4.1: Basisbegrippen
Basisinzichten:
verwerven door meetervaringen om inzicht te verkrijgen in het proces van meten (start
al in kleuterklas)
• Conservatiebegrip (bepaalde handelingen veranderen niets aan de grootte van
iets)
• Meten = afpassen van een maateenheid
Fundamentele denkstructuren:
• Classificatie
• Seriatie
Seriëren
Bij seriëren ken je een bepaalde volgorde toe, bijvoorbeeld van klein naar groot, of van
veel naar weinig.
Classificeren
Classificeren betekent het groeperen (van voorwerpen) volgens een
gemeenschappelijk kenmerk, steeds verder, zodat je klassen en deelklassen vormt.
Classificeren is dus ruimer dan enkel sorteren.
Meetleerlijn
,Kwalitatief meten:
= meten zonder getallen
• Direct vergelijken: bijv. verschillende gewichten met de hand vergelijken: dit is
zwaarder dan….
• Indirect vergelijken (met een hulpmiddel): bijv. verschillende lengtes vergelijken
met een stuk touw: dit is langer dan….
Kwalitatief meten: vergelijken
• 2 voorwerpen met elkaar vergelijken volgens een bepaalde grootheid
(eigenschap): lengte, gewicht, inhoud, oppervlakte …
• Geen meetinstrumenten, vergelijken zonder gebruik van maateenheden
• Rekentaal: - … is voller dan…
- … is langer
dan…
- … is zwaarder
dan …
• Soms is er een hulpmiddel
nodig
• Beseffen welke de Wezenlijke en niet-wezenlijke aspecten van een bepaalde
grootheid zijn
Kwalitatief meten: rangschikken
• Moeilijkere vorm: bepalen van een volgorde van meer dan 2 voorwerpen
volgens gewicht, lengte…
• Geen meetinstrumenten, geen maateenheden
• Rekentaal: - … van licht naar
zwaar …
- … van klein naar
groot …
• Kinderen leren strategieën
bedenken en uitvoeren:
, • twee aan twee vergelijken
• inschakelen van een hulpmiddel
Kwalitatief meten: samenstellen
• Voorwerpen kan je meten met behulp van andere
voorwerpen
• Geen meetinstrumenten, geen maateenheden
• Rekentaal: - … pakje A weegt evenveel als pakje B
en C samen…
- … de breedte van de kast is de lengte
van het langere touw plus de lengte van het
kortere touwtje
• Kinderen leren dat een lengte, inhoud, gewicht … samen te stellen is uit 2 of meer
lengten, gewichten, inhouden …
KWANTITATIEF METEN
• De grootte van een eigenschap van een
voorwerp druk je uit met een getal: het
maatgetal.
• Je wilt niet alleen weten welk voorwerp
het langst, het zwaarst, het warmst...
is, maar ook hoe lang, hoe zwaar,
hoe warm... een voorwerp is.
• Je kiest een maateenheid en je gaat
na hoeveel keer die maateenheid in
de te meten grootheid past.
Kwantitatief meten met natuurlijke maten
= meten met handen, vierkanten, blokken….
• Gebruik van een maatgetal: bijv. deze tafel is 10 handen lang.
• Nog geen standaard-maateenheden
Hoeveel keer gaat de gekozen natuurlijke maateenheid in de te meten
grootheid?
, Reden om lang genoeg met natuurlijke maateenheden te werken:
• Reeds ervaring mee (voeten bij petanque) beginsituatie
• Volgens historische ontwikkelingen
• Leefwereld (koffielepel siroop)
• Veel activiteiten mogelijk
• Vaardig en nauwkeurig leren meten
• Minder enge kijk (je kan ook meten met andere dingen dan standaardmaten)
• Creativiteit aanwakkeren om tot oplossingen te komen
Altijd eerst schatten dan pas meten!
Je kan ook zelf meetinstrumenten maken!
Belangrijk om goed te verwoorden:
• de inhoud van de pan is 4 kopjes water.
• De lengte van de muur is 12 voetstappen.
Kwantitatief meten met standaardmaten
= meten met cm, dm², kg...
• Gebruik van een maatgetal: bijv. deze tafel is 1 m lang.
Door verschillende meetactiviteiten uit te voeren ervaren de leerlingen dat 1
standaardmaateenheid niet altijd volstaat. (voorbeeld: de lengte van mijn
boekentas is minder dan 1m)
We moeten de maateenheden dus verfijnen!
Om nauwkeuriger te meten
Ook: kommagetallen vermijden
We verdelen de meeste maateenheden in 10 gelijke delen (decimaal), behalve tijd en
hoekgrootte (dankuwel, Babyloniërs!)
Belangrijke besluiten