2B EBP – kennisdoelen
, 1. De student beschrijft evidence based handelen in de logopedie:
Het gewetensvol, expliciet, en oordeelkundig gebruik van het huidige beste bewijsmateriaal
om beslissingen te nemen voor individuele patiënten.
2. De student beschrijft het verschil tussen klinische relevantie versus statistische significantie.
Verschil of verband is statistisch significant: wordt niet aan toevallige omstandigheden
toegeschreven is betekenisvol. Er is echter geen niet meteen praktisch significant: van
daadwerkelijke betekenis voor het betreffende onderwerp. Een statistisch significant verschil
hoeft praktisch gezien niet relevant te zijn.
3. De student kent de evidentie-piramide kan de verschillende soorten studies uitleggen en
beargumenteert de plek op piramide. De student benoemt de verschillende niveaus van
evidentie (Kalf & de Beer, 2011) met voorbeelden van soorten studies op ieder niveau:
a) RL (richtlijnen): bij elkaar gebrachte evidentie door
professionals om antwoord te geven op diverse klinische vragen.
b) SR (systematische review): RCT’s samenbrengen om tot een systematisch
literatuuroverzicht te komen. Meta analysis: systematisch literatuuroverzicht &
kwantitatieve samenvatting hiervan
c) RCT (randomized controlled trial): gerandomiseerd onderzoek met een controlegroep.
Het is dus een effectstudie.
d) Case-control onderzoek: vergelijken van patiënten (cases) met gezonde proefpersonen
(controls)
e) Case series: beschrijvingen van kleine aantallen patiënten
f) Kwalitatief onderzoek: onderzoek voor inzicht in gedragsveranderingen en processen
g) Fundamenteel onderzoek: hypothese ondersteunen of weerleggen
h) Expert opinions: ideeën en hypothese van deskundigen
4. De student kan onderscheid maken tussen veel voorkomende onderzoeksmethoden:
Kwantitatief en kwalitatief onderzoek
Kwantitatief: probeert werkelijkheid in getallen (numerieke data) te vatten.
o Zowel beschrijvend, explorerend als experimenteel
o Doel = a.d.h.v. frequenties zicht krijgen op de omvang van het probleem. Het
onderzoek beschrijft het probleem of de toestand; het zegt hoe vaak iets
voorkomt in een bepaald gebied of binnen een bepaalde context. Maakt gebruik
van gestandaardiseerde condities: vastgelegd wat/wanneer/wie er iets gaat
uitvoeren met het meetinstrument
o Dataverzameling = (lichamelijke) metingen, observaties met gestructureerde
categorieën, gestructureerde interviews, vragenlijsten met gesloten vragen,
enquête
Kwalitatief: probeert de werkelijkheid zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven.
o Meestal beschrijvend of explorerend
o Doel = aan de hand van ervaringen en belevenissen van mensen in een bepaalde
situatie meer te weten komen over hun opvattingen en inzichten. Gericht op in
kaart brengen van gedrag, beleving, achterliggende argumenten en motieven,
gevoelens etc.
o Dataverzameling = open/semi-gestructureerde interviews, vragenlijsten met
open vragen, observaties, teksten/literatuur lezen
2
, 1. De student beschrijft evidence based handelen in de logopedie:
Het gewetensvol, expliciet, en oordeelkundig gebruik van het huidige beste bewijsmateriaal
om beslissingen te nemen voor individuele patiënten.
2. De student beschrijft het verschil tussen klinische relevantie versus statistische significantie.
Verschil of verband is statistisch significant: wordt niet aan toevallige omstandigheden
toegeschreven is betekenisvol. Er is echter geen niet meteen praktisch significant: van
daadwerkelijke betekenis voor het betreffende onderwerp. Een statistisch significant verschil
hoeft praktisch gezien niet relevant te zijn.
3. De student kent de evidentie-piramide kan de verschillende soorten studies uitleggen en
beargumenteert de plek op piramide. De student benoemt de verschillende niveaus van
evidentie (Kalf & de Beer, 2011) met voorbeelden van soorten studies op ieder niveau:
a) RL (richtlijnen): bij elkaar gebrachte evidentie door
professionals om antwoord te geven op diverse klinische vragen.
b) SR (systematische review): RCT’s samenbrengen om tot een systematisch
literatuuroverzicht te komen. Meta analysis: systematisch literatuuroverzicht &
kwantitatieve samenvatting hiervan
c) RCT (randomized controlled trial): gerandomiseerd onderzoek met een controlegroep.
Het is dus een effectstudie.
d) Case-control onderzoek: vergelijken van patiënten (cases) met gezonde proefpersonen
(controls)
e) Case series: beschrijvingen van kleine aantallen patiënten
f) Kwalitatief onderzoek: onderzoek voor inzicht in gedragsveranderingen en processen
g) Fundamenteel onderzoek: hypothese ondersteunen of weerleggen
h) Expert opinions: ideeën en hypothese van deskundigen
4. De student kan onderscheid maken tussen veel voorkomende onderzoeksmethoden:
Kwantitatief en kwalitatief onderzoek
Kwantitatief: probeert werkelijkheid in getallen (numerieke data) te vatten.
o Zowel beschrijvend, explorerend als experimenteel
o Doel = a.d.h.v. frequenties zicht krijgen op de omvang van het probleem. Het
onderzoek beschrijft het probleem of de toestand; het zegt hoe vaak iets
voorkomt in een bepaald gebied of binnen een bepaalde context. Maakt gebruik
van gestandaardiseerde condities: vastgelegd wat/wanneer/wie er iets gaat
uitvoeren met het meetinstrument
o Dataverzameling = (lichamelijke) metingen, observaties met gestructureerde
categorieën, gestructureerde interviews, vragenlijsten met gesloten vragen,
enquête
Kwalitatief: probeert de werkelijkheid zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven.
o Meestal beschrijvend of explorerend
o Doel = aan de hand van ervaringen en belevenissen van mensen in een bepaalde
situatie meer te weten komen over hun opvattingen en inzichten. Gericht op in
kaart brengen van gedrag, beleving, achterliggende argumenten en motieven,
gevoelens etc.
o Dataverzameling = open/semi-gestructureerde interviews, vragenlijsten met
open vragen, observaties, teksten/literatuur lezen
2