Hoofdstuk 5. Bewijs
1. Bewijslast
Het hebben van een recht volstaat niet: wanneer het bestaan of de
omvang ervan wordt betwist, moet het bewijs worden geleverd. Het
bewijsrecht is geregeld in Boek 8 van het nieuw Burgerlijk Wetboek.
De rechter blijft in principe passief: hij onderzoekt niet zelf de feiten, maar
beoordeelt het bewijsmateriaal dat door de partijen wordt aangebracht.
Sinds november 2020 kan de rechter echter, op grond van art. 8.4 NBW,
uitzonderlijk de bewijslast anders verdelen wanneer de toepassing van de
klassieke regels kennelijk onredelijk zou zijn, en dit nadat alle nuttige
onderzoeksmaatregelen zijn overwogen.
De bewijslast bepaalt wie het bewijs moet leveren. Dit is vaak
doorslaggevend: als geen van beide partijen kan bewijzen, verliest degene
die de bewijslast draagt.
Het nieuw artikel 8.4 NBW hanteert een bredere en modernere formulering
dan de vroegere regels (art. 870 Ger.W. en art. 1315 oud BW) en bevestigt
het basisprincipe “wie beweert, moet bewijzen” in twee luiken:
1. Art. 8.4, lid 1 NBW: hij die meent een ander in rechte te kunnen
aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die aan
zijn vordering ten grondslag liggen.
2. Art. 8.4, lid 2 NBW: hij die beweert bevrijd te zijn (bv. door betaling
of een gebrek), moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die die
bevrijding aantonen.
Voorbeeld:
- De verkoper die betaling vordert, moet het bestaan van de
verkoopovereenkomst en de levering bewijzen.
- De koper moet bewijzen dat hij betaald heeft of dat de
koopwaar gebrekkig was.
Daarnaast moet rekening worden gehouden met wettelijke vermoedens,
die de bewijslast kunnen omkeren. Beide partijen zijn bovendien verplicht
om mee te werken aan de bewijsvoering, onder meer door relevante
stukken voor te leggen die enkel zij bezitten (art. 8.4 NBW).
Wat moet bewezen worden?
De bewijslast heeft enkel betrekking op feiten en rechtshandelingen.
- Rechtsregels hoeven niet bewezen te worden: iedereen wordt
geacht de wet te kennen, ook de rechter.
1. Bewijslast
Het hebben van een recht volstaat niet: wanneer het bestaan of de
omvang ervan wordt betwist, moet het bewijs worden geleverd. Het
bewijsrecht is geregeld in Boek 8 van het nieuw Burgerlijk Wetboek.
De rechter blijft in principe passief: hij onderzoekt niet zelf de feiten, maar
beoordeelt het bewijsmateriaal dat door de partijen wordt aangebracht.
Sinds november 2020 kan de rechter echter, op grond van art. 8.4 NBW,
uitzonderlijk de bewijslast anders verdelen wanneer de toepassing van de
klassieke regels kennelijk onredelijk zou zijn, en dit nadat alle nuttige
onderzoeksmaatregelen zijn overwogen.
De bewijslast bepaalt wie het bewijs moet leveren. Dit is vaak
doorslaggevend: als geen van beide partijen kan bewijzen, verliest degene
die de bewijslast draagt.
Het nieuw artikel 8.4 NBW hanteert een bredere en modernere formulering
dan de vroegere regels (art. 870 Ger.W. en art. 1315 oud BW) en bevestigt
het basisprincipe “wie beweert, moet bewijzen” in twee luiken:
1. Art. 8.4, lid 1 NBW: hij die meent een ander in rechte te kunnen
aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die aan
zijn vordering ten grondslag liggen.
2. Art. 8.4, lid 2 NBW: hij die beweert bevrijd te zijn (bv. door betaling
of een gebrek), moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die die
bevrijding aantonen.
Voorbeeld:
- De verkoper die betaling vordert, moet het bestaan van de
verkoopovereenkomst en de levering bewijzen.
- De koper moet bewijzen dat hij betaald heeft of dat de
koopwaar gebrekkig was.
Daarnaast moet rekening worden gehouden met wettelijke vermoedens,
die de bewijslast kunnen omkeren. Beide partijen zijn bovendien verplicht
om mee te werken aan de bewijsvoering, onder meer door relevante
stukken voor te leggen die enkel zij bezitten (art. 8.4 NBW).
Wat moet bewezen worden?
De bewijslast heeft enkel betrekking op feiten en rechtshandelingen.
- Rechtsregels hoeven niet bewezen te worden: iedereen wordt
geacht de wet te kennen, ook de rechter.