~ H5: De kleutertijd ~
5.1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
5.1.1. Lichamelijke veranderingen
Hersenlateralisatie zal op plooi vallen door sterke
groei corpus callosum sterke samenwerking L-R.
vroeger dachten geen samenwerking L-R =>
holistische visie.
L= verbale taken (lezen praten) & sequentiële
verwerking gebied van Broca = productie taal.
R non-verbale taken (muziek emotie) & globale
verwerking & gebied van Wernicke = begrijpen van
taal.
Myelinisatie van neuronen: verderzetting: sneller
denken, veel meer verbindingen. Vorming myeline
vooral in thalamus & prefrontale cortex.
5.1.2. Motorische ontwikkeling
Specialisatie van reeds verworven vaardigheden
GROVE MOTORIEK
Stappen = volledig gecoördineerd & nieuwe variaties => rennen,
huppelen. Beter evenwicht = schoppen fietsen, hoe uitdagender hoe
beter.
FIJNE MOTORIEK
Motorische verfijning = puzzelen, mes & vork eten, voorkeurshand,
tekenen = belangrijk.
TEKENEN zie vb boek p. 228
Uit plezier, gevoelens uitdrukken, communicatiemiddel = therapeutisch
belang, zaken getoond die niet in woorden gezegd worden. Zicht op: fijne
motoriek, emoties, sociale relaties, cognitieve vaardigheden, ruimtelijk
inzicht & fantasie.
SOORTEN:
- Krabbelstadium: 2j: plezier in lijnen & krabbels = functielust.
- Toevallig realisme: 3j: krabbelen = onherkenbaar, waar peuter dan
aan denkt.
- Mislukt realisme: 3- 4j: krabbelen-planmatig-onherkenbaar: vooraf
plannen wat tekenen, mislukt om herkenbaar te tekenen.
, - Kopvoeter: 4j: herkenbaar maar onrealistisch = kop + voeten
(romp onbelangrijk).
- Verstandelijk realisme: 5-6j: herkenbaar goed gevormd klopt niet
met realiteit.
- Visueel realisme: 8-9j: herkenbaar klopt met realiteit
5.2. Waarneming en cognitieve ontwikkeling
Grote sprongen op: waarneming, denken, geheugen, fantasie &
taalontwikkeling. Vaardigheden verder gezet: grootteconstantie,
vormconstantie & vormdiscriminatie.
5.2.1. Waarneming
Geoptimaliseerd, meer nauwkeurig & gedetailleerd. moeilijk om overzicht
te zien (7 verschillen). Vorm-richtingsbewustzijn beter, nog fouten -
L&R uit elkaar houden moeilijk. Ook d & p, b & p, lezen gaat nog niet.
5.2.2. Denken
Preoperationeel denken: laat zich
leiden door uiterlijk waarneembare
kenmerken. Niet peuter (globs &
preconceptueel denken) nu =
concepthantering in kleutertijd.
=> realistische concepten maar
oordeelt direct op uiterlijke
verschijningsvorm = intuïtief
denken = oordelen op zicht. => kat
met masker hond is hond. Ook
klasseninclusie = zijn er meer gele bloemen of bloemen, kleuter: gele
bloemen, oordeelt op eerste zicht.
EGOCENTRISME
Belangrijk aspect intuïtief denken, kan niet in ander zijn schoenen
plaatsen => heeft jouw broer een broer => nee. ToM kent nog
beperkingen. Driebergentest: wat ziet pop? => kleuter zegt
sneeuw, huis & kruis reden = kleuter snapt niet dat pop alleen berg
ziet.
CONSERVATIEPROEVEN
Nog geen logische denkstrategieën = eigen aan preoperationeel
ontwikkelingsstadium. = water test. Als koek in 2 breekt zijn er 2 koekjes.
1) Gecentreerdheid op vlak van denken: oog voor 1 aspect situatie.
2) Primaire aandacht voor toestanden: geen aandacht voor
transformaties enkel begin & eindresultaat.
5.1. Lichamelijke en motorische ontwikkeling
5.1.1. Lichamelijke veranderingen
Hersenlateralisatie zal op plooi vallen door sterke
groei corpus callosum sterke samenwerking L-R.
vroeger dachten geen samenwerking L-R =>
holistische visie.
L= verbale taken (lezen praten) & sequentiële
verwerking gebied van Broca = productie taal.
R non-verbale taken (muziek emotie) & globale
verwerking & gebied van Wernicke = begrijpen van
taal.
Myelinisatie van neuronen: verderzetting: sneller
denken, veel meer verbindingen. Vorming myeline
vooral in thalamus & prefrontale cortex.
5.1.2. Motorische ontwikkeling
Specialisatie van reeds verworven vaardigheden
GROVE MOTORIEK
Stappen = volledig gecoördineerd & nieuwe variaties => rennen,
huppelen. Beter evenwicht = schoppen fietsen, hoe uitdagender hoe
beter.
FIJNE MOTORIEK
Motorische verfijning = puzzelen, mes & vork eten, voorkeurshand,
tekenen = belangrijk.
TEKENEN zie vb boek p. 228
Uit plezier, gevoelens uitdrukken, communicatiemiddel = therapeutisch
belang, zaken getoond die niet in woorden gezegd worden. Zicht op: fijne
motoriek, emoties, sociale relaties, cognitieve vaardigheden, ruimtelijk
inzicht & fantasie.
SOORTEN:
- Krabbelstadium: 2j: plezier in lijnen & krabbels = functielust.
- Toevallig realisme: 3j: krabbelen = onherkenbaar, waar peuter dan
aan denkt.
- Mislukt realisme: 3- 4j: krabbelen-planmatig-onherkenbaar: vooraf
plannen wat tekenen, mislukt om herkenbaar te tekenen.
, - Kopvoeter: 4j: herkenbaar maar onrealistisch = kop + voeten
(romp onbelangrijk).
- Verstandelijk realisme: 5-6j: herkenbaar goed gevormd klopt niet
met realiteit.
- Visueel realisme: 8-9j: herkenbaar klopt met realiteit
5.2. Waarneming en cognitieve ontwikkeling
Grote sprongen op: waarneming, denken, geheugen, fantasie &
taalontwikkeling. Vaardigheden verder gezet: grootteconstantie,
vormconstantie & vormdiscriminatie.
5.2.1. Waarneming
Geoptimaliseerd, meer nauwkeurig & gedetailleerd. moeilijk om overzicht
te zien (7 verschillen). Vorm-richtingsbewustzijn beter, nog fouten -
L&R uit elkaar houden moeilijk. Ook d & p, b & p, lezen gaat nog niet.
5.2.2. Denken
Preoperationeel denken: laat zich
leiden door uiterlijk waarneembare
kenmerken. Niet peuter (globs &
preconceptueel denken) nu =
concepthantering in kleutertijd.
=> realistische concepten maar
oordeelt direct op uiterlijke
verschijningsvorm = intuïtief
denken = oordelen op zicht. => kat
met masker hond is hond. Ook
klasseninclusie = zijn er meer gele bloemen of bloemen, kleuter: gele
bloemen, oordeelt op eerste zicht.
EGOCENTRISME
Belangrijk aspect intuïtief denken, kan niet in ander zijn schoenen
plaatsen => heeft jouw broer een broer => nee. ToM kent nog
beperkingen. Driebergentest: wat ziet pop? => kleuter zegt
sneeuw, huis & kruis reden = kleuter snapt niet dat pop alleen berg
ziet.
CONSERVATIEPROEVEN
Nog geen logische denkstrategieën = eigen aan preoperationeel
ontwikkelingsstadium. = water test. Als koek in 2 breekt zijn er 2 koekjes.
1) Gecentreerdheid op vlak van denken: oog voor 1 aspect situatie.
2) Primaire aandacht voor toestanden: geen aandacht voor
transformaties enkel begin & eindresultaat.