Deel 1: inleiding tot het recht
Hoofdstuk 1: inleiding
1.1 Wat is recht
Vraagtype: grote vraag, meerkeuzevraag
Recht is een geheel van gedragsregels en normen die voor iedereen
gelden. Die regels zijn er om het samenleven te ordenen en ze zijn
afdwingbaar.
a. Geheel van gedragsregels en normen
Soorten rechtsregels
Verbodsbepalingen, niet mogen. Voorbeeld, verbod om diefstal te
plegen.
Gebodsbepalingen, moeten. Voorbeeld, fiscale aangifte in een
nalatenschap.
Machtigende bepalingen, mogen. Voorbeeld, retentierecht, je houdt
een herstelde wagen bij tot betaling.
Dwingend recht, aanvullend recht, openbare orde
Dwingend recht: bescherming van de zwakkere partij, de relatie is
niet in evenwicht. Voorbeeld, werkgever en werknemer, consument
en professionele verkoper, huurder en verhuurder. Je kan er niet van
afwijken. De zwakkere partij kan dit inroepen.
Openbare orde: zwaardere vorm van dwingend recht. Dit raakt de
fundamenten van de samenleving, moraliteit, sociale orde, goede
zeden. De rechter kan dit zelf opwerpen, ook als niemand het
vraagt. Voorbeelden die vaak terugkomen, strafrecht, 10 jarige
aansprakelijkheid van aannemers en architecten.
Aanvullend of suppletief recht: dit vult aan als partijen niets anders
afspreken. Je mag afwijken door een afspraak. Voorbeeld, in een
huurovereenkomst kan je afspreken dat de huurder instaat voor
kleine herstellingen.
b. Opgelegd door de overheid
Recht komt niet uit beleefdheid of fatsoen, maar uit regels die door de
overheid worden opgelegd. Dat kan via internationale verdragen en EU
regels. In België leggen verschillende niveaus regels op, federaal,
gemeenschappen, gewesten, provincies, steden en gemeenten.
c. Om het maatschappelijk leven te ordenen
Zonder regels krijg je chaos. Denk aan verkeer zonder wegcode, of handel
zonder afspraken over betaling en levering.
d. Afdwingbaar
Er bestaat handhaving. Als je de regel niet volgt, kan er een sanctie
komen, straf, boete, schadevergoeding, nietigheid, of een andere
juridische gevolgen. Dit onderscheidt rechtsregels van fatsoensregels.
Vergelijking die vaak gevraagd wordt
Dwingend recht versus aanvullend recht
1
, DEEL 1 INLEIDING TOT HET RECHT
Dwingend: je kan niet afwijken, bescherming of openbare orde.
Aanvullend: je kan afwijken door contract of afspraak, de regel vult
enkel aan.
1.2 Klassieke indeling van het recht: publiekrecht versus
privaatrecht
Vraagtype: meerkeuzevraag.
Publiekrecht
Regels over het algemeen belang.
Relatie overheid en burgers, en regels over overheidsinstanties.
Voorbeelden van rechtstakken, staatsrecht, grondwettelijk recht,
administratief recht, strafrecht, strafprocesrecht, fiscaal recht.
Ook internationaal recht, dit regelt verhoudingen tussen staten en
internationale organisaties. Europees recht is hieruit gegroeid tot
een aparte en sterke discipline.
Privaatrecht
Regels tussen burgers onderling, in het belang van particulieren.
Burgers bepalen zelf of ze naar de rechter stappen, bijvoorbeeld bij
een conflict over een contract.
Voorbeelden, personen en familierecht, verbintenissen en
contractenrecht.
Gemengd karakter
Sommige rechtstakken hebben zowel publiekrechtelijke als
privaatrechtelijke kanten.
Voorbeelden, economisch recht, sociaal recht, milieurecht,
vennootschapsrecht.
Vergelijking die vaak gevraagd wordt
Publiekrecht versus privaatrecht
Publiekrecht: overheid staat centraal, algemeen belang, vaak
verplichte handhaving.
Privaatrecht: burgers onderling, particulier belang, initiatief ligt bij de
burger.
1.3 Bronnen van het recht: hiërarchie van rechtsbronnen
Vraagtype: grote vraag, meerkeuzevraag.
Rechtsbronnen zijn waar rechtsregels vandaan komen. Je maakt ook een
onderscheid tussen algemeen bindend recht en niet bindend recht.
Algemeen bindend recht, 12 bronnen, met hiërarchie
Internationale verdragen
Bijvoorbeeld mensenrechtenverdragen van de VN.
Ook EVRM, dit is van de Raad van Europa, niet van de EU.
Europese regelgeving
EU verdragen
Hoogste EU norm, bindende afspraken tussen lidstaten.
2
, DEEL 1 INLEIDING TOT HET RECHT
Voorbeeld, Verdrag van Maastricht, dit legde de basis voor de EU en
de euro en introduceerde Europees burgerschap.
EU verordeningen
Directe werking, gelden onmiddellijk en op dezelfde manier in alle
lidstaten.
Voorbeeld, AVG of GDPR.
EU richtlijnen
Lidstaten moeten de richtlijn binnen een termijn omzetten naar
nationale regels.
Voorbeeld, e invoicing, facturen via een netwerk zoals Peppol.
EU besluiten
Alleen bindend voor wie het besluit gericht is. De uitwerking kan
nadien gebeuren via verordeningen of richtlijnen.
Belgische Grondwet
Hoogste nationale norm.
Bevat basisregels van staatsorganisatie en democratie,
bevoegdheidsverdeling, en fundamentele rechten en vrijheden.
Belangrijke artikels die vaak terugkomen, art. 10 gelijkheidsbeginsel,
art. 11 discriminatieverbod.
Wijzigen is moeilijk door een speciale procedure, art. 195.
Bijzondere wetten
Werken grondwettelijke principes over de staatsstructuur verder uit.
Wetten in de strikte zin, decreten, ordonnanties
Wet in strikte zin, komt tot stand via het federaal parlement.
Decreten en ordonnanties komen van deelstaten, afhankelijk van
bevoegdheid.
Koninklijke besluiten en besluiten van deelregeringen
Uitvoerende macht werkt regels uit binnen de grenzen van hogere
normen.
Ministeriële besluiten
Provinciale en gemeentelijke reglementen, lokale verordeningen
Ook algemeen bindend, maar niet opgenomen als wetgeving in de
ruime zin
9. Gewoonterecht
Herhaald gebruik dat juridisch bindend wordt aanvaard.
Ongeschreven, en mag niet botsen met geschreven regels.
Algemene rechtsbeginselen
Fundamentele principes achter het recht, zoals redelijkheid,
billijkheid en rechtszekerheid.
Voorbeelden, iedereen wordt geacht de wet te kennen, vermoeden
van onschuld, recht op verdediging, onpartijdigheid,
motiveringsplicht, goede trouw, vertrouwensbeginsel.
3
, DEEL 1 INLEIDING TOT HET RECHT
Niet bindend recht
11. Rechtspraak
Interpretatie en toepassing van rechtsregels.
Vonnissen bij lagere rechtbanken, arresten bij hogere rechtscolleges.
Begrip vaste rechtspraak, dezelfde lijn in meerdere uitspraken.
Rechtsleer
Doctrine, opvattingen van rechtsgeleerden, zoals professoren,
advocaten, handboeken, artikels.
Hiërarchie en rechtszekerheid
Een lagere norm mag nooit in strijd zijn met een hogere norm.
Dit is een kernidee voor examen, je kan hiermee conflicten tussen
regels oplossen.
Vergelijkingen die vaak gevraagd worden
Wetgeving in strikte zin versus wetgeving in ruime zin
Strikte zin: wetten die via het federaal parlement tot stand komen.
Ruime zin: alle geschreven regelgeving samen, zoals wetten,
decreten, ordonnanties, KB’s, MB’s en lokale verordeningen.
EU verordening versus EU richtlijn
Verordening: onmiddellijk en rechtstreeks geldig in elke lidstaat.
Richtlijn: doel is bindend, maar lidstaten moeten dit eerst omzetten
naar nationale regels.
Hoofdstuk 2: de Belgische staatsstructuur
2.1 Principes van de Belgische staat en politieke instellingen
Vraagtype: grote vraag, meerkeuzevraag.
België is een indirecte representatieve democratie
Burgers kiezen vertegenwoordigers.
De Kamer van Volksvertegenwoordigers bestaat uit rechtstreeks
verkozen vertegenwoordigers.
Dit is anders dan directe democratie, zoals een referendum of
volksraadpleging, waar burgers zelf over een voorstel stemmen.
Scheiding der machten
Idee van Montesquieu.
Wetgevende macht, maakt wetten en grote regels.
Uitvoerende macht, voert uit en maakt besluiten binnen de wet.
Rechterlijke macht, past regels toe en beslecht conflicten.
Doel, controle en beperking, geen machtsmisbruik, geen dictatuur,
tirannie of politiestaat.
Dit geldt op alle niveaus, federaal, deelstaten, provincies,
gemeenten.
Rechtsstaat
Overheid en burgers hebben rechten en plichten.
Geen willekeur, er zijn regels en controle.
4