Hoofdstuk II: nierfunctie
1. Nieren
1.1 algemeen
Functies nieren:
- zuivering wateroplosbare toxines
- zout- en waterbalans
- zuur-base evenwicht
- elektrolytenbalans
- bloeddrukregeling door activatie RAAS
- endoctriene functie: EPO en activatie van vitamine D
Massale filtratie bloed => primair urine
Heropname in het bloed van nuttige elemten
Excretie van elementen via urine
We hebben 2 nieren
=> zijn boonvormig thv de lende
Functionele eenheid nier = nefron (1-1,5 miljoen per nier)
elke nefron heeft eigen doorbloeding
1.1.1 de nierdoorbloeding
Arteriaal bloed wordt via Arteria renalis aangevoerd
Nierperfusie => doorbloeding van de nieren
= 1200 mL/min
=> 20% van hartdebiet
Perfusieweerstand in nieren wordt vooral bepaald door myogene tonus en neurogene
beïnvloeding
Er is amper metabole beïnvloeding
Myogene tonus is normaal laag => perfusie is maximaal
myogene tonus neemt toe als bloeddruk toeneemt
Doorbloeding blijft cosntant binnen de grenzen van bloeddruk
=> intrarenale druk neemt niet toe bij bloeddrukstijging
=> nierfunctie blijft dus zo behouden bij verlaagde bloeddruk
Neurogene invloed is de belangrijkste determinant
In rust is neurogene invloed verwaarloosbaar
=> nierdoorbloeding is het grootst
𝛼 en 𝛽1-receptoren zijn orthosympatische geïnerveerd
𝛼-receptoren zorgen bij stimulatie voor vasoconstricite => verminderde doorbloeding
𝛽1-receptoren zorgen bij stimulatie voor:
- Vasoconstrictie door angiotensine II
- Verhoogde vrijstelling renine
, - Verhoogde zout- en waterretentie1 door aldosterol
=>kan zorgen voor dat perfusie van 1200 naar 250 mL/min
=> 1 L/min kan dus gebruikt worden voor andere vaatgebieden
Arteriële bloedvaten vertakken in afferente arteriolen => 1 per nefron
=> deze leiden het bloed naar glomerulus
Glomerulus filtert het bloed
=> filtraat verdwijnt in het nefron
=> niet-gefilterd bloed (O2-rijk) gaat naar efferente arteriolen
Veneus bloed (O2-arm) verzamelt in Vena renalis
1.1.2 structuur van nefron
1. Afferente arteriole
2. Kapsel van Bowman
3. Glomerulus
4. Proximale tubulus
5. Efferente arteriole
6. Waterdoorlaatbaar dalend deel van de lis
van Henle
7. Water impermeabel stijgend deel van de lis
van Henle
8. Distale tubulus
9. Verzamelbuisje (ducti colligentes)
Glomerulus > capillair netwerk met kapsel van
Bowman
Tubulus > lusvormige buis
Verzamelbuisjes collecteren urine uit verschillende
nefronen
1.1.3 macroscopisch uitzicht van de nier
Buitenkant => cortex
=> korrelige structuur door aanwezigheid van glomeruli
Medulla (merg)
=> gestreepte structuur door convergerende lissen van Henle en ducti colligentis
=> vormen samen nierpyramiden
Nierpapillen
=> urine druppelt hier uit de nierpyramiden in de nierkelk (calyx)
Nierkelken komen samen in nierbekken (pelvis)
=> urine vanaf hieruit via urineleider (ureter) naar blaas
Via urinebuis (urethra) uit het lichaam
1.2 algemene waterhuishouding
Water komt voor 50-70% voor in ons lichaam
Overgang van water tussen verschillende compartimenten wordt gemedieerd door:
1
Ophouden
, - Osmotische, oncotische krachten = colloïd osmotische druk van bloedplasma
- Hydraulische druk
- Aanwezighied van actieve pompen
Extracellulaire vloeistoffen
=> samenstelling die aanleunt bij zeewater => NaCl
Verdere onderverdeling:
- Interstitieel compartiment: vocht tussen cellen
- Plasmacompartiment
- Transcellulair compartiment: vocht dat gevangen zit
Plasmaconcentratie wordt constant gehouden door de nieren
=> vooral plasma osmolariteit en wordt vooral bepaald door NaCl
Inname zout zorgt voor retentie van water en stimulatie van dorstgevoel door ADH
nier zal overmaat aan zout proberen te excreteren door activatie van ANP (atrial
natriuretic peptide) en inhibitie van RAAS (renine-angiotensine-aldosterol systeem)
Intracellulaire vloeistoffen
=> KCl-rijk
Dit wordt constant gehouden via actieve pompen in het membraan
Beweging water wordt bepaald door zoutbalansen
=> beweging vn water is secundair fenomeen
180L primaire urine gevormd per dag thv glomeruli
=> proximale tubuli en afdalende tak reabsorberen groot deel
> passieve reabsorbatie, water volgt actief de gereabsorbeerde elementen door
osmotische krachten
Opstijgende tak en distale tubuli => impermeabel voor water
Permeabiliteit van verzamelbuisjes is sterk variabel en regeling gebeurt via ADH
Dagelijkse exretie van 600 mOsmolen2 afvallenstoffen via urine
1,5L diurese per dag
=> 400 mOsm/L urine
Maximale diurese = 20L urine => 30 mOsm/L
minimale diurese = 0,5L urine => 1200 mOsm/L
Cortico-medullaire osmotische gradiënt en ADH bepalen de concetratie van urine in de
nieren
1.2.1 de cortica-medullare osmotische gradiënt
Peritubulair neemt osmolariteit progressief toe
=> cortex = 300 mOsm/L
=> papier = 1200 mOsm/L
Deze gradiënt berust op 3 eigenschappen van nefron:
- Actieve reabsorptie van elektrolyten
2
Hoeveelheid osmotische actieve deeltjes
1. Nieren
1.1 algemeen
Functies nieren:
- zuivering wateroplosbare toxines
- zout- en waterbalans
- zuur-base evenwicht
- elektrolytenbalans
- bloeddrukregeling door activatie RAAS
- endoctriene functie: EPO en activatie van vitamine D
Massale filtratie bloed => primair urine
Heropname in het bloed van nuttige elemten
Excretie van elementen via urine
We hebben 2 nieren
=> zijn boonvormig thv de lende
Functionele eenheid nier = nefron (1-1,5 miljoen per nier)
elke nefron heeft eigen doorbloeding
1.1.1 de nierdoorbloeding
Arteriaal bloed wordt via Arteria renalis aangevoerd
Nierperfusie => doorbloeding van de nieren
= 1200 mL/min
=> 20% van hartdebiet
Perfusieweerstand in nieren wordt vooral bepaald door myogene tonus en neurogene
beïnvloeding
Er is amper metabole beïnvloeding
Myogene tonus is normaal laag => perfusie is maximaal
myogene tonus neemt toe als bloeddruk toeneemt
Doorbloeding blijft cosntant binnen de grenzen van bloeddruk
=> intrarenale druk neemt niet toe bij bloeddrukstijging
=> nierfunctie blijft dus zo behouden bij verlaagde bloeddruk
Neurogene invloed is de belangrijkste determinant
In rust is neurogene invloed verwaarloosbaar
=> nierdoorbloeding is het grootst
𝛼 en 𝛽1-receptoren zijn orthosympatische geïnerveerd
𝛼-receptoren zorgen bij stimulatie voor vasoconstricite => verminderde doorbloeding
𝛽1-receptoren zorgen bij stimulatie voor:
- Vasoconstrictie door angiotensine II
- Verhoogde vrijstelling renine
, - Verhoogde zout- en waterretentie1 door aldosterol
=>kan zorgen voor dat perfusie van 1200 naar 250 mL/min
=> 1 L/min kan dus gebruikt worden voor andere vaatgebieden
Arteriële bloedvaten vertakken in afferente arteriolen => 1 per nefron
=> deze leiden het bloed naar glomerulus
Glomerulus filtert het bloed
=> filtraat verdwijnt in het nefron
=> niet-gefilterd bloed (O2-rijk) gaat naar efferente arteriolen
Veneus bloed (O2-arm) verzamelt in Vena renalis
1.1.2 structuur van nefron
1. Afferente arteriole
2. Kapsel van Bowman
3. Glomerulus
4. Proximale tubulus
5. Efferente arteriole
6. Waterdoorlaatbaar dalend deel van de lis
van Henle
7. Water impermeabel stijgend deel van de lis
van Henle
8. Distale tubulus
9. Verzamelbuisje (ducti colligentes)
Glomerulus > capillair netwerk met kapsel van
Bowman
Tubulus > lusvormige buis
Verzamelbuisjes collecteren urine uit verschillende
nefronen
1.1.3 macroscopisch uitzicht van de nier
Buitenkant => cortex
=> korrelige structuur door aanwezigheid van glomeruli
Medulla (merg)
=> gestreepte structuur door convergerende lissen van Henle en ducti colligentis
=> vormen samen nierpyramiden
Nierpapillen
=> urine druppelt hier uit de nierpyramiden in de nierkelk (calyx)
Nierkelken komen samen in nierbekken (pelvis)
=> urine vanaf hieruit via urineleider (ureter) naar blaas
Via urinebuis (urethra) uit het lichaam
1.2 algemene waterhuishouding
Water komt voor 50-70% voor in ons lichaam
Overgang van water tussen verschillende compartimenten wordt gemedieerd door:
1
Ophouden
, - Osmotische, oncotische krachten = colloïd osmotische druk van bloedplasma
- Hydraulische druk
- Aanwezighied van actieve pompen
Extracellulaire vloeistoffen
=> samenstelling die aanleunt bij zeewater => NaCl
Verdere onderverdeling:
- Interstitieel compartiment: vocht tussen cellen
- Plasmacompartiment
- Transcellulair compartiment: vocht dat gevangen zit
Plasmaconcentratie wordt constant gehouden door de nieren
=> vooral plasma osmolariteit en wordt vooral bepaald door NaCl
Inname zout zorgt voor retentie van water en stimulatie van dorstgevoel door ADH
nier zal overmaat aan zout proberen te excreteren door activatie van ANP (atrial
natriuretic peptide) en inhibitie van RAAS (renine-angiotensine-aldosterol systeem)
Intracellulaire vloeistoffen
=> KCl-rijk
Dit wordt constant gehouden via actieve pompen in het membraan
Beweging water wordt bepaald door zoutbalansen
=> beweging vn water is secundair fenomeen
180L primaire urine gevormd per dag thv glomeruli
=> proximale tubuli en afdalende tak reabsorberen groot deel
> passieve reabsorbatie, water volgt actief de gereabsorbeerde elementen door
osmotische krachten
Opstijgende tak en distale tubuli => impermeabel voor water
Permeabiliteit van verzamelbuisjes is sterk variabel en regeling gebeurt via ADH
Dagelijkse exretie van 600 mOsmolen2 afvallenstoffen via urine
1,5L diurese per dag
=> 400 mOsm/L urine
Maximale diurese = 20L urine => 30 mOsm/L
minimale diurese = 0,5L urine => 1200 mOsm/L
Cortico-medullaire osmotische gradiënt en ADH bepalen de concetratie van urine in de
nieren
1.2.1 de cortica-medullare osmotische gradiënt
Peritubulair neemt osmolariteit progressief toe
=> cortex = 300 mOsm/L
=> papier = 1200 mOsm/L
Deze gradiënt berust op 3 eigenschappen van nefron:
- Actieve reabsorptie van elektrolyten
2
Hoeveelheid osmotische actieve deeltjes