BE grondwet 124
    382. Pro of contra de centrale staat? 126
    383. Pro centrale staat: 126
    384. Pro deelstaten/ decentralisatie 126
    385. De instituties van een federale staat Verdeling van bevoegdheden = meest cruciale In een federale staat is macht verdeeld tussen verschillende bestuursniveaus (federaal en deelstaten) 127
    386. Grote verschillen tussen federale staten 127
    387. Exclusieve vs. overlappende bevoegdheden 127
    388. Symmetrische vs. asymmetrische bevoegdheden 127
    389. Functionele of juridisctionele bevoegdheidsverdeling 128
    390. Een Tweede kamer In veel federale staten is het parlement: bicameraal parlement (dus twee kamers) 128
    391. Belangenconflicten en overleg 128
    392. Belangenconflicten 128
    393. Hoe worden belangenconflicten opgelost? Via overleg en onderhandelingen: 129
    394. Als geen akkoord wordt bereikt: 129
    395. Bevoegdheidsconflicten 129
    396. Financiering en herverdeling In een federale staat worden bevoegdheden verdeeld, en dat betekent automatisch dat ook geld (middelen) verdeeld moeten worden 129
    397. Twee basisprincipes: 129
    398. Lokale besturen 130
    399. Grote variatie in activiteiten 130
    400. Lokale verkiezingen 130
    401. Europese Unie = een uniek politiek systeem 131
    402. De geschiedenis van de Europese Unie 131
    403. Brexit (2018-2020): 131
    404. Corona (2020): 131
    405. De instellingen en de werking van de Europese Unie Eigenlijk: instellingen 1952 = 2017 133
    406. Belangrijke hervormingspogingen: 133
    407. De Europese Raad = vergadering van staatshoofden en/of regeringsleiders 133
    408. De Europese Commissie = supranationale instelling van de EU 133
    409. Raad van de Europese Unie = vergadering van vakministers/ ministerraad 134
    410. Het Europees Parlement 134
    411. Het Europees Hof van Justitie =’grondwettelijk hof’ van de EU 134
    412. De Europese wetgeving 135
    413. 2. Richtlijnen 135
    414. 3. Zachtere vormen van samenwerking (bij weinig consensus) 135
    415. De Europese Unie en de politieke wetenschap 135
    416. Multi-level governance 136
    417. De Europese Unie als consensusdemocratie 136
    418. Consensusdemocratie = machtsspreiding 136
    419. Hoe toch besluiten nemen? 136
    420. Nadeel: 136
    421. Democratie en participatie Er bestaan twee verbindingen tussen de bevolking en de EU: 137
    422. Fundamenteel probleem: 137
    423. EU verkiezingen 137

Livre connecté
 image
Marc Hooghe, Kris Deschouwer Studieboeken bestuur en beleid - Politiek
Éditeur: Inconnu ISBN: 9789462368521 Édition: 5

Infos sur le Document

Livre entier ?
Oui
Publié le
16 janvier 2026
Nombre de pages
138
Écrit en
2025/2026
Type
Resume
€13,16

Mauvais document ? Échangez-le gratuitement Dans les 14 jours suivant votre achat et avant le téléchargement, vous pouvez choisir un autre document. Vous pouvez simplement dépenser le montant à nouveau.
Rédigé par des étudiants ayant réussi
Disponible immédiatement après paiement
Lire en ligne ou en PDF

Vendu
7
Abonnés
0
Éléments
4
Dernière vente
2 semaines de cela



Pourquoi les étudiants choisissent Stuvia

Créé par d'autres étudiants, vérifié par les avis

Une qualité sur laquelle compter : rédigé par des étudiants qui ont réussi et évalué par d'autres qui ont utilisé ce document.

Le document ne convient pas ? Choisis un autre document

Aucun souci ! Tu peux sélectionner directement un autre document qui correspond mieux à ce que tu cherches.

Paye comme tu veux, apprends aussitôt

Aucun abonnement, aucun engagement. Paye selon tes habitudes par carte de crédit et télécharge ton document PDF instantanément.

Student with book image

“Acheté, téléchargé et réussi. C'est aussi simple que ça.”

Alisha Student

Foire aux questions