~ H6: De lagere schoolleeftijd ~
Schoolkind: 6-12 jaar. Kenmerkend: evolutie op cognitief vlak, verbreden
sociale relaties ouders zijn niet langer exclusieve referentiefiguren.
LATENTIEFASE: driften => verborgen, meer impulscontrole & ‘rustigere
fase’. Ontwikkelingstaken: leren fysieke vaardigheden, sociale rol,
omgaan leeftijdsgenoten,… komt aanbod in 3 luik: biologische, cognitieve
& sociaal/affectieve ontwikkeling.
Zelfdeterminantietheorie (Deci & Ryan). 3 basisbehoeften:
autonomie: zelfstandig leerstof verwerken,… verbondenheid: goede
band met leerkrachten, vrienden,… competentie: goede punten halen,
leerstof begrijpen,… (ABC model) als er 1 vn 3 ontbreekt zal persoon zich
niet goed voelen. Behoeftedeprivatie: leerstof niet begrijpen
(moeilijkheden) = kind ongelukkig. Behoeftefrustratie: prestaties
afgekraakt (gevoel dat het nooit goed genoeg is).
Sublimatie: belangrijk defensiemechanisme => actief & energie
Reactieformatie: belangrijk defensiemechanisme => jongens zijn vies
6.1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
6.1.1. Lichamelijke veranderingen
Meer geleidelijk. Proportionele groei 5 – 7cm/jaar. Proportionele
gewichtstoename: 2 à 3 kg/j. meer balans & van melktanden
volwassengebit. Einde lager schoolleeftijd meisjes groter dn jongens.
Kugel maakt onderscheid: lichaamsplan: geheel van sensomotorische
schema’s (lopen, schrijven) is geautomatiseerd, we staan er niet bij stil.
Lichaamsbesef: kennis over eigen lichaam (ruimte) en stand van
lichaamsdelen. Lichaamsidee: oordelende over eigen lichaam (uiterlijk &
prestaties).
6.1.2. Neurologische veranderingen
Hersenen 5j 90% volgroeid. In kindertijd verdere hersenontwikkeling rond
executieve functies (oordeel & beslissing vermogen; impulscontrole;
cognitieve vaardigheden) speelt af in prefrontale cortex. Hersenen nog
plastisch neuronenverbindingen worden vlot gevormd => schoolkinderen
leren snel bij (andere taal, leerstof). Belang veilige & cognitief
stimulerende omgeving tijdens opgroeien. Zo niet:
overlevingsmechanismen & fight – flight modus dus geen ruimte voor
leergierigheid.
6.1.3. Motorische ontwikkeling
Grove: verdubbeling spierkracht, reactiesnelheid x2, evenwicht,
elasticiteit, actief = veiligheidsmaatregelen, uitbreiden gedrag = fietsen,
zwemmen.
, Fijne: vooruitgang tekenen, handen onafhankelijk vn elkaar gebruiken,
veters, gsm gebruik, oog-handcoördinatie & toegenomen reactiesnelheid,
mes en vork, muziekinstrument. Tekenstadium => visueel realisme (8-
9j) = herkenbaar & realistisch.
6.2. Waarneming en cognitieve ontwikkeling
Cognitieve stimulering al vnf peutertijd (verhaaltjes lezn). Vanaf ong 6 jaar:
belang van schoolrijpheid vh kind: schoolrijpheidstests maar vaak kritiek
(toetertest). Vaker inschatting door omgeving (klassenraad) eventueel
tussenstap met speelleerklas. Belang van: cognitieve vaardigheden
(taal & rekenen); (fijne)motoriek (schrijven); taalbegrip (instructie
taak); aandacht & concentratie; sociale vaardigheden
(samenwerken); emotieregulatie en frustratietolerantie (controle
emotie als kind wil spelen, controle frustratie als kind andere dingen wil
doen dan leerkracht zegt); taakrijpheid en werkhouding (taak
afwerken); zelfstandigheid (zelfstandig kunnen zijn).
Geboortemaandeffect niet bij iedereen zo.
6.2.1. Waarneming
Steeds beter: details, minder afgaan op eerste
indruk, oog voor geheel en delen, in staat tot
perceptuele regulaties = cognitieve processen om
in te grijpen op visueel materiaal.
Perceptuele regulaties van Elkind Piaget noemt
dit semilogische cognitieve processen: eerste
aanzet logica
Perceptuele exploratie: systematisch
overlopen en benoemen van figuren (waar is Wally) 7 verschillen
Perceptuele reorganisatie: gestaltswitsh maken bij ambigue figuren &
woordspelletjes (Rubin-vaas)
Perceptuele schematisering: figuur in globo & deelfiguren zien
6.2.2. Cognitie
CONCREET-OPERATIONEEL DENKEN (7-12j)
Operationeel: kan gedachten reguleren: denkstrategieën, mentale
manipulaties, acties op denk inhoud = beter logisch denken. Via
conservatieproeven blijken 3 ontwikkelingen:
DECENTRATIE
Niet meer op eerste zicht redeneren dus egocentrisch (intuïtief denken
verdwijnt) word decentratie. Verschillende factoren tegelijk in rekening
brengen.
OMKEERBAARHEID/REVERSIBILITEIT
Schoolkind: 6-12 jaar. Kenmerkend: evolutie op cognitief vlak, verbreden
sociale relaties ouders zijn niet langer exclusieve referentiefiguren.
LATENTIEFASE: driften => verborgen, meer impulscontrole & ‘rustigere
fase’. Ontwikkelingstaken: leren fysieke vaardigheden, sociale rol,
omgaan leeftijdsgenoten,… komt aanbod in 3 luik: biologische, cognitieve
& sociaal/affectieve ontwikkeling.
Zelfdeterminantietheorie (Deci & Ryan). 3 basisbehoeften:
autonomie: zelfstandig leerstof verwerken,… verbondenheid: goede
band met leerkrachten, vrienden,… competentie: goede punten halen,
leerstof begrijpen,… (ABC model) als er 1 vn 3 ontbreekt zal persoon zich
niet goed voelen. Behoeftedeprivatie: leerstof niet begrijpen
(moeilijkheden) = kind ongelukkig. Behoeftefrustratie: prestaties
afgekraakt (gevoel dat het nooit goed genoeg is).
Sublimatie: belangrijk defensiemechanisme => actief & energie
Reactieformatie: belangrijk defensiemechanisme => jongens zijn vies
6.1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
6.1.1. Lichamelijke veranderingen
Meer geleidelijk. Proportionele groei 5 – 7cm/jaar. Proportionele
gewichtstoename: 2 à 3 kg/j. meer balans & van melktanden
volwassengebit. Einde lager schoolleeftijd meisjes groter dn jongens.
Kugel maakt onderscheid: lichaamsplan: geheel van sensomotorische
schema’s (lopen, schrijven) is geautomatiseerd, we staan er niet bij stil.
Lichaamsbesef: kennis over eigen lichaam (ruimte) en stand van
lichaamsdelen. Lichaamsidee: oordelende over eigen lichaam (uiterlijk &
prestaties).
6.1.2. Neurologische veranderingen
Hersenen 5j 90% volgroeid. In kindertijd verdere hersenontwikkeling rond
executieve functies (oordeel & beslissing vermogen; impulscontrole;
cognitieve vaardigheden) speelt af in prefrontale cortex. Hersenen nog
plastisch neuronenverbindingen worden vlot gevormd => schoolkinderen
leren snel bij (andere taal, leerstof). Belang veilige & cognitief
stimulerende omgeving tijdens opgroeien. Zo niet:
overlevingsmechanismen & fight – flight modus dus geen ruimte voor
leergierigheid.
6.1.3. Motorische ontwikkeling
Grove: verdubbeling spierkracht, reactiesnelheid x2, evenwicht,
elasticiteit, actief = veiligheidsmaatregelen, uitbreiden gedrag = fietsen,
zwemmen.
, Fijne: vooruitgang tekenen, handen onafhankelijk vn elkaar gebruiken,
veters, gsm gebruik, oog-handcoördinatie & toegenomen reactiesnelheid,
mes en vork, muziekinstrument. Tekenstadium => visueel realisme (8-
9j) = herkenbaar & realistisch.
6.2. Waarneming en cognitieve ontwikkeling
Cognitieve stimulering al vnf peutertijd (verhaaltjes lezn). Vanaf ong 6 jaar:
belang van schoolrijpheid vh kind: schoolrijpheidstests maar vaak kritiek
(toetertest). Vaker inschatting door omgeving (klassenraad) eventueel
tussenstap met speelleerklas. Belang van: cognitieve vaardigheden
(taal & rekenen); (fijne)motoriek (schrijven); taalbegrip (instructie
taak); aandacht & concentratie; sociale vaardigheden
(samenwerken); emotieregulatie en frustratietolerantie (controle
emotie als kind wil spelen, controle frustratie als kind andere dingen wil
doen dan leerkracht zegt); taakrijpheid en werkhouding (taak
afwerken); zelfstandigheid (zelfstandig kunnen zijn).
Geboortemaandeffect niet bij iedereen zo.
6.2.1. Waarneming
Steeds beter: details, minder afgaan op eerste
indruk, oog voor geheel en delen, in staat tot
perceptuele regulaties = cognitieve processen om
in te grijpen op visueel materiaal.
Perceptuele regulaties van Elkind Piaget noemt
dit semilogische cognitieve processen: eerste
aanzet logica
Perceptuele exploratie: systematisch
overlopen en benoemen van figuren (waar is Wally) 7 verschillen
Perceptuele reorganisatie: gestaltswitsh maken bij ambigue figuren &
woordspelletjes (Rubin-vaas)
Perceptuele schematisering: figuur in globo & deelfiguren zien
6.2.2. Cognitie
CONCREET-OPERATIONEEL DENKEN (7-12j)
Operationeel: kan gedachten reguleren: denkstrategieën, mentale
manipulaties, acties op denk inhoud = beter logisch denken. Via
conservatieproeven blijken 3 ontwikkelingen:
DECENTRATIE
Niet meer op eerste zicht redeneren dus egocentrisch (intuïtief denken
verdwijnt) word decentratie. Verschillende factoren tegelijk in rekening
brengen.
OMKEERBAARHEID/REVERSIBILITEIT