Samenvatting college 1 hoofdstuk 1 en 2
Het is belangrijk om het ontwikkelingsperspectief en de normale
ontwikkeling van kinderen mee te nemen. Dit kan worden ingedeeld in drie
etappes:
Vroege kindertijd, midden kindertijd, adolescentie
Bepaalde problemen horen bij een bepaalde leeftijd. We gaan dan niet
gelijk zeggen dat dit duidt op een verstoorde ontwikkeling. Je moet dus de
leeftijd van het kind weten, voor je een stap verder kan gaan. De volgende
kenmerken zijn aangegeven per leeftijd:
Vroege kindertijd (0-6):
- Bedplassen
- Driftbuien
- Separatie-angst
Midden kindertijd (6-12):
- Bang in donker
- Beweeglijk
Adolescentie (12-18):
- Experimenteren
- Grenzen verkennen
- Stemmingswisselingen
Je kunt ook vanuit het ontwikkelingsperspectief kijken vanaf welke leeftijd
bepaalde stoornissen ontstaan. Het is niet zo dat bepaalde stoornissen
niet eerder tot uiting kunnen komen, maar dit is neuro-typisch.
Vroege kindertijd:
- ASS
Midden kindertijd:
- ODD/CD
- Angststoornissen
Adolescentie:
- Stemmingsstoornissen
- Eetstoornissen
- Schizofrenie
Hoofdstuk 1 Introductie
1
,1.1 Wat is ontwikkelingspsychopathalogie?
Pyschopathalogie is de wetenschap waarin psychische stoornissen
worden bestudeerd. Deelonderwerpen zijn het vóórkomen, de prevalentie,
het ontstaan, het onderscheid tussen en de behandeling van stoornissen.
In de ontwikkelingspsychopathalogie worden het ontstaan en het beloop
van psychische stoornissen onderzocht. Ontwikkeling is daarbij het
centrale begrip het gaat om het begrijpen van het proces en niet zo
zeer om een momentopname.
De ontwikkelingspsychopathalogie combineert meerdere inzichten.
(Bij de ontwikkeling van psychische stoornissen):
ontwikkelingspsychologie; klinische psychologie; (ortho)pedagogiek;
biologie; (kinder)psychiatrie; sociologie; culturele antropologie;
epidemiologie
Binnen de ontwikkelingspsychopathalogie is er sprake van integratie
tussen psychologie; pedagogiek; ontwikkelingspsychologie; biologie
Tegenwoordig heeft 10% van de kinderen een psychische stoornis
Tijdens de adolescentie komen stoornissen vaker voor dan bij de vroege-
en midden kindertijd. Dit heeft ook biologische redenen, namelijk dat
sommige stoornissen pas in de adolescentiefase tot uiting komen.
Psychische stoornissen komen vaker voor bij jongens, vanwege het XY-
chromosoom. Als het problematische type gen op het X chromosoom (1
van beiden zit), dan kunnen ze niet compenseren omdat ze er dus maar 1
hebben.
Wanneer sprake van (ontwikkelings)psychopathologie?
a. Klachten:
- Lichamelijk functioneren
- Gedrag
- Emoties
- Cognities
- Relaties
Wanneer (ontwikkelings)psychopathologie? Dit moet je uit je hoofd kennen
b. Wanneer klachten:
- Niet passen bij de leeftijd
- Niet/zeer moeilijk te corrigeren zijn
- Het algemeen functioneren ernstig nadelig beïnvloeden
- Het kind zelf en/of de omgeving doen lijden
- Uiteindelijk mogelijk ontwikkeling doen stagneren
1.1.1 Vroeger en nu
2
,In de ontwikkelingspsychopathalogie wordt de
ontwikkelingsbenadering toegepast. Men gaat uit van het idee dat
gedrag in de loop van iemands leven verandert, complexer wordt. Vooral
de organisatie van het gedrag blijkt te veranderen: emotie, cognitie,
gedrag, lichamelijk functioneren en gezondheid. Als één aspect verandert,
veranderen andere mogelijkheden mee en verandert dus ook het geheel
de hele persoon.
De relatie tussen vroegere en huidige ervaringen zijn een wisselwerking
iemand neemt vroegere ervaringen altijd mee en deze beïnvloeden hoe hij
in het heden staat. De huidige ervaringen beïnvloeden weer hoe iemand
terugkijkt op het verleden.
De theorie van ontwikkelingsopgaven is een uitgangspunt om de
ontwikkeling van kinderen te beschrijven: een kind moet in elke
leeftijdsfase bepaalde opgaven zien te volbrengen. Als dergelijke
vaardigheden niet goed worden verworven, wordt de kans op latere
problemen groter.
1.1.2 Een dynamisch gezichtspunt
Afwijkend gedrag/psychische stoornis wordt niet als statisch gezien (je
hebt het of je hebt het niet), maar als dynamisch (je kunt er soms last van
hebben en vaak niet of soms een beetje en dan juist weer heel veel).
1.1.3 Een uniek individu met unieke ervaringen
Op het ontstaan en beloop van gedrag zijn altijd meerdere factoren van
invloed. Vaak zijn factoren die het ontstaan van gedrag beïnvloeden
anders dan welke het gedrag in stand houden, en die kunnen weer
verschillen van factoren die het gedrag verergeren. De ontwikkeling van
het kind wordt beïnvloed door omgevingsinvloeden vanuit het kind, het
gezin en zijn omgeving.
1.3.3 Kenmerken van stoornissen
Differentiaaldiagnose: op welke andere stoornissen kunnen de
besproken stoornissen lijken?
Comorbiditeit: met welke andere problematiek en stoornissen kunnen ze
samengaan
Prevalentie: hoe vaak komt een stoornis voor
1.3.4 Maatschappelijke en culturele invloeden op een stoornis
Cultuur kan de kans op bepaald gedrag vergroten of verkleinen. Ook kan
een bepaalde stoornis verschillend tot uiting komen in uiteenlopende
culturen. Belangrijk om te beseffen dat culturen niet statisch zijn, maar
dynamisch.
Cultuur heeft ook invloed, doordat bepaalde normen en waarden de wijze
waarop volwassenen bepaald gedrag beoordelen beïnvloedt.
Cultuur beïnvloedt ook de attributie van het gedrag. Attributie is de
oorzakelijke interpretatie van het gedrag.
Wees je ervan bewust dat het gaat over jouw match met de omgeving en
dat je dan kan spreken van een stoornis. Het is belangrijk om te realiseren
3
, dat de DSM is ontwikkeld in West-Europa en Noord-Amerika en dat het
daar dus ook op is gebaseerd qua cultuur. Dit is niet klakkeloos toe te
passen op andere culturen.
Hoofdstuk 2: Classificatiesystemen
2.1 Inleiding
Classificatiesystemen: zijn systematische beschrijvingen van gedrag op
basis van door wetenschappers onderscheiden en gegroepeerde
gedragskenmerken, met als doel gedrag in te delen.
Diagnostiek: naast de kenmerken wordt er gekeken of een kind lijdt
onder de problemen, behoefte heeft aan hulp of zorg en wel of niet
optimaal functioneert. Het antwoord op de vraag ‘hoe is een stoornis
ontstaan?’ wordt onderzocht bij diagnostiek.
De vraag ‘hoeveel kinderen hebben deze problemen?’ wordt door middel
van epidemiologisch onderzoek beantwoordt. Ook hierbij is interesse in
de oorzaak.
2.2 Classificatie
Classificatiesystemen
Een classificatiesysteem haalt het probleem uit een hele casus en schrijft
dit heel compact op. Volgens DSM 5 ziet het er dan bijvoorbeeld zo uit:
ADHD, afwezigheid & verslaving vader, schoolprobleem (V62.3), ernstig,
55%
Het percentage gaat dan over het niveau van functioneren. Bij DSM5 is het
hoe hoger het percentage, hoe slechter het functioneren. Bij DSM4 was dit
omgekeerd.
2 veelgebruikte systemen:
1. International Classification of Diseases (ICD) nu ICD-11. WHO =
World Health Organization
2. Diagnostic and Statistical Manual of the mental disorders (DSM)
APA= American Psychiatric Association
Ze zijn tot stand gekomen op basis van consensus tussen experts
Ze verwijzen ook naar elkaar, worden vertaald naar elkaar
ICD-11 is nieuwer. Dus er zijn ook wel verschillen. Ze worden wel vaak
samen gebruikt.
Voordelen van classificatiesystemen:
- Duidelijke beschrijving kern problematiek
- Internationale eenduidigheid (onderzoek, onderwijs, beleid,
communicatie)
- Richtinggevend voor behandeling
Beperkingen:
- Informatie sterk gereduceerd
- Categoriale indeling
- Suboptimale basis voor behandeling
4
Het is belangrijk om het ontwikkelingsperspectief en de normale
ontwikkeling van kinderen mee te nemen. Dit kan worden ingedeeld in drie
etappes:
Vroege kindertijd, midden kindertijd, adolescentie
Bepaalde problemen horen bij een bepaalde leeftijd. We gaan dan niet
gelijk zeggen dat dit duidt op een verstoorde ontwikkeling. Je moet dus de
leeftijd van het kind weten, voor je een stap verder kan gaan. De volgende
kenmerken zijn aangegeven per leeftijd:
Vroege kindertijd (0-6):
- Bedplassen
- Driftbuien
- Separatie-angst
Midden kindertijd (6-12):
- Bang in donker
- Beweeglijk
Adolescentie (12-18):
- Experimenteren
- Grenzen verkennen
- Stemmingswisselingen
Je kunt ook vanuit het ontwikkelingsperspectief kijken vanaf welke leeftijd
bepaalde stoornissen ontstaan. Het is niet zo dat bepaalde stoornissen
niet eerder tot uiting kunnen komen, maar dit is neuro-typisch.
Vroege kindertijd:
- ASS
Midden kindertijd:
- ODD/CD
- Angststoornissen
Adolescentie:
- Stemmingsstoornissen
- Eetstoornissen
- Schizofrenie
Hoofdstuk 1 Introductie
1
,1.1 Wat is ontwikkelingspsychopathalogie?
Pyschopathalogie is de wetenschap waarin psychische stoornissen
worden bestudeerd. Deelonderwerpen zijn het vóórkomen, de prevalentie,
het ontstaan, het onderscheid tussen en de behandeling van stoornissen.
In de ontwikkelingspsychopathalogie worden het ontstaan en het beloop
van psychische stoornissen onderzocht. Ontwikkeling is daarbij het
centrale begrip het gaat om het begrijpen van het proces en niet zo
zeer om een momentopname.
De ontwikkelingspsychopathalogie combineert meerdere inzichten.
(Bij de ontwikkeling van psychische stoornissen):
ontwikkelingspsychologie; klinische psychologie; (ortho)pedagogiek;
biologie; (kinder)psychiatrie; sociologie; culturele antropologie;
epidemiologie
Binnen de ontwikkelingspsychopathalogie is er sprake van integratie
tussen psychologie; pedagogiek; ontwikkelingspsychologie; biologie
Tegenwoordig heeft 10% van de kinderen een psychische stoornis
Tijdens de adolescentie komen stoornissen vaker voor dan bij de vroege-
en midden kindertijd. Dit heeft ook biologische redenen, namelijk dat
sommige stoornissen pas in de adolescentiefase tot uiting komen.
Psychische stoornissen komen vaker voor bij jongens, vanwege het XY-
chromosoom. Als het problematische type gen op het X chromosoom (1
van beiden zit), dan kunnen ze niet compenseren omdat ze er dus maar 1
hebben.
Wanneer sprake van (ontwikkelings)psychopathologie?
a. Klachten:
- Lichamelijk functioneren
- Gedrag
- Emoties
- Cognities
- Relaties
Wanneer (ontwikkelings)psychopathologie? Dit moet je uit je hoofd kennen
b. Wanneer klachten:
- Niet passen bij de leeftijd
- Niet/zeer moeilijk te corrigeren zijn
- Het algemeen functioneren ernstig nadelig beïnvloeden
- Het kind zelf en/of de omgeving doen lijden
- Uiteindelijk mogelijk ontwikkeling doen stagneren
1.1.1 Vroeger en nu
2
,In de ontwikkelingspsychopathalogie wordt de
ontwikkelingsbenadering toegepast. Men gaat uit van het idee dat
gedrag in de loop van iemands leven verandert, complexer wordt. Vooral
de organisatie van het gedrag blijkt te veranderen: emotie, cognitie,
gedrag, lichamelijk functioneren en gezondheid. Als één aspect verandert,
veranderen andere mogelijkheden mee en verandert dus ook het geheel
de hele persoon.
De relatie tussen vroegere en huidige ervaringen zijn een wisselwerking
iemand neemt vroegere ervaringen altijd mee en deze beïnvloeden hoe hij
in het heden staat. De huidige ervaringen beïnvloeden weer hoe iemand
terugkijkt op het verleden.
De theorie van ontwikkelingsopgaven is een uitgangspunt om de
ontwikkeling van kinderen te beschrijven: een kind moet in elke
leeftijdsfase bepaalde opgaven zien te volbrengen. Als dergelijke
vaardigheden niet goed worden verworven, wordt de kans op latere
problemen groter.
1.1.2 Een dynamisch gezichtspunt
Afwijkend gedrag/psychische stoornis wordt niet als statisch gezien (je
hebt het of je hebt het niet), maar als dynamisch (je kunt er soms last van
hebben en vaak niet of soms een beetje en dan juist weer heel veel).
1.1.3 Een uniek individu met unieke ervaringen
Op het ontstaan en beloop van gedrag zijn altijd meerdere factoren van
invloed. Vaak zijn factoren die het ontstaan van gedrag beïnvloeden
anders dan welke het gedrag in stand houden, en die kunnen weer
verschillen van factoren die het gedrag verergeren. De ontwikkeling van
het kind wordt beïnvloed door omgevingsinvloeden vanuit het kind, het
gezin en zijn omgeving.
1.3.3 Kenmerken van stoornissen
Differentiaaldiagnose: op welke andere stoornissen kunnen de
besproken stoornissen lijken?
Comorbiditeit: met welke andere problematiek en stoornissen kunnen ze
samengaan
Prevalentie: hoe vaak komt een stoornis voor
1.3.4 Maatschappelijke en culturele invloeden op een stoornis
Cultuur kan de kans op bepaald gedrag vergroten of verkleinen. Ook kan
een bepaalde stoornis verschillend tot uiting komen in uiteenlopende
culturen. Belangrijk om te beseffen dat culturen niet statisch zijn, maar
dynamisch.
Cultuur heeft ook invloed, doordat bepaalde normen en waarden de wijze
waarop volwassenen bepaald gedrag beoordelen beïnvloedt.
Cultuur beïnvloedt ook de attributie van het gedrag. Attributie is de
oorzakelijke interpretatie van het gedrag.
Wees je ervan bewust dat het gaat over jouw match met de omgeving en
dat je dan kan spreken van een stoornis. Het is belangrijk om te realiseren
3
, dat de DSM is ontwikkeld in West-Europa en Noord-Amerika en dat het
daar dus ook op is gebaseerd qua cultuur. Dit is niet klakkeloos toe te
passen op andere culturen.
Hoofdstuk 2: Classificatiesystemen
2.1 Inleiding
Classificatiesystemen: zijn systematische beschrijvingen van gedrag op
basis van door wetenschappers onderscheiden en gegroepeerde
gedragskenmerken, met als doel gedrag in te delen.
Diagnostiek: naast de kenmerken wordt er gekeken of een kind lijdt
onder de problemen, behoefte heeft aan hulp of zorg en wel of niet
optimaal functioneert. Het antwoord op de vraag ‘hoe is een stoornis
ontstaan?’ wordt onderzocht bij diagnostiek.
De vraag ‘hoeveel kinderen hebben deze problemen?’ wordt door middel
van epidemiologisch onderzoek beantwoordt. Ook hierbij is interesse in
de oorzaak.
2.2 Classificatie
Classificatiesystemen
Een classificatiesysteem haalt het probleem uit een hele casus en schrijft
dit heel compact op. Volgens DSM 5 ziet het er dan bijvoorbeeld zo uit:
ADHD, afwezigheid & verslaving vader, schoolprobleem (V62.3), ernstig,
55%
Het percentage gaat dan over het niveau van functioneren. Bij DSM5 is het
hoe hoger het percentage, hoe slechter het functioneren. Bij DSM4 was dit
omgekeerd.
2 veelgebruikte systemen:
1. International Classification of Diseases (ICD) nu ICD-11. WHO =
World Health Organization
2. Diagnostic and Statistical Manual of the mental disorders (DSM)
APA= American Psychiatric Association
Ze zijn tot stand gekomen op basis van consensus tussen experts
Ze verwijzen ook naar elkaar, worden vertaald naar elkaar
ICD-11 is nieuwer. Dus er zijn ook wel verschillen. Ze worden wel vaak
samen gebruikt.
Voordelen van classificatiesystemen:
- Duidelijke beschrijving kern problematiek
- Internationale eenduidigheid (onderzoek, onderwijs, beleid,
communicatie)
- Richtinggevend voor behandeling
Beperkingen:
- Informatie sterk gereduceerd
- Categoriale indeling
- Suboptimale basis voor behandeling
4