RECHTSVERGELIJKING DEEL 2 :
ISLAMITISCH RECHT
Geloof en recht .................................................................................................................................. 2
rechtsbronnen ................................................................................................................................... 2
Inleiding ......................................................................................................................................... 2
KORAN (= openbaring van Allah) ...................................................................................................... 3
SOENNA (= de manier/weg van de profeet) ....................................................................................... 3
IDJTIHAD (= onafhankelijk interpreteren van wetgeving) ..................................................................... 4
4 scholen, genaamd naar belangrijkste protagonist: ..................................................................... 5
2 extra interpretaties (substromingen, die toch westers media halen door de radicale stelling die ze
aan nemen) ................................................................................................................................. 5
Gewoonterecht, seculiere regelgeving en rechtsknepen (= aanvullende rechtsbronnen) ..................... 5
verhouding tot internationaal recht ...................................................................................................... 6
gerechtelijke organisatie ..................................................................................................................... 7
Verhouding tot hedendaags recht van staten........................................................................................ 7
Koranische misdrijven ........................................................................................................................ 9
pg. 1
, GELOOF EN RECHT
- Islam is wereldgodsdienst (1,5 miljard gelovigen)
o Ca. 85% soennieten
Moslim wereld is meer dit
o Ca. 15% sjiieten
Saudische wereld
Maken er veel meer een wereldlijk gezag van
- Shari’a = geheel van gedragsregels van de Islam, die hun oorsprong vinden in de wil van Allah,
MAAR na Mohammed is geen mens in staat de wil van Allah perfect te kennen
o Volmaakt + eeuwig
- aanvaarding van zeker juridisch pluralisme daar ook rechtsgeleerden zich kunnen vergissen
- De shari’a betreft alle handelingen van de moslim (totalitair)
- Shari’a onderscheidt:
o verplichtingen jegens God alleen (onder meer de 5 zuilen)
spelen tussen gelovige en Allah
o verplichtingen jegens God EN de maatschappij (bv. verbod van overspel) domein van
het recht
o => het onderscheid hier tussen is wel niet steeds duidelijk
- De islamitische rechtsgeleerdheid (fiqh) structureert de rechtsregels vervat in de shari’a.
- Islamitisch recht geldt op personele basis, namelijk voor alle moslims (waar ter wereld die zich
ook bevinden)
o Dit principe bleek tot 20e eeuw werkbaar in door moslims beheerste gebieden (dar el-
islam)
o Met vestiging van natiestaten in 20e eeuw geldt het recht van islamitische staten
vandaag ook territoriaal
RECHTSBRONNEN
INLEIDING
- Klassieke bronnen van de fiqh (=rechtsgeleerdheid) :
o Koran
o Soenna
o Idjtihad
- Knoopt niet aan bij territorialiteit, maar bij personaliteit
- Daarnaast gelden het gewoonterecht, de seculiere wetgeving en de rechtsknepen als
aanvullende bronnen
- Allah openbaarde tussen 610 en 632 zijn wil via de engel Gabriël aan Mohammed (°570-632)
o 622: Mohammed vlucht van Mekka naar Medina (hidjra)
o 622: hidjra = start islamitische jaartelling
o 630: verovering van Mekka
- Ca. 30 jaar na de dood van Mohammed worden diens openbaringen opgetekend in een boek (nl.
de koran)
pg. 2
ISLAMITISCH RECHT
Geloof en recht .................................................................................................................................. 2
rechtsbronnen ................................................................................................................................... 2
Inleiding ......................................................................................................................................... 2
KORAN (= openbaring van Allah) ...................................................................................................... 3
SOENNA (= de manier/weg van de profeet) ....................................................................................... 3
IDJTIHAD (= onafhankelijk interpreteren van wetgeving) ..................................................................... 4
4 scholen, genaamd naar belangrijkste protagonist: ..................................................................... 5
2 extra interpretaties (substromingen, die toch westers media halen door de radicale stelling die ze
aan nemen) ................................................................................................................................. 5
Gewoonterecht, seculiere regelgeving en rechtsknepen (= aanvullende rechtsbronnen) ..................... 5
verhouding tot internationaal recht ...................................................................................................... 6
gerechtelijke organisatie ..................................................................................................................... 7
Verhouding tot hedendaags recht van staten........................................................................................ 7
Koranische misdrijven ........................................................................................................................ 9
pg. 1
, GELOOF EN RECHT
- Islam is wereldgodsdienst (1,5 miljard gelovigen)
o Ca. 85% soennieten
Moslim wereld is meer dit
o Ca. 15% sjiieten
Saudische wereld
Maken er veel meer een wereldlijk gezag van
- Shari’a = geheel van gedragsregels van de Islam, die hun oorsprong vinden in de wil van Allah,
MAAR na Mohammed is geen mens in staat de wil van Allah perfect te kennen
o Volmaakt + eeuwig
- aanvaarding van zeker juridisch pluralisme daar ook rechtsgeleerden zich kunnen vergissen
- De shari’a betreft alle handelingen van de moslim (totalitair)
- Shari’a onderscheidt:
o verplichtingen jegens God alleen (onder meer de 5 zuilen)
spelen tussen gelovige en Allah
o verplichtingen jegens God EN de maatschappij (bv. verbod van overspel) domein van
het recht
o => het onderscheid hier tussen is wel niet steeds duidelijk
- De islamitische rechtsgeleerdheid (fiqh) structureert de rechtsregels vervat in de shari’a.
- Islamitisch recht geldt op personele basis, namelijk voor alle moslims (waar ter wereld die zich
ook bevinden)
o Dit principe bleek tot 20e eeuw werkbaar in door moslims beheerste gebieden (dar el-
islam)
o Met vestiging van natiestaten in 20e eeuw geldt het recht van islamitische staten
vandaag ook territoriaal
RECHTSBRONNEN
INLEIDING
- Klassieke bronnen van de fiqh (=rechtsgeleerdheid) :
o Koran
o Soenna
o Idjtihad
- Knoopt niet aan bij territorialiteit, maar bij personaliteit
- Daarnaast gelden het gewoonterecht, de seculiere wetgeving en de rechtsknepen als
aanvullende bronnen
- Allah openbaarde tussen 610 en 632 zijn wil via de engel Gabriël aan Mohammed (°570-632)
o 622: Mohammed vlucht van Mekka naar Medina (hidjra)
o 622: hidjra = start islamitische jaartelling
o 630: verovering van Mekka
- Ca. 30 jaar na de dood van Mohammed worden diens openbaringen opgetekend in een boek (nl.
de koran)
pg. 2